18-02-08

Raster


RasterboekEEN (HEERLIJK) ASOCIAAL TIJDSCHRIFT
Piet Meeuse, K. Michel, Kees Nieuwenhuijzen, Willem van Toorn, Jacq Vogelaar en Marjoleine de Vos (samenst), Ga ik weet niet waar, haal ik weet niet wat. Een keuze uit honderd x Raster. De Bezige Bij. Amsterdam 2003.
In: Ons Erfdeel jrg. 2003, nr 4, pp. 602-605

Wat Ga ik weet niet waar, haal ik weet niet wat. Een keuze uit honderd x Raster natuurlijk vooral interessant maakt, is de verantwoording van de redactie. Die bestaat momenteel (nummer 101 is juist verschenen) uit Willem van Toorn (toegetreden in 1988), K. Michel (sinds 1994), Marjoleine de Vos (2000), Piet Meeuse (eveneens 2000) en de absolute diehards Jacques Vogelaar en vormgever Kees Nieuwenhuijzen die sinds de heroprichting van het blad in 1977 onophoudelijk deel hebben uitgemaakt van de redactie (het blad werd oorspronkelijk in 1967 opgericht en geleid door H.C. ten Berge, en verdween als zodanig in 1972 om plaats te maken voor een reeks Raster-boeken). Het is in zekere zin onvermijdelijk dat de huidige redactie de geschiedenis van het blad modelleert naar haar eigen beeld en gelijkenis, en dus is het niet zo heel erg verbazend om in de verantwoording te lezen dat Raster nooit de behoefte gehad zou hebben om 'in de Nederlandse literatuur als keurmeester of maatstaf dienst te doen; het was niet eens een trefpunt voor een stroming, school of richting, laat staan balie of loket.' Het lijkt er inderdaad op dat de huidige redactie de aloude slogan 'literatuur als avontuur' vooral uitlegt als een pleidooi voor de meer gesofisticeerde liefhebberij in de letteren, los van elke literair-politieke betekenis. 'Waar gaat het om? - dat is meestal belangrijker dan te weten waarover iets gaat of welke positie men inneemt op de literaire landkaart,' zo leest men in het nawoord. Dat is een opmerking die geheel past binnen het huidige, en naar men het graag doet uitschijnen, volledig ge-ontideologiseerde Nederlandse literaire klimaat, waarin tijdschriften die hun eigen bestaan nog zouden willen legitimeren met een beroep op hun poëticale positie inmiddels lichtelijk belachelijk worden gevonden. De meeste literaire tijdschriften zijn vandaag de dag dan ook volstrekt inwisselbaar geworden.

Het valt niet uit te sluiten dat voorgaande redacties hun werk ook in eerste instantie beschouwden als vooral het gehoor geven aan hun eigen interesses, maar dat zij zich niet bekommerd zouden hebben om wat die interesses binnen het toenmalige literaire klimaat betekenden, lijkt me toch sterk. In de recente literatuurgeschiedenis bestaat er toch zoiets als typisch 'Raster-proza' en typische 'Raster-poëzie'; er is althans een tijd geweest waarin deze termen veelvuldig werden gebruikt als het er om ging een auteur of dichter, overigens meestal in negatieve zin, te karakteriseren. Huidig en eeuwig redacteur Vogelaar zal zich bijvoorbeeld herinneren dat hij zelf lange tijd is geïdentificeerd als het boegbeeld van juist dat soort literatuur. Zijn Raadsels van het rund uit 1978 heeft jarenlang gegolden als hét voorbeeld van zogeheten 'ander proza' (Ander proza was de titel van de eveneens in 1978 door Sybren Polet samengestelde en ingeleide bloemlezing uit het Nederlandse 'experimenterende proza'). En 'ander proza', dat was 'Raster-proza', en Raster-proza was volgens de toenmalige literaire pers het toppunt van onleesbaarheid (zodat Vogelaar bij zijn destijds voor de AKO-prijs genomineerde en door de pers beter ontvangen De dood als meisje van acht in Vrij Nederland mocht lezen: 'Vogelaar kan tóch schrijven').

Dit was allemaal nog in de tijd dat het Nederlandse literaire klimaat ingedeeld kon worden (of althans vaak ingedeeld wérd) aan de hand van literaire tijdschriften die allemaal zo hun eigen plek hadden binnen een duidelijk literair-politiek kader. Raster werd daarbinnen als 'links', zelfs als 'extreem links' beschouwd: revolutionair, avant-gardistisch, experimenteel. De Revisor gold dan meer als een 'centrum-links' blad en werd in verband gebracht met het 'neo-symbolisme' van dichters als Tom van Deel, Jan Kuijper en C.O. Jellema; Maatstaf en Tirade waren literair-gesproken meer 'rechts'.

Uiteraard is zo'n indeling, zelfs historisch gesproken, een beetje al te schematiserend, maar het gaat me hier niet om de zin of onzin van die indelingen. Het gaat er om dat wie toentertijd als dichter in Raster publiceerde van zijn levensdagen niet meer bij Maatstaf of Tirade terecht kon - althans zo leek het toen. En men had tot minstens het midden van de jaren tachtig de indruk dat het omgekeerd ook zo werkte. Om het eens wat kruidiger te zeggen: ik maak me sterk dat de poëzie van huidig redactrice Marjoleine de Vos toentertijd door de redactie van Raster met een kort bedankbriefje zou zijn geretourneerd.

De indruk dat Raster zich - enkele nummers daargelaten (ik denk aan Raster 32, het 'poëzie en kritiek'-nummer uit 1984, waarin met name Hans Tentije's 'Met een bek vol blaf' veel kwaad bloed zette) - met haar eigen plaats in het Nederlandse literair-politieke spectrum niet zo bezig hield, kan desalniettemin gemakkelijk ontstaan. De verhouding van het tijdschrift tot de rest van de Nederlandse literatuur was er vooral één van afzijdigheid, juist omdat het tijdschrift in tegenstelling tot de rest van de Nederlandse literatuur niet uit de weg ging wat er internationaal gesproken in de belangstelling stond. Foucault en Barthes kwam althans ik voor het eerst juist in Raster tegen; Calvino, Leiris, Michaux, Beckett natuurlijk, Ponge, Pérec, Cortázar, Kiš, Blanchot, Herbert, Gaddis, Celati, Tranströmer, Gustafsson, Lindgren - het zijn maar enkele namen van inmiddels in het Nederlands vertaalde auteurs, vertalingen die er zonder Raster wellicht nooit gekomen zouden zijn.

Raster is ook het blad dat zich al vroeg gerealiseerd moet hebben dat het soort aandacht dat zij voor literatuur had, meer te maken had met postmodernisme dan met avant-garde in de klassieke zin van het woord - en dan niet de anything goes-'pomo'-life-style die er na de late ontdekking door de rest van de Nederlandse literatuur onmiddellijk van werd gemaakt, maar meer aansluitend bij wat er in Franse en Amerikaanse kringen over werd geschreven, met een continue aandacht voor de problematische relatie tussen literatuur (literaire werkelijkheid) en (maatschappelijke) werkelijkheid in de, ook toen al dwarse overtuiging dat het één per se met het ander te maken had. Ze deed dat echter in een context waarbinnen er maar één label beschikbaar was: dat van de vermaledijde, moeilijke, onleesbare 'avant-garde', een context derhalve waarbinnen de vraag of en hoe literatuur ingrijpt in wat we werkelijkheid noemen, als achterhaald werd beschouwd. Het 'Nederland is af'-gevoel uit het pre-Fortuyn-tijdperk maakte dat literatuur alleen nog maar een amuserende functie kon hebben, een van de rest van de samenleving afgescheiden domein was waar schrijvers en dichters, soms ter lering, meestal ter vermaak hun gang konden gaan.

