02-12-09

Literatuur is een humanisme


lezing in Perdu, 27 november 2009

Naamloos1Eén van de ergste dingen die je de herauten van het engagement in de literatuur kunt verwijten vandaag de dag, is zeggen dat hun roep om engagement vooral een literaire vraag is. In de beide publicaties die ook vanavond weer het uitgangspunt vormen — Thomas Vaessens' De revanche van de roman en Harmens' en Pfeijffers 'Manifest voor riskante literatuur' — lijkt er altijd een ondertoon van verwijt te zitten in de richting van schrijvers die zich zouden hebben teruggetrokken in hun eigen domein. Ik zeg met nadruk: 'lijkt', want van Vaessens' boek kun je nog zeggen dat het een poging doet om met enige, wetenschappelijk te noemen distantie een aantal verschijnselen in kaart te brengen — iets wat voor dat manifest van Harmens en Pfeijffer uiteraard niet geldt. Maar ook Vaessens ontkomt niet helemaal aan de verdenking dat hij rekeningen te vereffenen heeft, of dan toch ten minste dat er schuldigen gevonden moeten worden voor wat hem zijn boek deed schrijven: de grote bezorgdheid over de marginalisering van de literatuur.

Ik heb het altijd wat merkwaardig gevonden om auteurs verantwoordelijk te stellen voor het veronderstelde gebrek aan engagement. Waar ik ook kijk in de Nederlandse, en bij uitbreiding: Nederlandstalige literatuur — want daarover gaat het hier vooral — ik zie vrijwel geen enkele schrijver die expliciet de bedoeling heeft om met zijn boeken niets, maar dan ook absoluut niets over de wereld, de maatschappij, de samenleving te zeggen. En dat is dan ook meteen de eerste knoop waarop ik stuit als ik tracht de discussies over engagement en literatuur te volgen. Er lijkt mij in het gesprek hierover een grote verwarring te bestaan tussen wat je enerzijds de maatschappelijke relevantie van literatuur zou kunnen noemen, en anderzijds de maatschappelijke betrokkenheid van literatuur. De termen 'relevantie' en 'betrokkenheid' zijn vrij arbitrair gekozen, maar ik bedoel er vooral dit mee: als ik het over de maatschappelijke betrokkenheid van literatuur heb, dan heb ik het over de intenties van een auteur; als ik het over de relevantie heb, dan verwijs ik daarmee naar de receptie van literatuur. Mijn stelling is dat er met de maatschappelijke betrokkenheid van literatuur eigenlijk niet zo heel veel mis is. Het probleem zit aan de kant van de receptie: literatuur wordt niet langer gelezen als een relevante bijdrage aan de maatschappij.

Of laat ik het anders zeggen. Als het gaat om de maatschappelijke relevantie van literatuur moet je vaststellen dat die vandaag de dag geheel afhankelijk is geworden van de mogelijkheid en vooral de bereidwilligheid die de massamedia hebben om een bepaald literair werk te reduceren tot een journalistiek en vlot verkoopbaar item. Om een voorbeeld dicht bij huis te geven (enfin, toch bij mijn huis): toen mijn roman Het grote uitstel in 2008 werd bekroond met een literaire prijs die ook tot de verbeelding sprak van de journalistiek (er zijn veel literaire prijzen die dat niet doen), zag diezelfde journalistiek een mooie gelegenheid om de roman te koppelen aan het veertigjarig jubileum van mei '68: mijn boek werd vaak omschreven als een afreke-ning met de protestgeneratie uit de jaren zestig. Meer recent, bij het twintigjarig jubileum van de Val van de Muur, las ik in NRC dat Het grote uitstel één van de 'Wende'-romans was die over die gebeurtenis is geschreven. Ik kan nu als auteur verontwaardigd zijn over deze reducties van mijn roman tot niet meer dan wat op een bepaald moment een zekere nieuwswaarde had, terwijl mijn roman natúúrlijk veellagiger, paradoxaler, veel minder eenduidig is dan ze werd en wordt voorgesteld — of wat had u dan gedacht? In die zin was de reflectie op die roman al een stuk interessanter geweest wanneer men bij het 40-jarig jubileum van mei 68 de roman met de Val van de Muur in verband had gebracht en bij de herdenking van de Val van de Muur met mei '68. Maar uiteraard ben je vandaag de dag als auteur alleen maar dankbaar wanneer de media juist in jouw roman een aanleiding vinden om het soort reducties toe te passen dat zo'n roman pas werkelijk 'relevant' maakt, of, ander modewoord, 'urgent'. Al dient daarbij aangetekend dat het boek daarvoor eerst wel één van de drie grote commerciële prijzen uit ons taalgebied moest winnen. Anders was het, met al zijn maatschappelijke relevantie, onbesproken en onopgemerkt gebleven.

Het feit dat literatuur onderdeel is geworden van de massacultuur en dus niet langer op zijn eigen merites wordt beschouwd — dat wil zeggen: niet langer wordt gelezen in een traditie van eeuwen die tegelijk daarmee op de schroothoop is gegooid — is één, en waarschijnlijk de belangrijkste reden waarom er tussen de intentie van de auteur en de receptie van zijn werk zo'n kloof gaapt: waarom de maatschappelijke betrokkenheid van een auteur niet wordt waargenomen. Die is afhankelijk van wat de nieuwsmedia op een zeker moment als maatschappelijk betrokken definiëren, en dat op zijn beurt is weer in hoge mate afhankelijk van de bewegingen van de markt.

Kan men dat de schrijver verwijten?

Laat ik ook dat anders formuleren: in zijn boek besteedt Vaessens menige passage aan wat hij het 'humanistisch modernisme' noemt — juist de passages waarvan je vermoedt dat ze eigenlijk een afrekening willen zijn met een groot deel van het schrijversgilde. Als er één ding duidelijk is, dan is het wel dat onze definitie van wat literatuur eigenlijk is, voor het grootste deel samenvalt met wat Vaessens het humanistisch modernisme noemt, al valt het dan weer niet precies samen met de wat al te beperkende definitie die Vaessens van dat modernisme geeft. Wat op het eerste gezicht minder duidelijk is, dat is dat ook het 'relativistisch postmodernisme' dat Vaessens vervolgens onderscheidt, en ook het 'laatpostmodernisme' dat hij daar weer op laat volgen, uiteindelijk binnen diezelfde definitie van literatuur vallen. Voor wie het boek nog niet las: Vaessens omschrijft het relativistisch postmodernisme in zijn boek als juist een afrekening met wat hij meermalen de pretenties van dat humanistisch modernisme noemt — alsof het ene literatuurbegrip hier daadwerkelijk werd vervangen door het andere. Maar in beide gevallen — en eigenlijk geldt dat ook voor wat Vaessens 'laatpostmodern' noemt (voor wie op de hoogte is met de Vlaamse literatuur is dat overigens een wel heel vreemde benaming, maar dit terzijde) — in alle gevallen dus eigenlijk, wordt er bij literatuur gedacht aan de kunstvorm zoals wij die, grofweg gesproken, sinds de romantiek kennen. Ons literatuurbegrip staat of valt met het romantisch paradigma waarbinnen het (internaionaal gesproken) eind achttiende, begin negentiende eeuw werd gemunt. Of je het nu over de romantiek zelf hebt, over het modernisme, het naturalisme, over de avant-garde, over experimentele literatuur, l'art pour l'art, postmoderne literatuur, over realisme, de nouveau roman of de nouveau nouveau roman — in alle gevallen wordt ervan uitgegaan dat literatuur werkelijkheid weergeeft. Of misschien is beter om te zeggen: dat literatuur een werkelijkheid projecteert.

