15-04-08

Arnon Grunberg (3)

OPERATIE BRANDO
Arnon Grunberg, Figuranten. 300 blz. Nijgh & Van Ditmar. Amsterdam 1997
in: DGA, 7-5-1997

Cover FigurantenArnon Grunberg is sinds de verschijning van zijn roman Blauwe maandagen voor mij één van de voorbeelden geworden van de afstand die er kan bestaan tussen de schrijver als mediaverschijnsel en de schrijver als... ja, als schrijver van literair werk. Wie de diverse min of meer culturele programma’s op tv heeft gevolgd de laatste weken, moet wel de indruk hebben gekregen dat de Grote Meester van de Hollandse Literatuur even vanuit zijn huidige verblijfplaats New York over was gekomen om de verschijning van zijn nieuwste, en nog voordat iemand hem ook maar had kunnen lezen al tot onverbiddelijk meesterwerk gebombardeerde roman Figuranten, met zijn aanwezigheid wat op te luisteren. Gemeten naar de hoeveelheid zendtijd en paginaruimte die voor zijn persoon werd vrijgemaakt, kon men bijna niet anders dan veronderstellen dat hier nu dan toch eindelijk die reus was opgestaan die zonder de geringste moeite in zijn eentje alledrie van de al veel te lang op hun troon gezeten en ook veel te lang op hun troon overeind gehouden Grote Drie zou komen vervangen.

Hoewel: reus... Als iets de aandacht voor de persoon Grunberg inhoudelijk kenmerkt dan is het wel zijn blijkbaar erg meelijwekkende, bleke en broze gestalte. Een groot deel van zijn media-succes dankt hij immers aan het predikaat ‘zielig meelijwekkend geval’, een predikaat dat hij, als ik me niet vergis, tijdens een tv-uitzending van Sonja Barend naar aanleiding van Blauwe maandagen door deze bij tijd en wijle min of meer in cultuur en literatuur geïnteresseerde mevrouw opgeplakt kreeg en dat hem blijkbaar zo goed paste dat zij de jonge auteur prompt het liefst droog leek te willen wrijven met warme zachte doeken. Het is het predikaat waar weer een andere min of meer culturele mama ongegeneerd op doorborduurde door de auteur recentelijk, nog juist voor het verschijnen van zijn roman on camera en in New York zelf dood te willen knuffelen.

Ik zou om al deze potsierlijkheid heel graag naar hartelust willen lachen, maar ik moet toegeven dat het media-circus rondom literatuur mij toch telkens vooral irriteert. Niet omdat alle succesauteurs in mijn ogen al op voorhand ten onrechte zo veel aandacht zouden krijgen (iets wat je nogal eens te horen krijgt wanneer je je irritatie kenbaar maakt), maar vooral omdat het succes van zelfs die auteurs vrijwel nooit het succes van hun literatuur betreft. Bij alle aandacht in de media valt telkens weer op dat men niet geïnteresseerd is in de literatuur, dat is: in de specifiek literaire vorm waarin een auteur een zeker verhaal heeft gegoten, maar in het ‘echte’ drama dat daarachter schuil zou kunnen gaan: in de ‘werkelijke’ mens achter het boek, in de ‘gevoelens’ die hij heeft en die hij nu dan maar eens op een liefst wat gezellige toon voor de camera nog eens moet verwoorden. Wat er op zo’n moment gebeurt, lijkt een beetje op zo’n opdracht in van die schoolboekjes die je het lezen van literatuur vroeger al grondig afleerden: ‘Zeg in je eigen woorden wat de schrijver bedoelt’. Alsof wat de schrijver bedoelt niet juist staat in precies de woorden die hij schreef.

Het ‘literaire’ in het boek is met andere woorden vaak het te verwaarlozen en vaak ook als bijster lastig beschouwde verpakkingsmateriaal waarmee zo snel mogelijk afgerekend dient te worden. Literatuur mag niet als literatuur aandacht krijgen; literatuur is hier altijd vermomde psychologie of filosofie, vermomd persoonlijk leed dat nu dan ook maar eens zonder omhaal op tafel moet en dat naarmate het zich beter als inderdaad persoonlijk, ‘echt’, ‘waar gebeurd’ laat ‘ontmaskeren’, hoger gewaardeerd wordt.

Grunberg is in de media tot het prototype van het slachtoffer omgevormd, zij het tot een slachtoffer van de bijzondere soort: eentje die succes heeft - zolang hij zich in de rol van slachtoffer laat drukken, tenminste. Of dat laatste lukt is sterk afhankelijk van wat de schrijver Grunberg doet: hoe, en zelfs óf hij zich als schrijver van literatuur ontwikkelt. Ik weet wel dat ik me met dit soort redeneringen onmiddellijk allerlei problemen op de hals haal, want alles staat of valt hier natuurlijk met de invulling van dat begrip ‘literatuur’. Maar laat ik het niet al te ingewikkeld maken en op dit punt meteen kleur bekennen: ik was één van de weinige recensenten die destijds Blauwe maandagen literair gezien niet werkelijk de moeite waard vond. Veel meer dan een nogal onevenwichtig, vaak tot gapens toe langdradig verhaal met een overmaat aan goedkoop cynisme en dito lolligheid kon ik er niet in ontdekken. Dit was de zoveelste roman waarin een ik-verteller op puberale wijze weer eens niet verder kwam dan de constatering dat alles in de wereld behoorlijk waardeloos was.

In Amerika is de vertaling van Blauwe maandagen wel vergeleken met J.D. Salingers The Catcher in the Rye (waarmee ook anders, zo ben je geneigd te denken). Maar als ik beide boeken werkelijk met elkaar vergelijk denk ik bij het puberale geneuzel van Arnon in Blauwe maandagen telkens: val me niet lastig zeg, terwijl ik bij Salingers romanfiguur Holden Caulfield van het begin tot het eind veel meer het gevoel heb dat het me aangaat (ook al is het inmiddels toch wel heel erg een boek uit de jaren vijftig). Niet zozeer omdat Caulfield qua gedachten en gevoelens nou zo’n totaal andere adolescent is dan Grunbergs Arnon, maar Salinger maakt mij in zijn boek ten minste tot medespeler waar Grunberg mij steeds tot passiviteit veroordeelt. Salinger biedt mij tot op zekere hoogte door de manier waarop hij zijn verhaal vertelt de mogelijkheid om Caulfield te worden, om iets van zijn gedeprimeerdheid als mijn gedeprimeerdheid te ervaren. In Grunbergs roman lees je alleen maar wat een ander ervaart en het is nooit zo opgeschreven dat die ervaring deel van mij wordt: dat het cynisme van de hoofdpersoon mijn cynisme wordt - laat staan dat ik als een klokkende inlevingskloek de neiging heb dat cynisme uit te leggen als ‘eigenlijk’ de wat ruwe bolster van een best wel heel erg gevoelig jongetje dat het in deze tijd nou eenmaal hartstikke moeilijk heeft, want ook nog kind is van joodse ouders die in de kampen hebben gezeten, nou en dan weet u het wel, niet waar? Zoiets genereert bij sommigen een stroom van buitengewoon echte moederlijke gevoelens.

Je moet bij dit alles uitkijken dat je de reactie in de media niet verwart met de bedoelingen van de auteur. Hoogstens kun je, achteraf, zeggen dat het soort sterk autobiografisch lijkende literatuur (Palmen, Van Dis, Van der Heijden) - ondersteund met een opmerking of twee, drie van de auteur zelf dat hij veel ‘autobiografisch materiaal’ in zijn boeken gebruikt - meer kans heeft om door die media opgepikt te worden, en er zich ook beter voor leent. Maar om dat nou de auteur te verwijten... Toch moet ik bekennen dat ik door de hele heisa er om heen, met bepaald frisse tegenzin aan Figuranten begon, ja bijna met het voornemen dit al voor zijn verschijnen zo bejubelde boek beslist níet goed te vinden, bíjna.

Dat is natuurlijk een onheuse benadering, ik geef het toe, en ik kan het ook makkelijk toegeven omdat ik na lezing van Figuranten van mening ben dat Grunberg met dit boek literair gesproken een grote stap voorwaarts heeft gezet. Nog steeds heeft hij de neiging om zaken wat al te veel uit te spinnen, wat al snel contraproductief werkt: men gaat zich vervelen, men weet het nu wel. Het geproclameerde meesterwerk is het (misschien moet je zeggen: gelukkig) niet. Maar in tegenstelling tot Blauwe maandagen is het Grunberg hier wat mij betreft wél gelukt om daadwerkelijk voelbaar te ma-ken wat hij misschien, denk ik nu, in zijn vorige roman ook al wel wilde bereiken maar daar niet voor elkaar kreeg.

In Figuranten is het gemakkelijke cynisme uit Blauwe maandagen verdwenen: hier geen personage dat zich, overbewust van wat anderen van hem zullen vinden, vol hoon tegen juist die anderen richt, die bijvoorbeeld de vernielde levens van zijn joodse ouders als legitimatie gebruikt voor zijn eigen onverschilligheid en vervolgens een ieder die zijn onverschilligheid invoelend tracht te herleiden tot bijvoorbeeld die joodse achtergrond, genadeloos bespot en dat humor noemt. Arnon uit Blauwe maandagen gedroeg zich als een lepe moordenaar die zich tijdens zijn proces zelf beroept op zijn moeilijke jeugd.

In Figuranten lijkt de hoofdpersoon, met de misschien wat al te opzichtige naam Ewald Stanislas Krieg, heel wat minder greep op zichzelf te hebben. Hij is iemand die duidelijk niet beschikt over de eigenschappen die maken dat je je met een zeker gemak in de wereld beweegt. Hij is niet ‘mondain’, zoals hij het zelf wel noemt. Dat hij dit weet, is niet het gevolg van een abstract inzicht in zijn eigen situatie, maar juist van een voortdurend ervaren onvermogen zijn situatie, en vooral de wereld waarin hij leeft te doorzien. Wat in die wereld belangrijk wordt gevonden, weet hij niet - of liever: hij begrijpt dat in de wereld allerlei zaken van het grootste belang worden gevonden, maar hij begrijpt niet waarom en ook niet precies welke zaken dat dan zijn. Regelmatig vraagt hij zich af wat hij geacht wordt te voelen, en zelfs staat ergens te lezen dat hij aan zijn vriend, met de ook wat opzichtige naam Broccoli, zou willen vragen waarom hij nu precies een gemeenschappelijke vriendin gelukkig zou moeten maken en vooral hoe hij dat dan zou moeten doen. Dat hij op deze Elvira, zoals ze heet, verliefd is, dat hij het liefst altijd bij haar zou willen zijn, lijkt niet werkelijk tot hem door te dringen of durft hij niet tot zich door te laten dringen (hij stikt van de angsten voor zo ongeveer alles). Als hij één keer met haar naar bed is geweest, merkt hij alleen maar op dat hij haar steeds zou willen vragen waarom het maar één keer gebeurde en waarom niet zestig keer of nog vaker. Of juist helemaal niet.

Maar die vraag stelt hij niet, zoals hij ook zijn vriend Broccoli de eerste vraag niet stelt. Het zou ook weinig zin hebben gehad want Broccoli en Elvira zouden het antwoord evenmin hebben geweten. Ze leven gedrieën in hetzelfde vacuüm, temidden van ouders en andere volwassenen die al even stuurloos ronddobberen. Dat vacuüm vullen ze op met dromen die hun de doorbraak naar het ‘echte’ leven moeten opleveren, en dat betekent in dit geval: die hen zal verlossen van hun status van figurant. Die droom heet hier Operatie-Brando, een project dat bestaat uit de poging net als Marlon Brando te worden (voor de goede orde: de dolende, je zou kunnen zeggen: vacuüm gezogen Brando uit Last Tango in Paris). ‘Het is een wereldwijde geheime organisatie’, oreert Broccoli, degene met de meeste idiote plannen, ‘Overal ter wereld zijn mensen bezig voorbereidingen te treffen om Marlon Brando te worden, of ze zijn het al, maar ze houden het nog geheim tot het moment daar is’.

Operatie-Brando is een uitvloeisel van de pogingen die de drie ondernemen om beroemde acteurs te worden, iets wat op alle fronten voortdurend mislukt. Je kunt ook zeggen: Operatie-Brando is een poging om zodanig samen te kunnen vallen met de rol die je in het dagelijkse leven geacht wordt te spelen, dat het je mogelijk is om, letterlijk, te acteren, te handelen. Aan het begin van het boek, een proloog die speelt na de hele geschiedenis die we dan nog te horen krijgen, lees je al dat dit Krieg min of meer gelukt is. Min of meer: hij heeft visitekaartjes laten drukken waar op te lezen staat: ‘Ik ben de geldwolf. Ik ben leeg vanbinnen’. En dat betekent dat hij voor zichzelf een rol heeft gekozen die niet zozeer het vacuüm in en om hem heen vult, maar uitdrukt.

Wie wil kan hier vast nog wel verder gaan en er een commentaar op onze liberalistisch-kapitalistische maatschappij in lezen, waarin metafysica en ideologie, tradities en andere richtlijnen voor het leven, door de moraal van de markt zijn vervangen. Maar ik geloof niet dat het Grunbergs eerste zorg is geweest die boodschap over te brengen. Het gaat om de ontreddering waaraan zijn personages ten prooi zijn, een ontreddering die hij in zijn boek voelbaar weet te maken door haar niet expliciet als ontreddering te identificeren, maar door haar ontreddering te laten zijn. Er wordt niet uitgelegd dat de drie vrien-den er wanhopig aan toe zijn, maar de wanhoop wordt voelbaar gemaakt.

Niet in de laatste plaats door humor. Of nee: dat zeg ik verkeerd, want de humor wordt alleen ontdekt door de lezer, niet zozeer door de personages zelf. De humor waar het hier om gaat, is dan ook van de tragische soort: clownesk, af en toe slapstickachtig, maar altijd verbonden met het diepe onbegrip voor wat anderen in de wereld het meest vanzelfsprekend vinden. Een clown vindt zichzelf niet leuk. Hij begrijpt de wereld gewoon niet.

Het is één van de middelen die Grunberg heeft gebruikt om je als lezer tot deelnemer te maken. Hij heeft, althans grotendeels, afgezien van het psychologiseren en filosoferen, van het verklaren, al laat hij zich er af en toe nog steeds wel toe verleiden. Hij heeft gepoogd in deze roman te laten zíen, te tónen, en de conclusies aan de lezer te laten. Hij heeft, om het wat dramatisch te zeggen, met Figuranten dus voor literatuur gekozen. Dat de roman hier en daar wat te uitgesponnen is, dat hij niet overal het gevaar heeft weten te bezweren dat clowneske humor met zich meebrengt wanneer het te lang wordt doorgevoerd en er derhalve wat al te melige pagina’s in het boek staan, is daarbij van minder belang. Figuranten is gewoon een aardig boek. Niet meer. Ook niet minder.

Dat het in medialand gevierd wordt als meesterwerk, als de nieuwste literaire topprestatie van deze nog steeds jonge auteur - het is voor die auteur zelf misschien aangenaam of minder aangenaam. Hij heeft er weinig over te zeggen, weinig mee te maken ook. Misschien dat zijn boeken voor hem een soort Operatie Brando zijn: een manier om te handelen in een bizarre wereld waar dames op leeftijd hem voor de camera zo graag verstikken met hun door hem volstrekt niet begrepen compassie en zorgzaamheid.

En misschien is zelfs dat niet het geval, noch doet het er iets toe. Wat er toe doet is dat Grunberg met Figuranten mij als lezer meestal tot medeplichtige van zijn personages wist te maken, en zo iets voelbaar wist te maken dat misschien met hemzelf, in ieder geval met zijn personages, maar zeker ook met mij van doen had.


OPERATIE BRANDO OF HET ONVERMOGEN TE ACTEREN
Arnon Grunberg, Figuranten. 300 blz. Nijgh & Van Ditmar. Amsterdam 1997.
in: NvhN, 25-4-1997

Arnon Grunberg is sinds de verschijning van zijn roman Blauwe maandagen voor mij het schoolvoorbeeld geworden van de afstand die er vaak bestaat tussen de schrijver als media-fenomeen en de schrijver als... schrijver. Wie de diverse min of meer culturele programma’s op tv heeft gevolgd de laatste weken, moet wel de indruk hebben gekregen dat de Grote Hollandse Meester van het Literaire Woord even vanuit New York was overgekomen (‘neergedaald’ is misschien beter) om de verschijning van zijn nieuwste en nog voordat iemand het ook maar had gelezen als Meesterwerk betitelde roman met Zijn aanwezigheid wat op te luisteren. Zoiets is zowel leuk als irritant en ook een beetje sneu.

Leuk is het voor Grunberg zelf, vermoed ik, want je schrijft om gelezen te worden en als je nieuwe boek al op voorhand tot een succes wordt verklaard, kan er weinig meer mis gaan lijkt me. Irritant is het natuurlijk voor mensen als ik die jaarlijks heel veel, ja vaak betere boeken lezen die beslist ten onrechte niet de aandacht krijgen die ze verdienen en (het publiek heeft hier geen idee van) soms niet eens meer de boekhandel halen. En een beetje sneu is het voor de literatuur zelf, want al die overdreven aandacht wekt de indruk dat Grunberg behalve een min of meer bekende Nederlander (min of meer, hij is per slot van rekening schrijver, geen popster) vooral ook een superschrijver is van haast bovenmenselijk formaat: media-aandacht en literaire kwaliteit worden zo gelijk geschakeld.

Om met dat laatste te beginnen: in Grunbergs geval was die gelijkschakeling tot nu toe niet terecht. Zijn roman Blauwe maandagen gaf althans geen enkele aanleiding om in hem behalve een door jiddische mama’s als Barend en Groenteman doodgeknuffeld fenomeen ook nog een buitengewoon groot schrijver te zien. Daarvoor was het een veel te onevenwichtig, vaak tot gapens toe langdradig verhaal met een overmaat aan goedkoop cynisme en dito lolligheid, waarin een ik-verteller op puberale wijze weer eens niet veel verder kwam dan de constatering dat alles in de wereld behoorlijk waardeloos was. In Amerika is het boek om die reden vermoed ik wel vergeleken met Salingers The Catcher in the Rye - en ik zou iedereen willen aanraden dat vooral óók eens te doen...

Deze onterechte overkill in aandacht op grond van een maar middelmatig boek maakte, zo moet ik bekennen, dat ik met frisse tegenzin begon aan Grunbergs nieuwe verklaarde meesterwerk, Figuranten geheten. Dat is natuurlijk een onheuse benadering, ik geef het toe, maar ik kan het gemakkelijk toegeven omdat ik van mening ben dat Grunberg met Figuranten een grote stap voorwaarts heeft gezet. Nog steeds heeft hij de neiging om zaken wat al te veel uit te spinnen, wat al snel contraproductief werkt: men gaat zich vervelen, men weet het nu wel. Maar in tegenstelling tot Blauwe maandagen is het Grunberg hier wat mij betreft wél gelukt om daadwerkelijk voelbaar te maken wat hij misschien, denk ik nu, in zijn vorige roman wilde bereiken maar niet voor elkaar kreeg.

De hoofdfiguur, Ewald Stanislas Krieg, beschikt niet over de eigenschappen die maken dat hij zich gemakkelijk in de wereld beweegt, ‘mondain’ is, zoals hij het zelf wel noemt. Wat in die wereld belangrijk wordt gevonden weet hij niet - of liever: hij begrijpt het niet omdat hij het onmogelijk zo kan voelen. Regelmatig vraagt hij zich af wat hij nu geacht wordt te voelen, en zelfs staat ergens te lezen dat hij aan zijn vriend, Broccoli, zou willen vragen waarom hij een gemeenschappelijke vriendin gelukkig zou moeten maken en vooral hoe. Dat hij verliefd is op Elvira, zoals ze heet, dat hij het liefst altijd bij haar zou willen zijn, lijkt niet tot hem door te dringen of durft hij niet tot zich door te laten dringen (hij stikt van de angsten voor zo ongeveer alles). Als hij één keer met haar naar bed is geweest, merkt hij alleen maar op dat hij haar steeds zou willen vragen waarom het maar één keer gebeurde, waarom niet zestig keer of nog vaker of juist helemaal niet.

Maar die vraag stelt hij niet, zoals hij ook zijn vriend Broccoli de eerste vraag niet stelt. Het zou ook weinig zin hebben gehad want Broccoli en Elvira zouden het antwoord evenmin hebben geweten. Ze leven gedrieën in hetzelfde vacuüm, temidden van ouders en andere volwassenen die al even stuurloos ronddobberen. Dat vacuüm vullen ze op met dromen die hun de doorbraak naar het ‘echte’ leven moeten opleveren, en dat betekent in dit geval: die hen zal verlossen van hun status van figurant. Die droom heet hier Operatie-Brando, een project dat bestaat uit de poging net als Marlon Brando te worden (voor de goede orde: de dolende, je zou kunnen zeggen: vacuüm-gezogen Brando uit Last Tango in Paris). ‘Het is een wereldwijde geheime organisatie’, oreert Broccoli, degene met de meeste idiote plannen, ‘Overal ter wereld zijn mensen bezig voorbereidingen te treffen om Marlon Brando te worden, of ze zijn het al, maar ze houden het nog geheim tot het moment daar is’.

Operatie-Brando is een uitvloeisel van de pogingen die de drie ondernemen om beroemde acteurs te worden, iets wat op alle fronten voortdurend mislukt. Je kunt ook zeggen: Operatie-Brando is een poging om te kunnen acteren - om zodanig samen te kunnen vallen met de rol die je in het dagelijkse leven geacht wordt te spelen, dat het je mogelijk is om, letterlijk, te acteren, te handelen. Aan het begin van het boek, een proloog die speelt na de hele geschiedenis die we dan nog te horen krijgen, lees je al dat dit Krieg min of meer gelukt is. Min of meer: hij heeft visitekaartjes laten drukken waar op te lezen staat: ‘Ik ben de geldwolf. Ik ben leeg vanbinnen’. En dat betekent dat hij voor zichzelf een rol heeft gekozen die niet zozeer het vacuüm in en om hem heen vult, maar uitdrukt. (Wie wil kan hier nog verder gaan en er een commentaar op onze liberalistisch-kapitalistische maatschappij in lezen, waarin metafysica en ideologie door de moraal van de markt zijn vervangen).

Dat vacuüm in Krieg, in de overige personages, het onbegrip voor wat er in het leven van je wordt verwacht, geeft aan dit boek zijn humor. Het is dan ook humor van de tragische soort, humor die melig wordt wanneer ze te zeer wordt uitgesponnen. Als gezegd: dat is wat mij in deze roman als enige werkelijk heeft gestoord. Het had echt 100 pagina’s korter gekund. Sommige van de absurde voorvallen hadden gemakkelijk gemist kunnen worden. Dat was het boek ten goede gekomen denk ik, had het nog pregnanter gemaakt dan het met dat te veel desalniettemin toch is. De afstand tussen mediafenomeen en schrijver wordt er weliswaar niet kleiner door, maar Grunberg maakt duidelijk dat hij op zijn minst dan toch beide is.




OCH OCH, TUT TUT, NOU NOU
Arnon Grunberg, Blauwe maandagen. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1994
in: NvhN, 20-5-1994.

cover_blauwe_maandagenNog niet zo heel lang geleden kon men in De Groene Amsterdammer een aantal artikelen lezen over de zogenaamde 'Generatie Nix', waartoe schrijvers behoren als Hermine Landvreugd, Rob van Erkelens, Ronald Giphart, Joris Moens en Don Duijns. Het zijn schrijvers die allemaal na 1960 geboren zijn en die zich te pletter vervelen. Daarom zoeken zij het maar in overdadig drankgebruik, perverse seksualiteit, niets ontziende agressie en sociale desinteresse — de centrale thema's in hun romans, aldus De Groene.

Voor de goede orde: ik ben zelf in 1960 geboren en je zou dus verwachten dat ik in de romans van deze nikserige generatie veel zou herkennen, zoals hele volksstammen destijds in Gerard Reve's De avonden de door hen verafschuwde benauwenis van de naoorlogse jaren terugvonden. En zeker, ik herken ook wel het één en ander. Ik herken de adolescentenmachteloosheid van een generatie die geboren werd toen alle overgeleverde waarheden allang waren ontmaskerd (door de generatie van Reve) en die opgroeide in een tijd dat zelfs het protest en de idealen van de jaren zestig allang onschadelijk waren gemaakt. Ik herken de frustratie van een generatie die, nog voordat zij haar idealen had geformuleerd, al wist dat alle idealen schipbreuk lijden. Ik herken het, maar ik kan en wil me daar niet bij neerleggen. Liever een ezel die zich duizendmaal stoot aan dezelfde steen, dan de lamzak die het nog te veel is om zelfs maar een vinger op te tillen.

Dat laatste maakt dat ik de debuutroman van de nu 22-jarige Arnon Grunberg, Blauwe maandagen, een nogal lamzakkig schrijfsel vind. In dit als autobiografische roman aangekondigde boek maken we kennis met een jongetje dat er al op voorhand van uitgaat dat het allemaal niks meer zal worden, die er een zeker genoegen in schept te vertellen dat hij van het Vossius-gymnasium in Amsterdam werd geschopt en dat tussen de regels doorsteeds maar weer anderen verantwoordelijk stelt voor zijn onvermogen om in contact te treden met de mensen om hem heen.

Niet dat hij door dit onvermogen wordt gekweld. De lezer die tijdens deze roman het gevoel krijgt dat Grunberg in feite een tragische figuur is, niet in staat tot echte liefde en echte gevoelens, kan zichzelf op de borst slaan: hij beschikt namelijk nog over gevoelens die Grunberg zelf allang volkomen cynisch terzijde heeft geschoven. Maar zo'n lezer moet ook beseffen dat hij in feite uit hetzelfde hout gesneden is als de schoolpsychologen die die moeilijke Arnon in zijn onmogelijke gedrag veel te lang blijven proberen te begrijpen. Arnon wil echter helemaal niet begrepen worden. De psychologen en leraren met hun halfzachte geleuter kunnen hem gestolen worden.

Je zou zijn gedrag dan ook kunnen interpreteren als een aanklacht tegen de opvoedingsidealen van de jaren zestig, waarin uitgegaan wordt van de eigen persoonlijkheid van het kind zonder het van bovenaf op te leggen wat goed en wat fout is — een onderscheid dat het toch pas mogelijk maakt een eigen persoonlijkheid te ontwikkelen. Je kunt je afvragen of Arnon niet het type is dat diep in zijn hart eigenlijk voor zijn gedrag gestraft zou willen worden op een meer ouderwetse manier: met een Spaans rietje bijvoorbeeld. Zijn cynisme lijkt mij het gevolg van het feit dat hem nooit waarden en normen werden opgelegd. Die doen er blijkbaar niet toe, zo luidt zijn conclusie. Bij hem leidt het tot zelfdestructief gedrag. Maar je moet er niet aan denken tot welke groep hij zou behoren wanneer hij zijn cynisme niet op zichzelf richtte, maar op anderen.

Naast de halfzachtheid van het schoolwezen heeft Grunberg nog een ander excuus voor zijn levenshouding: zijn joodse ouders. Die hebben weliswaar de oorlog overleefd, maar het zijn emotionele wrakken geworden. Aan de holocaust heeft Grunberg geen boodschap en al evenmin aan het feit dat die verschrikking vanwege zijn joods-zijn deel uitmaakt van zijn eigen geschiedenis. De omzichtigheid waarmee de schoolleiding hem benadert wanneer Claude Lanzmanns 'Shoah' vertoond zal worden, wordt door hem bespot. En opnieuw wordt hier een poging gedaan de lezer te kijk gezet: onze eigen voorkomendheid tegenover joden wordt door Grunberg als hysterisch terzijde geschoven.

Maar intussen wordt een en ander door Grunberg wel impliciet aangedragen als verklaring voor zijn volstrekte onverschilligheid. Hij heeft de goedbedoelde idealen van anderen nodig, de zin die anderen nog aan het leven wensen te geven, om die onverschilligheid te kunnen presenteren als reactie, al datgene wat hem althans nog enig reliëf geeft, als hetgeen ook dat deze roman motiveert. Want was Grunberg werkelijk wie hij voorgeeft te zijn, waarom dan een roman schrijven? De cynische toon, de waarschijnlijk als humoristisch bedoelde passages waarin hij zonder enige compassie zijn ouders neerzet, of de meisjes van de escortservice die hij afwerkt (een vervelende, ruim 120 pagina's durende episode) — het is allemaal bedoeld om een zeker schokeffect teweeg te brengen. Het is me wat, die jeugd van tegenwoordig, och och, tut tut, nou nou.

Zo wordt Blauwe maandagen de tigste roman in de Nederlandse naoorlogse literatuur waarin het leven nog eens als volstrekt waardeloos wordt afgeschilderd. Door de huidige generatie schrijvers zelfs nog voordat ze weten wat het is. Een soort literaire Z-side. Het zal duidelijk zijn dat ik met dergelijke romans niet veel op heb. Het is volstrekt conformistische literatuur: bevestiging van het cynische cultuurklimaat. Ik kan maar niet begrijpen waarom zoveel van mijn generatiegenoten niet de behoefte voelen om juist tegen dat cynisme in opstand te komen. Je hoeft heus geen idealist of moralist van de oude stempel te worden om daar vraagtekens bij te plaatsen, want dat is geloof ik de grootste angst: dat men ergens iets van vindt. Dus leggen we maar het hoofd in de schoot. Lekker cynisch doen, als Grunberg. Wie weet verkoopt het goed.

15:38 Gepost door Marc Reugebrink in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Durs Grünbein

VAN ANONIEM NAAR PSEUDONIEM
Durs Grünbein, Aan onze dierbare doden. 33 epitafen. Vert. Jan H. Mysjkin. 47 blz. Poëziecentrum. Gent 1999.
in: DGA, 11-8-1999

Gruenbein-LEen lieveling van de goden werd hij genoemd, van het kaliber van Hugo von Hofmannsthal, en sinds de jonge Enzensberger was er in de Duitse literatuur niet meer zo´n grote dichter opgestaan: Durs Grünbein, in 1962 geboren te Dresden, werd van meet af aan door de toen nog vooral West-Duitse kritiek met open armen ontvangen. Hij had nog maar vier dichtbundels gepubliceerd toen hij in 1995 de Büchner-Preis kreeg, de belangrijkste literaire prijs van Duitsland, een eer die op een dergelijke jonge leeftijd alleen Peter Handke en de al genoemde Enzensberger ten deel viel. De toekenning van die prijs leidde overigens ook tot de eerste kritische geluiden. Zoals dat gaat.

Wie de kritieken op Grünbeins werk doorneemt, ontdekt dat de waardering voor een niet onbelangrijk deel is terug te voeren op de politieke situatie in Duitsland aan het eind van de jaren tachtig, begin jaren negentig:de tijd van de uittocht van DDR-burgers naar Hongarije, van waaruit ze vrij naar het Westen konden reizen, van het ‘Wir sind das Volk’, en uiteindelijk van de Val van de Muur en de hereniging van Duitsland. Zo meende een criticus van de Frankfurter Algemeine dat Grünbein de eerste dichter was die de splitsing van de Duitse literatuur overwonnen had. Grünbein was met andere woorden een symbool voor een eindelijk overwonnen trauma. In een interview stelde Grünbein zelf later dat een dergelijke uitspraak in zijn ogen niets meer met kritiek te maken had, maar dat hier politiek werd bedreven. En toen een literair tijdschrift een paar jaar geleden een nummer aan literatuur uit de voormalige DDR wilde wijden, verzocht Grünbein nadrukkelijk om níet in dat kader opgenomen te worden. Niet híj wilde symbool zijn van deling of hereniging; hoogstens was de toenmalige deling voor hem een beeld of symbool dat het hem mogelijk maakte om zichzelf gestalte te geven.

‘In het Westen, zegt men, loopt voor de baas / De hond. / In het Oosten volgt hij hem - op afstand. / Wat mij betreft, ik was mijn eigen hond, / Even ver van oost en west, in de strook des doods. / Slechts hier lukte soms die sprong van mij / Diep uit de schemerzone tussen hond en wolf’, schreef hij in ‘Portret van de kunstenaar als jonge grenshond’ uit de in 1991 verschenen bundel Schädelbasislektion. En: ‘ik is geen ander / Dan die grenshond die zichzelf bewaakt’ (vertaling: Ton Naaijkens). De ‘Todesstreifen’ - het gebied bij de Muur waar het ‘Schießbefehl’ gold - wordt hier een metafoor voor de menselijke staat überhaupt. Die ligt tussen hond en wolf, tussen de pavloviaanse hond die kwijlt op bevel, gehoorzaam is aan wat hem aan zelfbeelden wordt opgedrongen (aan ideologieën, van oost én van west, dat maakt geen verschil), en de wolf die zich door niets menselijks in laat tomen en dus ook niets menselijks meer heeft. Banaal gezegd: het is de mens als lichaam én geest tegelijk, als bundel zenuwen, ‘rottende plek’ en als ‘hersenmachine’. Wie deze gedichten wil beschouwen als alleen maar een beschrijving van een typisch Oost-Duitse gesteldheid heeft er niet veel van begrepen.

Anderzijds moet men natuurlijk oppassen dat men niet in reactie op een al te politieke en ideologische lezing Grünbeins werk dan maar volledig a-politiek gaat noemen. Bovenstaande regels werken zo sterk omdat de dichter zich hier in die ‘Todesstreifen’ situeert, in dat niemandsland met zijn honden en grenswachten, waar in het verleden zoveel vluchtpogingen met de dood eindigden. In al zijn bundels - behalve de hier genoemde nog: Grauzone Morgens (1988), Den Teuren Toten en Falten und Fallen (beide uit 1994) en het dit jaar verschenen Nach den Satiren - en ook in zijn essays - Galilei vermißt Dantes Hölle und bleibt an den maßen hängen (1996) - is het steeds de alledaagse en maatschappelijke werkelijkheid die zijn uitgangspunt vormt. Wie daarin engagement ontdekt, heeft op zijn minst voor de helft gelijk.

Het laat zich ook ontdekken in de eerste volledige bundel van Grünbein die nu is vertaald: Aan onze dierbare doden. De bundel bevat 33 epitafen of grafschriften, een kunst die in onze samenleving volledig verdwenen is. Een grafsteen bevat tegenwoordig alleen een naam en data, en de omstandigheden waaronder iemand stierf worden alleen vermeld wanneer ze sensationeel genoeg zijn voor een krantenbericht in een boulevardblad, als koopwaar kortom. De bundel laat zich dus meteen begrijpen als een aanklacht tegen onze omgang met de dood en onze manier om niet meer te gedenken. De dood is bij ons getaboeïseerd.

En dat krijgt ook meteen weer een politiek tintje. In een nawoord speelt Grünbein een overbekend spelletje: de 33 teksten die we juist hebben gelezen - ‘zelden gedichten’, zo staat er terecht - zouden gevonden zijn in een zolderarchief te Dresden en bijeengebracht zijn door iemand die Pseudonymus 13 heet. Die zou zijn leven gewijd hebben aan het speuren naar ‘het in steen gebeitelde memento mori, de oneindig gevariëerde poëzie van de achtergeblevenen’ zoals die vroeger bestond, en hij ontdekte dat ‘alleen in de dictaturen van de nieuwe tijden (...) nog restanten van de antieke gedenkvormen’ te vinden waren: de wijze waarop bijvoorbeeld communistische leiders ten grave gedragen, bijgezet en herinnerd werden. Dat was alleen mogelijk ‘gezien de Aanspraak op Eeuwigheid der Revolutie’.

Het gedenken vraagt om een continuüm, een soort eeuwigheid, waarin een dode een blijvende waarde vertegenwoordigt, een plek in een met recht collectief onderbewuste, zo wordt hier dus gesteld, en juist die eeuwigheid ontbreekt in onze tijd. Het is ver van Grünbein om zich een dergelijke eeuwigheid onder het dictaat van revolutionaire of andere absolute waarheden te wensen, maar tegelijkertijd wil hij toch de anonimiteit van de huidige doden opheffen. En dat doet hij hier door van de sensatiebeluste krantenberichten heuse grafschriften te maken. Het is een poging om het idioom van de krant over te brengen naar dat van de marmeren spreuk, waarvan de oude Griek Simonides van Keos de stamvader is. Een poging dus ook om de werkelijkheid achter die berichten weer in beeld te brengen als een individuele waarheid die voor iedereen geldt, als hoogstpersoonlijke beleving. Wij zijn het die met de haardroger in bad zitten, die uit het venster van een flat springen omdat we onze echtgenoot van ontrouw verdenken, die weken dood voor de tv zitten zonder dat de buren het merken of die met 200 per uur uit de bocht vliegen en ledemaat voor ledemaat uit het wrak tevoorschijn komen ‘en aan het eind pas je hoofd met het verbouwereerde gezicht’. Degene die deze teksten volgens het nawoord samengebracht heeft, is niet voor niks geen anonymus (zoals de traditie van het zogenaamd ‘gevonden’ manuscript het wil), maar een pseudonymus; hij is niet niemand, maar iedereen.

De teksten in deze bundel zijn inderdaad ‘zelden gedichten’, en tijdens het lezen overvalt je af en toe het gevoel dat één en ander in de bedoeling blijft steken. Het is ook zeker niet Grünbeins sterkste bundel, maar toch: bij herhaalde lezing beklijven de teksten, worden ze ‘kartonnen naambordjes aan de voeten van sommige lijken in de morgue’ waarop te lezen staat wie zij zijn. Ze dragen onze naam. Hun namen zijn pseudoniemen van de onze. Iedere poging dat te ontkennen (zoals we doen) maakt ons belachelijk, terwijl de erkenning ervan ons niet verder helpt. Maar precies daar zijn we wat we zijn: iets tussen rottende plek en hersenmachine.

14:22 Gepost door Marc Reugebrink in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |