15-04-08

Durs Grünbein

VAN ANONIEM NAAR PSEUDONIEM
Durs Grünbein, Aan onze dierbare doden. 33 epitafen. Vert. Jan H. Mysjkin. 47 blz. Poëziecentrum. Gent 1999.
in: DGA, 11-8-1999

Gruenbein-LEen lieveling van de goden werd hij genoemd, van het kaliber van Hugo von Hofmannsthal, en sinds de jonge Enzensberger was er in de Duitse literatuur niet meer zo´n grote dichter opgestaan: Durs Grünbein, in 1962 geboren te Dresden, werd van meet af aan door de toen nog vooral West-Duitse kritiek met open armen ontvangen. Hij had nog maar vier dichtbundels gepubliceerd toen hij in 1995 de Büchner-Preis kreeg, de belangrijkste literaire prijs van Duitsland, een eer die op een dergelijke jonge leeftijd alleen Peter Handke en de al genoemde Enzensberger ten deel viel. De toekenning van die prijs leidde overigens ook tot de eerste kritische geluiden. Zoals dat gaat.

Wie de kritieken op Grünbeins werk doorneemt, ontdekt dat de waardering voor een niet onbelangrijk deel is terug te voeren op de politieke situatie in Duitsland aan het eind van de jaren tachtig, begin jaren negentig:de tijd van de uittocht van DDR-burgers naar Hongarije, van waaruit ze vrij naar het Westen konden reizen, van het ‘Wir sind das Volk’, en uiteindelijk van de Val van de Muur en de hereniging van Duitsland. Zo meende een criticus van de Frankfurter Algemeine dat Grünbein de eerste dichter was die de splitsing van de Duitse literatuur overwonnen had. Grünbein was met andere woorden een symbool voor een eindelijk overwonnen trauma. In een interview stelde Grünbein zelf later dat een dergelijke uitspraak in zijn ogen niets meer met kritiek te maken had, maar dat hier politiek werd bedreven. En toen een literair tijdschrift een paar jaar geleden een nummer aan literatuur uit de voormalige DDR wilde wijden, verzocht Grünbein nadrukkelijk om níet in dat kader opgenomen te worden. Niet híj wilde symbool zijn van deling of hereniging; hoogstens was de toenmalige deling voor hem een beeld of symbool dat het hem mogelijk maakte om zichzelf gestalte te geven.

‘In het Westen, zegt men, loopt voor de baas / De hond. / In het Oosten volgt hij hem - op afstand. / Wat mij betreft, ik was mijn eigen hond, / Even ver van oost en west, in de strook des doods. / Slechts hier lukte soms die sprong van mij / Diep uit de schemerzone tussen hond en wolf’, schreef hij in ‘Portret van de kunstenaar als jonge grenshond’ uit de in 1991 verschenen bundel Schädelbasislektion. En: ‘ik is geen ander / Dan die grenshond die zichzelf bewaakt’ (vertaling: Ton Naaijkens). De ‘Todesstreifen’ - het gebied bij de Muur waar het ‘Schießbefehl’ gold - wordt hier een metafoor voor de menselijke staat überhaupt. Die ligt tussen hond en wolf, tussen de pavloviaanse hond die kwijlt op bevel, gehoorzaam is aan wat hem aan zelfbeelden wordt opgedrongen (aan ideologieën, van oost én van west, dat maakt geen verschil), en de wolf die zich door niets menselijks in laat tomen en dus ook niets menselijks meer heeft. Banaal gezegd: het is de mens als lichaam én geest tegelijk, als bundel zenuwen, ‘rottende plek’ en als ‘hersenmachine’. Wie deze gedichten wil beschouwen als alleen maar een beschrijving van een typisch Oost-Duitse gesteldheid heeft er niet veel van begrepen.

Anderzijds moet men natuurlijk oppassen dat men niet in reactie op een al te politieke en ideologische lezing Grünbeins werk dan maar volledig a-politiek gaat noemen. Bovenstaande regels werken zo sterk omdat de dichter zich hier in die ‘Todesstreifen’ situeert, in dat niemandsland met zijn honden en grenswachten, waar in het verleden zoveel vluchtpogingen met de dood eindigden. In al zijn bundels - behalve de hier genoemde nog: Grauzone Morgens (1988), Den Teuren Toten en Falten und Fallen (beide uit 1994) en het dit jaar verschenen Nach den Satiren - en ook in zijn essays - Galilei vermißt Dantes Hölle und bleibt an den maßen hängen (1996) - is het steeds de alledaagse en maatschappelijke werkelijkheid die zijn uitgangspunt vormt. Wie daarin engagement ontdekt, heeft op zijn minst voor de helft gelijk.

