05-07-06

Gommers Leon

OP DE VLUCHT VOOR ANTHONY QUINN
Leon Gommers, De hondewacht. De Bezige Bij, Amsterdam 1995.
in: NvhN, 9-12-1995.

In De hondewacht, het debuut van Leon Gommers (1958), draagt de vader van de hoofdfiguur een wat merkwaardige naam. Anthony Papa Quinn, wordt hij consequent genoemd. In stilte dat wel, want de Anthony Quinn op wie deze vader lijkt is niet die uit Zorba de Griek of een andere film met een vrolijk dansje aan het eind. Nee, het is de Anthony Quinn uit Fellini's La strada, die veelal zwijgende en vaak dreigend en somber kijkende boeienkoning die de kinderlijke liefde van de kleine Giullietta Masina kribbig,grimmig en grommend afwijst en haar als een hond behandelt. Quinn speelt hier een man die de vader van de hoofdpersoon in werkelijkheid geweest moet zijn, een 'man met een hopeloze homp zwijgvlees in zijn mond', zoals de zoon hem meermalen omschrijft, een man ook die zijn zoon vroeger als een hond heeft behandeld, zo begrijp je als lezer al heel snel: 'Hierrr!', klinkt het af en toe, en: 'Blijffffff! En Volggggggg!'.
Het zal je vader maar zijn. En het ís de vader die Leike, de hoofdpersoon, in zijn herinnering terugvindt, in het landschap van zijn jeugd. Ook de beschijving van dat landschap, het Limburgse mijnlandschap uit het begin van de jaren zestig, geeft te denken: 'Iedereen leeft op een driesprong van akkers en mijnen en kleine werkplaatsen, iedereen leeft hier van grijpstuivers, en loopt altijd weer met messen in de broekzakken, alles op de vlucht voor de wereld van hun vaders'.
Op de vlucht voor de wereld van de vaders, de wereld van Anthony Papa Quinn in dit geval — je zou De hondewacht heel goed in enkel dat perspectief kunnen bekijken. De hoofdpersoon van het boek komen we per slot van rekening het eerst tegen als zeeman die in het laatste uur van de hondewacht, dus om een uur of drie in de ochtend, op de haven van Dieppe aankoerst. 'Op zee vaart enkel menselijk afval,’ zo wordt ons verteld, maar dat komt waarschijnlijk omdat de zee ver is van alles in de wereld: het is de ruimte zelfwaarin alles wat op het vasteland van belang is, er niet meer toe doet. En, zo wordt al heel snel duidelijk, juist daarom is de zee nog de enige plek waar Leike kan zijn. Juist de herinneringen die bij hem opkomen — eerst dus terwijl hij Dieppe nadert, wat later als zijn schip in Dieppe ligt afgemeerd — maken duidelijk dat de hele wereld voor hem onbewoonbaar is geworden en dat de zee voor hem de laatste wijkplaats is.
Dat laatste heeft alles te maken met het feit dat het verleden voor Leike niet werkelijk tot het verleden behoort. Het perspectief dat hier is gekozen is niet dat van de volwassene die van grote afstand terugblikt op zijn kinderjaren; terugkijken is in deze roman onmiddellijk ook: opnieuw beleven. In feite komt dat ook heel dicht bij wat herinneren eigenlijk is: het is het opnieuw beleven in je hoofd van wat vroeger ooit in werkelijkheid gebeurde. In de herinnering die je hebt, ben je weer even 'terug' in de tijd en op de plek die je je herinnert. Of nog wat preciezer: tijdens het herinneren ben je zowel in het verleden als inhet heden. Je zit anno nu in je stoel, maar bent verzonken, ja zelfs opgenomen in wat je je daar zit te herinneren.
Vanuit die dubbelheid, die tweetijdigheid, is De hondewacht grotendeels geschreven, en het is een voor herinneringsverhalen uiterst vruchtbaar perspectief, vind ik. Anders dan in verhalen waarin iemand alleen maar over zijn jeugd vertelt als was het een keurig afgerond geheel, wordt hier direct invoelbaar gemaakt wat geheugen ís. De herinnering is niet een verhaal van iemand anders, waar je als lezer verder buitenstaat, maar door de wijze waarop zij wordt beschreven, maak je daadwerkelijk al lezend mee wat er in het verleden van de hoofdpersoon is gebeurt.
De vertelde verhalen druipen van de angst en die angst heeft alles te maken met de vaderfiguur — niet alleen in zijn concrete dreigende verschijningsvorm als Anthony Papa Quinn, maar als dé Vader (met een hoofdletter dus). God, zou je kunnen denken, maar misschien moet je hier nog eerder denken aan een soort leegte waar God als hij bestaat heel goed in zou passen (zoals, meen ik, Kellendonk het ooit voor zichzelf formuleerde). Tussen de regels van het verhaal door wordt er twijfel gezaaid over de vraag of die Quinn-achtige figuur wel zijn werkelijke vader is. In een passage waarin Leike's almaar pillen slikkende 'pillenmoeder' wat voor zichzelf uit zit te praten, gaat het over een tochtje op de motor die de moeder vroeger ooit gemaakt zou hebben. Is Leike van dat tochtje het resultaat? Is dat waarom in een passage waarin Anthony Papa aan het woord komt te lezen valt dat Leike iets in 'zijn orde' kapot heeft gemaakt: 'Jij mag dan wel een soort eigen bloed zijn (...) — maar je bent aan te pakken, in te wijden als ieder onbekend en mij alleen al in een houding tegensprekend en tartend klein huftertje. En ik doe dat omwille van een wereldorde. Ik zal jou de zaak van schuld wel eens goed inwrijven, mijn brekebekje', heet het, en daar volgt dat dat 'Hierrrr! Blijffffff! En Volggggggggg!' op.
Leike is schuldig, alleen maar omdat hij er is, en Gommers heeft die schuld in dit boek vermengd met die van erfzonde, met het voor Limburg onvermijdelijke katholicisme, zodat het inderdaad een bovenmenselijke schuld wordt, een metafysische schuld. In dat schema is bij de afwezigheid van een echte vader, Anthony Papa Quinn geknipt om de rol van de naijverige, wrekende God uit het oude testament te spelen.
Wat een prachtig bouwwerk is dit boek! Wat had het een schitterend debuut kunnen zijn! Want bij alles wat ik nu heb aangestipt over constructie en motieven, liet ik onvermeld dat Gommers in dit boek voor een uiterst moeizaam, en in de verkeerde zin van het woord zeer 'poëtisch' aandoend taalgebruik heeft gekozen. Niet dat dit taalgebruik niet gemotiveerd is in het boek zelf: net als de vaderfiguur is uiteindelijk ook de hoofdpersoon iemand met een homp 'zwijgvlees' in de mond, die slechts met veel moeite aan zijn woorden komt. Maar gerekend naar de 315 bladzijden die dit boek telt, is het taalgebruik in deze roman te 'dicht', te 'gesloten'.
Dat probleem was te verhelpen geweest: niet door het boek nog dikker te maken (het 'dichte' uit te schrijven o.i.d.), maar juist door veel uit het boek te schrappen. Een boek waarin alleen de zee nog de laatste wijkplaats is uit een onmogelijk geworden want enkel uit schuld en angst bestaande werkelijkheid, moet niet zo geschreven zijn dat het van louter overgewicht meteen als een baksteen zinkt.


15:56 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.