Het lijkt er een beetje op dat Raster zelf in de jaren negentig meer en meer deze richting is ingeslagen. Een nummer over 'meneertjes' in de literatuur (nr. 79) bouwt voort op Monsieur Teste, Monsieur Plume of Meneer Cogito, maar poogt nauwelijks om nog eens de portée van deze creaties van Valéry, Michaux en Herbert over het voetlicht te brengen. Datzelfde geldt voor het 'Vergeetwoordenboek' (nr. 58), waarvan de inzet duidelijk genoeg is, maar de uitwerking toch vaak leidt tot het soort nostalgie dat Nicolaas Matsiers roman Gesloten huis kenmerkte (Matsier zat op dat moment dan ook in de redactie). Daar staat nog steeds, ook in de jaren negentig, genoeg tegenover, bijvoorbeeld de aandacht voor Oost-Europese literatuur zoals die achter het IJzeren Gordijn geschreven werd, voor kampliteratuur, voor auteurs als Kluge, Krleza en Sjalamov. Maar alweer: als het aan déze redactie ligt, wordt de betekenis van die nummers voor het specifiek Nederlandse literaire klimaat, steeds sterk afgezwakt.

'De Oost-Europese poëzie is een poëzie die bevochten is op de geschiedenis en de politieke omstandigheden, die de individuele stem wilden uitbannen. In deze poëzie is geen plaats voor vrijblijvendheid of overmatige introspectie. Ieder woord is een weerwoord, ieder gedicht een dialoog met een lezer over dezelfde vijand, gevoerd in de karige taal van hen die geleerd hebben op hun woorden te letten’, zo schreef J. Bernlef ooit in 'De Oost-Europese poëzie als sparring partner', een stuk dat hij schreef in het verlengde van Seamus Heaney's in 1988 verschenen The Government of the Tongue. De huidige redactie voegt daar aan toe: 'Natuurlijk heeft zo'n uitspraak polemische bedoelingen, maar niet voor niets is Bernlefs presentatie van Heaney een indirecte reactie op het eigen klimaat. Een polemiek waarin naam en toenaam de boventoon voeren, lijkt veelal om individuele of een groepsgewijs landjepik te gaan.' Daarmee wordt Berlef ge-depolitiseerd - misschien terecht wanneer je bedenkt dat de polemiek in Nederland is afgevlakt tot de blijkbaar cruciale vraag wie 'het grootste' is - danwel de grootste hééft -, ongeacht hetgeen hij in en met zijn werk te vertellen heeft. Maar het belang van Bernlefs opmerkingen ligt nu juist in het politieke karakter ervan, en dat wordt hier, als overal elders in deze bloemlezing, verdoezeld, zodat deze redactie akelig dicht in de buurt komt van datgene waartegen Bernlef zich hier nu juist richt.

Die, ik ben geneigd om te zeggen: wat al te angstvallige houding heeft uiteraard de keuze uit de verschenen honderd nummers voor een deel bepaalt. Maar Ga ik weet niet waar... bevat ondanks die houding nog meer dan voldoende stukken waarin het wérkelijke karakter van Raster zich, haast ondanks deze redactie, blijft tonen. Dat werkelijke karakter ligt niet in wat er in de jaren zeventig, begin jaren tachtig door het literaire centrum van werd gemaakt (achterhaald klassiek avant-gardisme in pejoratieve zin), het ligt ook niet in de literaire liefhebberij die zich van de buitenwacht niets aan zou trekken en verder geen literair-politieke bedoelingen zou hebben, zoals de huidige redactie het graag wil voorspiegelen (al valt te vrezen dat het zich door die redactie meer en meer in die richting ontwikkelt). Het ligt in de overtuiging dat literatuur en leven, de literaire en de maatschappelijke en politieke werkelijkheid geen gescheiden grootheden zijn. In die zin heeft het wel degelijk altijd haaks gestaan op het Nederlandse literaire klimaat, was het, om het zo eens te zeggen, een (heerlijk) asociaal tijdschrift. Het deed niet mee met het gekibbel in het hoenderhok. Het ging om iets anders dan de daar gehanteerde tegenstellingen, om een andere benadering van literatuur, om andere poëzie, en ja, ook om ander proza...

13:02 Gepost door Marc Reugebrink in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |