23-01-10

Juli Zeh


catalogue_10699_detailHOE DE VRAAG LUIDT

Juli Zeh, Corpus delicti. Een proces. Vertaling: Hilde Keteleer. Anthos, Amsterdam 2009. 217 pp.
In: De Leeswolf, jrg 15, nr 9, 2009, p. 653-654.

Juli Zeh's nieuwste roman, Corpus delicti, speelt ergens in het midden van de 21ste eeuw. Science-fiction is het niet: vliegende schotels, verplaatsingen met de snelheid van het licht, onvoorstelbare technische snufjes, het komt allemaal in het boek niet voor. Corpus delicti is meer een toekomstroman zoals Orwells 1984 of Huxleys Brave New World dat waren. Dat betekent dat in dit boek datgene wat in onze huidige samenleving in feite al voorhanden is, op bepaalde punten wordt uitvergroot en verabsoluteerd.

In Corpus delicti gaat het om de in onze samenleving aanwezige gezondheidsmanie. In Zeh's verhaal dragen alle mensen een chip in hun bovenarm, vergelijkbaar met de chip die men vandaag de dag al op identiteitsbewijzen aanbrengt: ze bevat biometrische gegevens, van vingerafdruk tot dna-profiel. De fysieke gesteldheid van de bewoners wordt verder gecontroleerd via meetapparatuur in de riolering, via een verplicht aantal dagelijks af te leggen kilometers op een hometrainer, en ook via een uitgekiend systeem dat bepaalt wie zich met wie mag voortplanten: eenzelfde immuunsysteem is daarbij een absolute vereiste. Roken is een ernstig misdrijf, of meer algemeen: alles wat je ongezond kunt noemen, is gecriminaliseerd. Een en ander speelt zich niet langer af binnen een staatsstructuur, maar de staat is vervangen door 'De Methode'. Die 'Methode' zou onfeilbaar zijn.

Een dergelijke benaming geeft al aan dat het hier om net een beetje meer gaat dan om enkel de uitvergroting van een modeverschijnsel in onze huidige samenleving. De dictatoriale eis tot gezondheid is het uitvloeisel van een bepaald mensbeeld en herinnerde me meteen aan de discussies die ontstonden naar aanleiding van Sloterdijks 'Regels voor het mensenpark' (1999), discussies die door al dan niet bewuste mislezingen van journalisten al vrij vroeg ontspoorden in schimpscheuten over euge-netica en vermeend fascistische sympathieën.

Sloterdijk spreekt in zijn lezing over het falen van het oude, klassieke humanisme om de, wat hij noemt 'ontremmende' tendensen in de mens te temmen. Dat volgens hem inmiddels uitgebloeide humanisme zelf wordt daarmee begrepen als een discours van temmen en telen. Volgens Sloterdijk zal 'de komende lange tijdsspanne voor de mensheid een periode van politieke beslissingen inzake de soort' zijn. 'Daarbij zal blijken of het de mensheid of haar voornaamste culturele vertegenwoordigers lukt tenminste weer effectieve methodes te ontwikkelen om zichzelf te temmen'. En dan volgt een zin waarin hij de vraag stelt of de ontwikkelingen op lange termijn 'ook tot een genetische hervorming van de soort zal leiden; of een toekomstige antropotechnologie zal voeren tot een expliciet plannen van eigenschappen; en of de mensheid wereldwijd een omschakeling zal kunnen maken van het geboortefatalisme naar de geboorte-bij-keuze en naar prenatale selectie'. Gefundenes Fressen voor een journalist, zoiets.

Maar ook een voorbeeld van hoe zoiets als humanisme en verlichting in hun meest extreme vorm onmiddellijk in hun tegendeel verkeren. Dat is precies de dynamiek waarbij de meeste toekomstromans bestaan. 1984, Brave New World — ze zetten het menselijke (en, zo ben ik geneigd te zeggen, dus feilbare) steeds tegenover het als onfeilbaar beschouwde systeem dat nu juist met het oog op het algehele welbevinden van de mens werd ontwikkeld. Corpus delicti vormt daarop geen uitzondering en in die zin is het boek meteen ook erg voorspelbaar. Het drama dreigt al op voorhand aan de te verdedigen stelling in het boek opgeofferd te worden, terwijl die stelling zelf weinig opzienbarend genoemd moet worden.

Misschien is het beter om te zeggen dat dat drama van meet af aan ondergeschikt is aan wat Zeh in een meer essayistische zin wilde zeggen. Want er is in het boek natuurlijk wel een dramatische ontwikkeling — sterker nog: Corpus delicti is de romanbewerking van een toneelstuk dat in 2007 met het nodige succes op de planken werd gebracht. Misschien is dat de reden dat Zeh voor de dramatische ontwikkeling teruggreep naar Sophocles' Antigone.

Antigone van dienst is hier Mia Holl, een aanvankelijk tamelijk kritiekloze volgelinge van De Methode, die door de dood van haar broer Moritz zodanig uit haar evenwicht raakt dat ze haar 'gezondheidsplichten' begint te verzaken en de aandacht van de autoriteiten op zich vestigt. Moritz gold als een tegenstander van De Methode, of in ieder geval als iemand die zich weinig aantrok van de geldende voorschriften. Het belangrijkste is echter dat hij een moord begaan zou hebben — dat is op grond van dna-bewijsmateriaal onomstotelijk vast komen te staan (al blijkt dat later nu juist niet te kloppen). De doodstraf wordt in deze samenleving niet voltrokken, maar ernstige misdadigers worden veroordeeld tot invriezing. Moritz onttrok zich aan dat lot met hulp van Mia, die een visdraad de gevangenis wist binnen te smokkelen, waarmee Moritz zelfmoord heeft gepleegd. Dat is waar het verhaal begint.

In het verloop van het verhaal verandert Mia van een kritiekloze volgelinge in bijna een martelares voor het verzet tegen De Methode, iemand wier standpunten gedeeld worden door 'terroristische' organisaties die binnen de hier geschetste sa-menleving aanwezig zijn, zoals de beweging Recht Op Ziekte, ook al formuleert Mia haar standpunten aanvankelijk enkel op persoonlijke titel. In gesprekken met een zekere Kramer, die je de 'chef ideologie' zou kunnen noemen, komt Mia steeds meer tot de overtuiging dat het recht op verzet, maar ook op onreinheid, op risico en zelfs op de dood een onvervreemdbaar mensenrecht is.

Dat verzet culmineert in een op zichzelf genomen prachtig pamflet met de titel: 'Hoe de vraag luidt'. Daarin stelt Mia onder meer: "Ik zeg mijn vertrouwen op in een maatschappij die uit mensen bestaat en toch gebaseerd is op angst voor mensen. Ik zeg mijn vertrouwen op in een beschaving die de geest heeft verraden aan het lichaam [...]. Ik zeg mijn vertrouwen op in een normaliteit die zichzelf als gezondheid definieert. Ik zeg mijn vertrouwen op in een gezondheid die zichzelf als normaliteit definieert [...]. Ik zeg mijn vertrouwen op in een veiligheid die het ultieme antwoord wil zijn zonder te zeggen hoe de vraag luidt. Ik zeg mijn vertrouwen op in een filosofie die doet alsof de discussie over existentiële problemen van de baan is. Ik zeg mijn vertrouwen op in een moraal die te lui is om zich bezig te houden met de paradox van goed en kwaad en zich liever houdt aan 'functioneert' of 'functioneert niet' [...]. Ik zeg mijn vertrouwen op in het persoonlijk welzijn zolang het niets anders is dan een variatie op de kleinste gemeenschappelijke noemer. Ik zeg mijn vertrouwen op in een politiek die haar populariteit uitsluitend ontleent aan de belofte van een risicoloos leven."

Dit pamflet is uiteindelijk het kloppend hart achter het hele boek; er staat bijna niets in wat enkel betrekking heeft op de romanwereld die Zeh hier heeft geschapen; bijna alles gaat over onze samenleving. Het maakt nog eens duidelijk waarom dit boek geschreven moest worden. En hoewel Zeh — van huis uit juriste — een scherpe en vaardige pen heeft, altijd zeer exact formuleert en in vrijwel iedere zin getuigt van scherpzinnigheid, laat dit pamflet ook zien dat ze met de keuze voor het genre van de toekomstroman zichzelf hier tekort heeft gedaan.

Zoals gezegd: de kritiek die de ruggengraat van het boek vormt, is op zich niet nieuw. Dat was het wereldbeeld in Zeh's bekendste roman, Speeldrift (2004), evenmin. Maar in dat boek hielp de romanvorm om van dat wereldbeeld een daadwerkelijke ervaring te maken, waardoor het eventuele morele oordeel dat je als lezer over de daar beschreven personages wilde vellen, toch op zijn minst werd uitgesteld of zelfs bemoeilijkt. In Corpus delicti lijkt dat oordeel al op voorhand geveld, ondanks de spitsvondigheden die de chef ideologie Kramer te berde brengt om De Methode te verdedigen. En dat heeft alles te maken met het genre van de toekomstroman: die extrapoleert wat in onze huidige samenleving alleen als potentieel gevaar aanwezig is, voert dat wat voor ons ambigu is (want wie wil er nu géén volledig kiemvrije designerbaby met een op voorhand hoog IQ) al op voorhand tot zijn in wezen onmenselijke consequenties, waardoor we alleen maar kunnen sympathiseren met de in onze ogen zo 'menselijk' gebleven Mia. Daarmee, om de woorden van Zeh naar haarzelf terug te kaatsen, ontwijkt de auteur de paradox van goed en kwaad, en in literatuur betekent dat meestal dat het geschrevene dan niet goed functioneert.

16:29 Gepost door Marc Reugebrink in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.