Het laat zich ook ontdekken in de eerste volledige bundel van Grünbein die nu is vertaald: Aan onze dierbare doden. De bundel bevat 33 epitafen of grafschriften, een kunst die in onze samenleving volledig verdwenen is. Een grafsteen bevat tegenwoordig alleen een naam en data, en de omstandigheden waaronder iemand stierf worden alleen vermeld wanneer ze sensationeel genoeg zijn voor een krantenbericht in een boulevardblad, als koopwaar kortom. De bundel laat zich dus meteen begrijpen als een aanklacht tegen onze omgang met de dood en onze manier om niet meer te gedenken. De dood is bij ons getaboeïseerd.

En dat krijgt ook meteen weer een politiek tintje. In een nawoord speelt Grünbein een overbekend spelletje: de 33 teksten die we juist hebben gelezen - ‘zelden gedichten’, zo staat er terecht - zouden gevonden zijn in een zolderarchief te Dresden en bijeengebracht zijn door iemand die Pseudonymus 13 heet. Die zou zijn leven gewijd hebben aan het speuren naar ‘het in steen gebeitelde memento mori, de oneindig gevariëerde poëzie van de achtergeblevenen’ zoals die vroeger bestond, en hij ontdekte dat ‘alleen in de dictaturen van de nieuwe tijden (...) nog restanten van de antieke gedenkvormen’ te vinden waren: de wijze waarop bijvoorbeeld communistische leiders ten grave gedragen, bijgezet en herinnerd werden. Dat was alleen mogelijk ‘gezien de Aanspraak op Eeuwigheid der Revolutie’.

Het gedenken vraagt om een continuüm, een soort eeuwigheid, waarin een dode een blijvende waarde vertegenwoordigt, een plek in een met recht collectief onderbewuste, zo wordt hier dus gesteld, en juist die eeuwigheid ontbreekt in onze tijd. Het is ver van Grünbein om zich een dergelijke eeuwigheid onder het dictaat van revolutionaire of andere absolute waarheden te wensen, maar tegelijkertijd wil hij toch de anonimiteit van de huidige doden opheffen. En dat doet hij hier door van de sensatiebeluste krantenberichten heuse grafschriften te maken. Het is een poging om het idioom van de krant over te brengen naar dat van de marmeren spreuk, waarvan de oude Griek Simonides van Keos de stamvader is. Een poging dus ook om de werkelijkheid achter die berichten weer in beeld te brengen als een individuele waarheid die voor iedereen geldt, als hoogstpersoonlijke beleving. Wij zijn het die met de haardroger in bad zitten, die uit het venster van een flat springen omdat we onze echtgenoot van ontrouw verdenken, die weken dood voor de tv zitten zonder dat de buren het merken of die met 200 per uur uit de bocht vliegen en ledemaat voor ledemaat uit het wrak tevoorschijn komen ‘en aan het eind pas je hoofd met het verbouwereerde gezicht’. Degene die deze teksten volgens het nawoord samengebracht heeft, is niet voor niks geen anonymus (zoals de traditie van het zogenaamd ‘gevonden’ manuscript het wil), maar een pseudonymus; hij is niet niemand, maar iedereen.

De teksten in deze bundel zijn inderdaad ‘zelden gedichten’, en tijdens het lezen overvalt je af en toe het gevoel dat één en ander in de bedoeling blijft steken. Het is ook zeker niet Grünbeins sterkste bundel, maar toch: bij herhaalde lezing beklijven de teksten, worden ze ‘kartonnen naambordjes aan de voeten van sommige lijken in de morgue’ waarop te lezen staat wie zij zijn. Ze dragen onze naam. Hun namen zijn pseudoniemen van de onze. Iedere poging dat te ontkennen (zoals we doen) maakt ons belachelijk, terwijl de erkenning ervan ons niet verder helpt. Maar precies daar zijn we wat we zijn: iets tussen rottende plek en hersenmachine.

14:22 Gepost door Marc Reugebrink in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.