05-07-06

Giphart Ronald

DE VERPLETTERENDE SAAIHEID VAN GIPHART
Ronald Giphart, Het feest der liefde. Balans, Amsterdam 1995
in: NvhN, 24-3-1995.

Er is in het huidige literaire klimaat niet zo heel veel voor nodig om als Belangrijk Schrijver aangemerkt te worden, zo'n auteur waar de verzamelde literaire pers 'niet werkelijk omheen kan'. Je hoeft er alleen maar voor te zorgen dat je boeken 'nieuws' zijn. Vrijwel alle critici werken vandaag de dag immers voor een krant, en dat is in de eerste plaats een medium voor nieuwsvoorziening. De hedendaagse literatuurrecensent zit ingeklemd tussen de journalistieke taak die het medium waarvoor hij werkt hem oplegt ('er is een nieuw boek van X') en de overgeërfde opvatting die hij heeft van zijn taak als criticus (het beoordelen van een boek op grond van zijn visie op literatuur).
Sommige critici zijn daardoor al behoorlijk radeloos geworden: óf ze doen alsof hun neus bloedt en negeren het journalistieke aspect, óf — wat tegenwoordig vaker voorkomt — ze verwarren nieuwsfeit en visie met elkaar. In het laatste geval menen ze dat auteurs 'belangrijk' zijn omdat het min of meer publieke figuren geworden zijn. De 'nieuwe Van der Heijden' bijvoorbeeld, dient absoluut besproken, hoe beroerd en belabberd ook. En omdat Van der Heijden 'belangrijk' is, ontdek je in de besprekingen al snel een zekere angstvalligheid om een zo Grote Schrijver af te vallen. Die angstvalligheid vertaalt zich dan in welwillendheid.
Een slimme auteur maakt van de radeloosheid van de kritiek handig gebruik. Hij veroorzaakt deining. De meeste deining veroorzaak je hier in Nederland nog steeds wanneer je zogenaamde heilige huisjes omver schopt. Je trekt bijvoorbeeld een geinig T-shirt aan met de opdruk: 'Leefde Harry Mulisch nog maar' en je verkondigt bij de nationale spreekbuis voor het gesunde Volksempfinden, Sonja Barend, dat literatuur 'veel te moeilijk' is. Succes verzekerd. Vooral als je daarnaast in je boeken er ook nog eens blijk van geeft werkelijk overal schijt aan te hebben, om zo die goedbedoelende generatie die na de jaren zestig haar kroost met een zeker idealisme opvoedde eens flink te kakken te zetten.
Zo komt het dus dat ik hier nu met het derde, en alweer waardeloze boek van de auteur Ronald Giphart voor me zit, Het feest der liefde geheten. Giphart is nieuws. Dit is een krant. Ik moet dus wel. Ik kan niet doen wat ik het liefst deed: dit jongmens negeren. Ik kan er hier nog wat van maken door te zeggen dat Giphart een sprekend voorbeeld is van wat in de kolommen van de radeloze kritiek de generatie Nix is gaan heten, maar dan zou ik meedoen aan iets waarin ik zelf niet geloof: dat schrijvers als Giphart, Van Erkelens,Grunberg en Moens een 'nieuwe generatie' vormen, ja, zelfs een 'nieuwe beweging' in de literatuur, en dat hun tijdschrift Zoetermeer dé spreekbuis is voor die nieuwe literatuur.
Wat Giphart doet, is misschien nieuws, maar niet nieuw. Zijn werk mikt op hetzelfde als Ik Jan Cremer in 1964, een boek uit Gipharts prehistorie (hij werd in 1965 geboren). Cremers boek sloeg in als een bom, niet alleen omdat het een in de literatuur tot dan toe ongekende nozem-mentaliteit uitdroeg, maar ook omdat het de status van literatuur ter discussie stelde, het onderscheid tussen 'hoge' en 'lage' cultuur, tussen 'literatuur' en 'lectuur'. Het boek was zo bezien een aanval op de pretenties van De Literatuur.
Giphart gaat nu op herhaling, althans zo lijkt het. Want wie Het feest der liefde leest komt er al heel snel achter dat het geschop tegen de pretenties die de literatuur vandaag de dag zou hebben, voor Giphart maar een spelletje is met als enig doel zichzelf zo snel mogelijk een plaatsje in het pantheon der literaire grootheden te verwerven (maar misschien was dat al voor Cremer niet anders).
En daarvoor is niks te dol. De paar critici die op zijn vorige boeken nog reageerden vanuit een visie op literatuur (Tom van Deel, Doeschka Meijsing) worden in dit boek zo hardgrondig afgezeken (lachen jôh!), dat het voor hen moeilijk, zo niet onmogelijk wordt om nog op dít boek te reageren. Het zou maar lijken op kinnesinne (terwijl het in werkelijkheid natuurlijk precies andersom is).
Zo schakelt men in de publieke arena zijn tegenstanders uit! Men maakt ze gewoon monddood door te speculeren op de communis opinio zoals die onder zich te pletter vervelende scholieren hoogtij viert (literatuur bah!) en onder een heel volksdeel dat met Sonja Barend van mening is dat schrijvers zich maar moeten aanpassen aan hun tv-intelligentie.
Giphart is iemand die voortdurend vraagt: hoe komt u erbij mij naar literaire maatstaven te beoordelen? Verantwoord uzelf! Naar die verantwoording voor zíjn anti-houding moet men hem maar niet vragen. Hij behoort tot een generatie die er als het ware om smeekt weer eens flink gegispt te worden, die baat heeft bij een strenge moraal, en die bij gebrek aan zo'n moraal dan maar als gezaghebbend beschouwde figuren een moraal toedichten. Zonder die 'tegenstand' blijven ze nergens.
Dat zal de reden zijn waarom Giphart in zijn boeken zoveel aan seksuele gymnastiek doet, o zo voorzichtige en laffe grapjes maakt over jodenvervolging ('jodelvervolging' - lachen jôh!) en over buitenlanders. In de hoop dat iemand hem onfatsoenlijk vindt — wat zeg ik? dat iemand hem een proces aandoet, zelfs! Want daar word je beroemd mee, tenminste, als je voldoende slagen om de arm houdt om racistische of anti-semitische passages met een beroep op 'ironie' af te doen, zoals Giphart doet. Op het beslissendmoment kan hij zich dan weer opwerpen als door en door fatsoenlijk.
Het is jammer dat de kritiek inmiddels zo radeloos is geworden met zichzelf dat Giphart een verschijnsel kon worden. Want zijn boek is niet eens amusant te noemen. Het is een verpletterend saai schrijfsel dat misschien hoogstens als sociologisch verschijnsel enige waarde behoudt.

15:33 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.