Even, heel kort, een historische excursie. Dat literatuur en werkelijkheid met elkaar verbonden zijn, weten we al langer dan de romantiek. Vergeeft u mij de wel heel grove borstel die ik nu hanteer: maar tot ongeveer de achttiende eeuw overheerste de gedachte dat de literatuur de weergave was van een als min of meer objectief gedachte werkelijkheid. Een poëtica was toen een leerboek. Literatuur zelf was te leren. Je hoefde maar de juiste regeltjes te volgen en je kreeg een literair werk: de op de, literair gesproken, juiste wijze weergegeven objectieve werkelijkheid (het meest extreme voorbeeld hiervan vormt misschien wel het Franse Classicisme). De gedachte dat de werkelijkheid een objectief gegeven is, stond al minstens sinds de renaissance onder druk, en de romantische literatuur die eind achttiende, begin negentiende eeuw opkwam, brak dan ook met deze vooronderstelling. Vanaf dat moment was een poëtica geen leerboek meer, maar zoiets als een politiek programma of instrument. Literatuur beschreef niet langer hoe de werkelijkheid was, maar hoe ze zou kunnen, en zelfs: hoe ze zou moeten zijn. Aanvankelijk ging van literatuur in die zin dan ook een vormende kracht uit; ze gold als drager van ideeën over bijvoorbeeld de nationale eenheid of identiteit van een staat; ze stond hoog ingeschreven in het curriculum van onderwijsinstellingen omdat via haar de culturele identiteit van een gemeenschap gewaarborgd was. Ze was, kortom, vanzelfsprekend geëngageerd. Een dichter, en in toenemende mate ook de romanschrijver gold misschien niet meteen als wetgever over de wereld, zoals Shelley het ooit verwoordde, maar er was wel een vanzelfsprekend verband tussen dichter en gemeenschap, tussen prozaschrijver en maatschappij. Het forum dat sommige kranten de meer bekende — dat wil zeggen: bij de media goed liggende — auteurs nu nog vaak geeft, de openbaarheid die schrijvers nog vaak zelf zoeken om in aloude stijl petities te ondertekenen tegen dit of dat, zijn restanten van een verleden waarin een schrijver méér was dan iemand die alleen maar boekjes schreef. Het gesprek over literatuur ging toen ook niet zozeer over bijvoorbeeld 'toegankelijkheid' of 'ontoegankelijkheid', maar over de in de literatuur tot uitdrukking gebrachte werkelijkheidsvoorstelling, over de politieke, de morele, de sociale betekenis van die voorstelling. In het interbellum vielen de vertegenwoordigers van het tijdschrift Forum nog eens de Tachtigers aan vanwege een estheticisme dat hen na de Eerste Wereld-oorlog niet alleen wereldvreemd geworden leek te zijn, maar zelfs moreel verwerpelijk. Zelfs het l'art pour l'art was voor hen geen afgekeerdheid van alle werkelijkheid, maar uitdrukking van een, in hun ogen verkeerde werkelijkheidsopvatting. Het persoonlijkheidscriterium van critici als Ter Braak of Du Perron was niet het terugredeneren van romans tot hun autobiografische achtergrond, maar tot de filosofische grondhouding van degene die het geschreven had, en tot de praktische consequenties van die houding in het leven van alledag.

Mooie tijden, mooie discussies en debatten, zinvolle kwesties — elke schrijver droomt ervan, heimelijk of niet. En het is precies in deze context dat de vraag naar het engagement ook nu weer wordt gesteld. In die zin is die vraag zelf helemaal geen afrekening met het humanistisch modernisme zoals Vaessens dat begrijpt, maar een voortzetting ervan.

Ik citeer:

'Het tijdperk van het nationaal-burgerlijke humanisme is tot een eind ge-komen omdat de kunst, tot liefde inspirerende brieven aan een natie van vrienden te schrijven [en daarmee wordt literatuur, worden boeken bedoeld], ook al zou ze nog zo professioneel worden beoefend, niet meer volstaat om een telecommunicatieve band te smeden tussen de bewoners van een moderne massamaatschappij. Door de als gevolg van de media opgekomen massacultuur in de westerse wereld na 1918 (ra-dio) en na 1945 (televisie) en meer nog door de huidige internetrevolutie is de coëxis-tentie van de mensen in de huidige samenlevingen op een nieuwe leest geschoeid. Die is, zoals zonder omhaal valt aan te tonen, duidelijk postliterair, postepistolair en derhalve posthumanistisch. Wie het voorvoegsel "post" in deze formuleringen te dramatisch vindt, kan het door het adjectief "marginaal" vervangen — zodat onze stelling luidt: grote moderne samenlevingen kunnen hun politieke en culturele synthese alleen nog marginaal via literaire, epistolaire, humanistische media bewerkstelligen. De literatuur is daarmee geenszins ten einde, maar ze heeft zich gedifferentieerd tot een subcultuur sui generis, en de dagen van haar overschatting als medium van de nationale geesten zijn voorbij. De sociale synthese is niet langer — ook niet schijnbaar — hoofdzakelijk een zaak van boek en brief […]. De era van het moderne humanisme als school- en vormingsmodel is voorbij, omdat de illusie niet langer stand kan houden dat grote politieke en economische structuren georganiseerd zouden kunnen worden naar het vriendschapsmodel van het literaire genootschap.'


Dit citaat komt uit een geruchtmakende lezing van Peter Sloterdijk: 'Regels voor het mensenpark'. In die lezing sprak Sloterdijk over het klassieke humanisme waarvan de literatuur bij uitstek de drager was. Wat hij hier zegt is in het licht van de discussie over engagement, behoorlijk pittig. Er staat hier immers dat we over engagement en literatuur niet eens meer hoeven te spreken. Er is geen mogelijkheid meer om met literatuur maatschappelijk relevant te zijn. Vaessens' 'laatpostmodernisme', waarin de schrijver zich weer naar het publiek toewendt, mijn overtuiging dat de schrijver zich in principe nooit van het publiek heeft áfgewend, het zijn, volgens Sloterdijk, vergeefse pogingen om de in principe humanistische idealen van literatuur alsnog hun beslag te laten krijgen. Ze zijn 'reanimaties van het humanisme', zoals Sloterdijk het noemt, niet ongelijk het humanisme dat na de Tweede Wereldoorlog nog eens opflakkerde als, dixit Sloterdijk, 'een gearrangeerde en reflexachtige renaissance'. Daarover zegt hij nog het volgende, en ik citeer het hier omdat het me van belang lijkt in de discussie die we nu met elkaar voeren: het laat nog eens zien wat er in werkelijkheid op het spel staat.

In het naoorlogse humanisme, zo stelt Sloterdijk

'In dit naoorlogse humanisme, al is het nog zozeer uit illusie geboren, klinkt hoe dan ook een motief door zonder welk de humanistische tendens als geheel nooit begrepen kan worden […]: humanisme als woord en zaak heeft altijd een tegenhanger, want het is een geëngageerde strijd voor het terughalen van de mens uit de barbarij. Het ligt voor de hand dat juist de tijden die bijzondere ervaringen hebben opgedaan met het barbaarse potentieel dat bij gewelddadige interacties tussen mensen vrijkomt, tegelijk de tijden zijn waarin de roep om humanisme luider en dringender pleegt te worden. Wie tegenwoordig naar de toekomst van humaniteit en humaniseringsmedia vraagt, wil eigenlijk weten of er hoop bestaat de huidige tendens tot verwildering bij de mens de baas te worden. Daarbij weegt verontrustend zwaar dat verwildering, nu als altijd, zich juist bij grote machtsontplooiing pleegt voor te doen, hetzij als directe oorlogszuchtige en imperiale bruutheid, hetzij als alledaagse bestialisering van de mens in de media van het ontremmend amusement. Voor beide vormen hebben de Romeinen het model geleverd dat op Europa zijn stempel zou drukken — enerzijds met hun alles doordringende militarisme, anderzijds door hun naar de toekomst wijzende amusementsindustrie van de bloedige spelen. Het latente thema van het humanisme is dus de 'ontwildering' van de mens, en zijn latente stelling: Juiste lectuur maakt tam.'


Met andere woorden: de literatuurgeschiedenis sinds de romantiek, je kunt ook zeggen: de literatuurgeschiedenis van de moderniteit, die gekenmerkt wordt door een voortdurende afwisseling van richtingen, stromingen en bewegingen — de Nederlandse literatuur sinds 1880 wordt nog steeds beschreven als een eindeloos actie-reactie-gebeuren waarin het nieuwe afrekent met het oude —, die literatuurgeschiedenis moet begrepen worden als de strijd om de juiste lectuur: een strijd om het juiste mens- en wereldbeeld. Die strijd wordt niet langer in, of in ieder geval niet door middel van literatuur gevoerd. De vraag naar de 'ontwildering' van de mens is daarmee niet van het menu verdwenen, stelt Sloterdijk; het is maar dat literatuur als medium het antwoord niet meer biedt. De vraag hoe de mens tot een ware of werkelijke mens kan worden, schrijft hij verder nog, moet van nu af aan als mediavraag gesteld worden, waarbij hij onder 'media' de 'communale en communicatieve middelen' verstaat, 'door het gebruik waarvan de mensen zichzelf vormen tot wat ze kunnen en zullen zijn.' De mogelijk rigoureuze antwoorden op die vraag, hebben gemaakt dat Sloterdijks lezing in 1999 zo controversieel werd. Volgens Sloterdijk zal 'de komende lange tijdsspanne voor de mensheid een periode van politieke beslissingen inzake de soort' zijn. 'Daarbij zal blijken of het de mensheid of haar voornaamste culturele vertegenwoordigers lukt tenminste weer effectieve methodes te ontwikkelen om zichzelf te temmen', schrijft hij. In het verlengde daarvan stelt hij de vraag of de ontwikkelingen op lange termijn 'ook tot een genetische hervorming van de soort zal leiden; of een toekomstige antropotechnologie zal voeren tot een expliciet plannen van eigenschappen; en of de mensheid wereldwijd een omschakeling zal kunnen maken van het geboortefatalisme naar de geboorte-bij-keuze en naar prenatale selectie'. Uiteraard leidde dit tot verontwaardiging, waren de termen 'eugenetica' en 'nazisme' niet veraf, en hing ook het verwijt van 'racisme' levensgroot in de lucht. Het was, zou je kunnen zeggen, verontwaardiging van een ouderwets literaire soort.

Waar het mij hier om gaat, is dat de vraag naar engagement en literatuur alleen maar een vraag is die opkomt bij diegenen die in principe het literair-humanistische wereldbeeld niet hebben losgelaten, ook al belijden ze binnen dat wereldbeeld de een of andere posthumanistische filosofie, of bestrijden ze zelfs het humanisme zelf. (Tussen haakjes: ik durf wel te stellen dat ook Sloterdijk zelf nog steeds tot dat literair-humanistische wereldbeeld gerekend moet worden). Anders gezegd: het feit dat ik verontwaardiging voel bij wat ik hier zelf, zo feitelijk mogelijk, als de huidige stand van zaken heb proberen te beschrijven, stempelt mij tot, in se, een humanist. Als zodanig is de vraag naar engagement en literatuur voor mij overbodig: literatuur is voor mij engagement bij uitstek, gaat niet over zichzelf, maar gaat zelfs als ze het over zichzelf heeft, altijd over de werkelijkheid. Ik kan, als schrijver, niet anders dan vertrekken vanuit mijn eigen betrokkenheid bij de maatschappij, en voor zover ik ook aan de receptiekant van literatuur werkzaam ben, als essayist en criticus, kan ik alleen maar zeggen dat voor mij literatuur in die zin ook altijd relevant is, of in ieder geval op die relevantie wordt afgerekend.

In diezelfde zin heb ik een aantal collega-critici vaak verwijten gemaakt, want het vooral hier te Amsterdam zo fel bejubelde anything goes uit de jaren negentig, heb ik altijd als verraad aan de literaire zaak beschouwd: het was het opgeven van wat ik wel de ideologische dimensie van literatuur heb genoemd, het loslaten van de gedachte dus, dat literatuur zoals wij die sinds de romantiek kennen, werkelijkheden projecteert — ontwerpen, zo men wil, van wat de mens is, kan of zou moeten zijn. Het zijn juist die lieden die nu om engagement in de literatuur roepen: de lieden die zelf tot nu toe steeds hebben geweigerd om de literatuur die er is geëngageerd te lezen en haar in feite hebben uitverkocht aan de geplogenheden van een massacultuur waarbinnen ze van geen tel meer is.

16:44 Gepost door Marc Reugebrink in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |