20-04-09

Hotel New Flandres


HET EINDE VAN DE MODERNITEIT?

HNFDirk van Bastelaere, Erwin Jans, Patrick Peeters (samenstelling en inleiding), Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie. 1945-2005.Poëziecentrum Gent, 2008.
In: De Leeswolf, jrg 15, nr 1, 2009, p. 30

De door Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters samengestelde bloem-lezing Hotel New Flandres veroorzaakte bij verschijnen meteen zo veel ophef dat het moeilijk is het kloeke boekwerk nog in een enigszins serene sfeer te bespreken.

Het heftigst, om niet te zeggen: op het hysterische af was de reactie op de, zoals de samenstellers zelf zeggen, ‘politieke keuze’ om zich te beperken tot de uitsluitend Vlaamse poëzie. Sommigen zagen daarin zelfs aanleiding om de samenstellers van fascistische sympathieën te verdenken, of ze dan toch ten minste te associëren met de bestrevingen van het Vlaams Belang. Misschien moet men een inwijkeling zijn om juist deze reactie typisch Vlaams te vinden?

Toen Ton Anbeek in 1990 zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985 publiceerde, was er bijna geen enkele Nederlander die op zijn achterste benen stond vanwege het feit dat Anbeek welbewust de Vlaamse literatuur buiten beschouwing liet. ‘Bijna geen enkele Nederlander’ — ikzelf vond de scheiding van wat in oude handboeken nog Zuid- en Noord-Nederlandse literatuur heette een gotspe en protesteerde in een artikel dat destijds in Poëziekrant verscheen. Maar mijn protest gold niet wat vergelijkenderwijs dan het ongezond nationalistische karakter van de literatuurgeschiedschrijver in kwestie of iets dergelijks had moet heten. Nederlanders zijn, zoals bekend, zo zelfzeker — in Vlaanderen heet dat: arrogant — dat het nooit bij hen opkomt dat ook hún nationaliteit maar iets toevalligs is, laat staan problematisch zou zijn. Ze ervaren hun nationaliteit gewoonlijk (en zeker toen nog) als iets vanzelfsprekends en brengen het nooit in verband met nationalisme. Mijn protest kwam voort uit de overweging dat een geschiedenis van enkel de Nederlandse literatuur alleen me onvolledig leek en een eerste, meteen al te grote vertekening van de historische werkelijkheid.

Er is dus wel een reden om kritiek te hebben op de keuze van de samenstellers voor enkel de Vlaamse poëzie, maar niet vanuit de frustratie van zich politiekcorrect wanende intellectuelen die elke geografische beperking op grond van een door hen blijkbaar niet verwerkte geschiedenis onmiddellijk zélf in verband brengen met Blut und Boden, om het vervolgens op anderen te projecteren. De suggestie dat het de samenstellers daar om te doen was, is vals en buitengewoon kwalijk.

Van Bastelaere, Jans en Peeters motiveren hun keuze bovendien ook uitgebreid door erop te wijzen dat men de Vlaamse poëzie pas goed kan begrijpen ‘wanneer men ze in haar eigen (historische) context plaatst. Dat wil zeggen: als voortgebracht door haar eigen dynamiek’. Ze stellen dat een Vlaamse dichter die zichzelf wil positioneren zich eerder richt op grootheden als Claus, Nolens of De Coninck dan op Nederlandse grootheden. Zoals een beginnend Nederlandse dichter zichzelf niet definieert tegenover de Vlaamse boegbeelden, maar tegenover Lucebert of Kouwenaar of Kopland. Er zijn Kopland-adepten, maar geen volgelingen van De Coninck in Nederland; sterker nog: in Nederland werd De Coninck vaak tot de school van Kopland gerekend… Zelfs Claus — hoezeer ook gewaardeerd boven de grote rivieren — krijgt in de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie hoogstens de rol van buitenbeen (i.c. ‘Vlaming’) toegeschreven: hij hoort bij de Nederlandse Vijftigers, min of meer, ongeveer, of toch net niet eigenlijk.

Daarmee hebben de samenstellers wel een punt, denk ik, al houdt een en ander ook verband met de vooronderstellingen die aan de bloemlezing als geheel ten grondslag liggen. Het organiserende principe achter de bloemlezing is namelijk het aloude idee van de ‘paradigmawisseling’ — in feite een opvatting over literatuur-geschiedschrijving die al minstens sinds de jaren vijftig in zwang is. Toen stelden Wellek en Warren in hun Theory of Literature de literatuur voor als een normen-systeem en de vooruitgang in de literatuurgeschiedenis als een kwestie van normverandering. We zijn daar natuurlijk aan gewend: zich druk makende dichters en schrijvers die, min of meer collectief, de prestaties van een vorige generatie bij de schroothoop zetten, een nieuwe ‘beweging’ zeggen te vertegenwoordigen en vervol-gens beweren de literatuur vernieuwd te hebben.

Met dit principe laat zich inderdaad een aantal ontwikkelingen in de twintigste eeuw beschrijven, vooral omdat dichters zelf zich als nieuw en anders presenteerden. Maar na de jaren vijftig wordt het toch al moeilijk om vol te houden dat nieuwe generaties, ook als ze zichzelf zo aandienen, daadwerkelijk nog iets nieuws brengen. Om veel meer dan accentverschuivingen lijkt het dan niet meer te gaan. De introductie van straattaal wordt dan bijvoorbeeld opgewaardeerd tot een heuse paradigmawisseling, terwijl in feite de poëzie nog steeds binnen hetzelfde kader als daarvoor wordt gezien: er wordt geen werkelijk nieuwe verhouding tussen poëzie en werkelijkheid gedefinieerd; er is geen sprake van een totaal anders begrijpen en aanvoelen (moreel en anderszins) van die werkelijkheid. De behoefte, of zelfs: de gevoelde noodzaak om nieuw te zijn — een eis die ‘de moderniteit’ ons dwingend oplegt, en als het ‘de moderniteit’ niet is, dan zijn het wel de wetten van de markt — loopt maar al te snel uit op het hanteren van het vergrootglas, en leidt zo bezien juist tot een zekere kleinheid. Men richt zich nog uitsluitend op wat binnen de eigen kleine gemeenschap op een gegeven moment de norm heet te zijn. En alleen zo kan iemand als Jotie T’Hooft uitgroeien tot een ‘paradigmadichter’: in Vlaanderen. In de al even benauwende Nederlandse binnenwateren was hij een vertegenwoordiger van de meer masturbatoire onderafdeling van de poëzie die vergeten was dat ‘neoromantiek’ alleen kon functioneren binnen een ironisch kader. In het gunstigste geval bleef alleen zijn zelfmoord over als waarmerk van de ‘authenticiteit’ van zijn gedichten.

De keuze voor de paradigmawisseling in deze bloemlezing is, lijkt mij, de werkelijke beperking van het boekwerk als geheel — het puur Vlaamse karakter is er slechts een uitvloeisel van. En gegeven deze keuze kan men misschien ook moeilijk anders dan instemmen met de vaststelling van de bloemlezers dat T’Hooft, Claus natuurlijk, maar ook De Coninck, Willy Roggeman en één van de samenstellers, Dirk van Bastelaere zelf, in de na-oorlogse Vlaamse literatuur dergelijke ‘paradigma-dichters’ zijn geweest. Ze krijgen de meeste gedichten toegewezen. En de meeste sterren — want (en dat lijkt me in dit gezelschap van voormalige, hyperkritische Nieuwzuid-ers weinig anders dan ironisch te zijn) de bloemlezing werkt met een sterrensysteem dat doet denken aan de boekenbijlagen. Naast deze ‘paradigma-dichters’ zijn er nog de viersterrendichters (typische oeuvredichters als Insingel, Hensen, Hertmans, Spinoy), de driesterrendichters (die in belangrijke mate bijdragen aan de articulatie van een paradigma, bijvoorbeeld Adams, Bartosik, Vanden Brande, Cami), tweesterrendichters (zowel beloftevolle als Buelens, Lauwereyns, Bogaert of Meuleman, als ‘epigonen’ en ‘einzelgängers’, zoals De Boose, Van Istendael, De Crits, Mysjkin), en ten slotte de eensterrendichters, ‘die voor de levensnoodzakelijke diver-sificatie van het poëzielandschap zorgen’ (veruit de grootste groep in deze bloem-lezing).

De samenstellers hebben er in hun inleiding veel werk van gemaakt om hun indeling als daadwerkelijk niet meer dan een constructie voor te stellen, een uitermate hybride, en ook, zeggen ze zelf, wankel, en dus altijd bediscussieerbaar bouwwerk. Hun sterrensysteem zegt op zich ook niet zo veel over de waardering die zij voor bepaalde dichters hebben, over de kwaliteit die zij er zelf aan toe zouden kennen (het is uit de inleiding evident dat zij het werk van Hertmans (4 sterren) interessanter, complexer en rijker vinden dan dat van paradigmadichters als T’Hooft of De Coninck (5 sterren)). Maar ondanks al dat voorbehoud ontstaat er door de gehanteerde terminologie toch een bepaalde hiërarchie.

Nu is dat natuurlijk onvermijdelijk, en het valt alleen maar te prijzen dat deze bloemlezers de moeite hebben genomen om hun keuzes te motiveren. Wie even terugdenkt aan de door Hugo Brems, Rob Schouten en Rogi Wieg in 1999 samengestelde bloemlezing De selectie van de eeuw, of wie zich de tot poëziebijbel gepromoveerde bloemlezing van Komrij (oorspronkelijk uit 1979) te binnen brengt, weet dat het ook heel anders kan: bloemlezers die zich verschuilen achter wat ‘enkel hun persoonlijke smaak’ heet te zijn, die zich voor die smaak niet verantwoorden en zo steels een poëtica en een hiërarchie poneren waarvoor ze niet aansprakelijk wensen te zijn. Maar het viel natuurlijk te verwachten dat met name de keus van de paradigmadichters voor veel beroering zou zorgen, en vooral: de keuze van Peeters Jans en Van Bastelaere voor… Van Bastelaere als één van die paradigmadichters.

Het is onmiskenbaar dat eind jaren tachtig in Vlaanderen mede dankzij Van Bastelaere een discussie op gang kwam die meer was dan enkel gekibbel over details of ego’s. Maar je kunt je blijven afvragen (zoals je dat ook bij de Nederlandse Vijfti-gers kunt doen) of die door de poëzie zelf werd gegenereerd of toch vooral door de artikelen, geruchtmakende interviews, bloemlezingen en andere versexterne activi-teiten van — niet alleen Van Bastelaere, maar zeker ook Spinoy, Hans Vandevoorde en anderen rond het tijdschrift yang in die jaren (men denke aan het ‘Zeven poëtica’s’-nummer uit 1989). Voor mij is de dichter Van Bastelaere bijvoorbeeld nooit geheel samengevallen met de intenties van de polemist, de essayist en bloemlezer Van Bastelaere — maar dat heeft opnieuw te maken met het feit dat voor mij ‘paradigmawisseling’ een inmiddels overleefd principe voor literatuurgeschied-schrijving is.

Dat wil niet zeggen dat de samenstellers met dit principe — hoezeer ook opgeklopt (men haalt er godbetert zelfs, en geheel ten onrechte, het ‘evenement’ van de Franse filosoof Badiou bij) — niet het nodige binnenhalen. De regionalisering van de poëzie die er het gevolg van is, geeft een aantal dichters dat allang in de vette klei van ‘le plat pays’ verdwenen was opnieuw een gezicht — daarmee paradoxaal genoeg aantonend dat het niet enkel de dichters zijn die buiten hun eigen poëzie om het hardste roepen die alleen de moeite waard zijn. Met name de poëzie van Jan de Roek (1941-1971) was voor mij een verrassing, al vond ik het dan weer wat vreemd dat zijn werk (dat vooral in de jaren zestig geschreven werd) in deze bloemlezing bij de jaren tachtig werd opgenomen (toen zijn verzameld werk verscheen): had het toen de impact die het in de jaren zestig niet had? Twijfelachtig.

Ook het feit dat het hier een chronologische bloemlezing betreft, is een groot pluspunt. Ook dat zou je weer als een relativering van het paradigmadenken kunnen zien. Literatuurgeschiedenissen die daar op gebaseerd zijn, maken vaak het werk dat niet tot de nieuwste beweging of mode gerekend wordt, onzichtbaar (ter vergelijking in Nederland: Lucebert maakte van Michel Van der Plas een schim). In deze bloem-lezing loopt de door een nieuwe generatie verworpen traditie gewoon door; men ziet het als ‘oud’ en ‘voorbij’ beschouwde werk soms uitermate vitaal oplichten naast wat als ‘nieuw’ wordt beschouwd. Een zeldzaam pluspunt. Ik ken geen bloemlezing die zo helder de werking van de poëzie in kaart weet te brengen — al kan men hier nog wat op afdingen door te zeggen dat het als ‘oud’ en ‘voorbijgestreefde’ werk met te weinig gedichten vertegenwoordigd is om werkelijk tegenwicht te bieden.

Hoe dat ook zij: commotie rond deze bloemlezing lijkt me terecht, maar dan niet op grond van de verongelijktheid of frustraties van de besprekers die tot nu toe het woord namen, maar op grond van het gebruikte criterium van de met de eisen van de moderniteit verbonden normverandering. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat deze bloemlezing in zijn poging nog maar eens aan te knopen bij die eisen juist laat zien hoezeer die moderniteit vandaag de dag voorbijgestreefd is: dat het in poëzie en literatuur voortaan minder gaat (of zou moeten gaan) om een afrekening met de vorigen, om ‘destructiepoëtica’s’ (om het zo maar te zeggen), dan om wat ze construeert. Niettegenstaande de intenties van de samenstellers lijkt Hotel New Flandres voldoende in zich te dragen om daartoe al een aanzet te zijn.

01:29 Gepost door Marc Reugebrink in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |