02-07-06

Fromm Erich

AFGESCHREVEN
Erich Fromm, De angst voor vrijheid. vert. H. Redeker. Bijleveld Utrecht 1981 (oorspronkelijk New York 1941)
In: DM, 11-4-2001

Ooit heb ik het aangeschaft: De angst voor vrijheid van Erich Fromm (1900-1980). Ik bezit een exemplaar dat blijkens een stempel voorin ooit deel uitmaakte van de ambulante collectie van de ‘Bibliobus Stadskanaal’ - een rijdende uitleenbibliotheek. Was u ooit in Stadskanaal? Een wanhopig dorp in het noordoosten van de noordelijkste provincie van Nederland, eigenlijk meer: één kilometerslange straat langs een kaarsrechte vaart. Die bus moet een verzetje zijn geweest in die gruwelijke vlaktes daar, een gebied waarbij vergeleken het Meetjesland de allure van een Alpenlandschap krijgt. Of Fromm er veel gelezen werd, valt te betwijfelen. ‘Afgeschreven’, zo luidt een andere stempel voorin mijn exemplaar. Het is kortom één van die boeken die door bibliotheken regelmatig voor spotprijzen te koop worden aangeboden omdat ze nauwelijks worden uitgeleend. Toch gaat het hier om de tiende druk (uit 1981) van de oorspronkelijk in 1952 verschenen vertaling. Fromm was ooit een veelgelezen auteur.
Helemaal onbegrijpelijk lijkt me dat niet. U bent het misschien al vergeten, maar er was een tijd waarin we zo vaak om de oren werden geslagen met het woord ‘vervreemding’ dat je van lieverlede dan maar toegaf inderdaad vervreemd te zijn. Een ideale toestand om bijvoorbeeld Fromm te lezen, want De angst voor vrijheid is één van die talloze boeken die uit de doeken doen hoe het zo ver heeft kunnen komen met ons. We bewandelen de weg van middeleeuwen tot aan het fascisme (het boek verscheen in 1941) en - u raadt het al - die weg is zo recht als die straat in Stadskanaal. Je bent op grond van dit boek bijna geneigd om te zeggen: als de middeleeuwen nu maar niet hadden bestaan, was het nooit tot het fascisme gekomen. Wat ook zo is, natuurlijk. Misschien waren we zelfs gespaard gebleven voor de boekdrukkunst, en voor de bibliobus natuurlijk.
En voor de vervreemding. Die is namelijk een rechtstreeks gevolg van de drang naar vrijheid die de leidraad vormt van Fromms historische analyse. Van de middeleeuwen tot de twintigste eeuw heeft de mens afgerekend met wat zijn ‘oorspronkelijke individualiteit’ in de weg stond: met het feodaal stelsel bijvoorbeeld, met de God van de katholieken natuurlijk, en met die van de Reformatie vervolgens ook. Maar de vrijheid die zo gewonnen werd, was toch vooral de bevrijding van wat ons voorheen onderdrukte, en daarom noemt Fromm haar ‘negatieve vrijheid’; ze blijft gebonden aan wat ze overwon. Juist die gebondenheid maakt dat de mens zich in het heden, waarin alle grote waarheden overwonnen zouden zijn, meer en meer ontheemd voelt. Hij is de gevangene van zijn ‘negatieve vrijheid’, die hem niet alleen van de verschillende waarheden bevrijdde, maar ook ‘los scheurde’ - een favoriete uitdrukking van Fromm - uit de sociale en metafysische verbanden. Om Fromms verhaal af te ronden: die ontheemding en vervreemding maken dat de mens de neiging heeft weer voor zijn eigen vrijheid te vluchten: in autoritarisme, in destructivisme of in automatisch conformisme. Het fascisme en het nazisme zijn van die vlucht het levende bewijs.
Maar niet getreurd: het is allemaal een kwestie van het vasthouden aan de verkeerde vrijheid, zo weet Fromm. Hij heeft die ‘oorspronkelijke individualiteit’ nog achter de hand, en wie zich daarop richt legt uiteindelijk de weg af van een ‘negatieve’ naar een ‘positieve vrijheid’. Die ‘oorspronkelijke individualiteit’ ontleent Fromm - die psycho-analyticus was - aan de psychologie van Freud, zij het dat Freud volgens hem nog niet helemaal begrepen had dat kennis van psychologische processen vooral dient om het maatschappelijk proces beter te begrijpen. Zoals omgekeerd historici, filosofen en sociologen nooit werkelijk hebben begrepen dat kennis van het maatschappelijk proces niet mogelijk is zonder kennis van de psychologie.
Eigenlijk is de verbinding tussen deze twee gebieden het werkelijke onderwerp van Fromms boek; het vormt ook de leidraad van al zijn andere werken en het was hetgeen hem in zijn eigen vakkring tot een controversiële figuur maakte. Hij besteedt er in De angst voor vrijheid tot vervelens toe aandacht aan en kan er zichzelf, ondanks de waarschuwingen aan - vermoed ik - vooral zijn eigen adres, maar met moeite van weerhouden de psychologie tot de moeder aller wetenschappen te promoveren. Het is in ieder geval evident dat de ‘negatieve vrijheid’ voor hem een sociologische categorie is, terwijl de ‘positieve vrijheid’ een psychologisch fenomeen vertegenwoordigt. ‘Positieve vrijheid’ is namelijk ‘verwezenlijking van het persoonlijk Zelf’ van de mens: ‘de expressie van zijn intellectuele, emotionele en zinnelijke mogelijkheden’.
Dat Zelf is Fromms fetisj, zijn Waarheid, en dat verklaart waarschijnlijk de toonhoogte waarop dit boek werd geschreven. Dan heb ik het niet zozeer over het gebruik van de pluralis majestatis, het ‘Wij hebben ons ten doel gesteld...’ en het ‘Alvorens te beginnen aan ons voornaamste onderwerp...’, al werkt ook dat mee aan de indruk dat iedere zin er als het ware om vraagt onderstreept te mogen worden (de door Fromm zelf gecursiveerde zinnen moeten dan minstens dubbel onderstreept en dienen uit het hoofd geleerd te worden). Maar het hele boek is geschreven in een stijl die geen tegenspraak duldt en met een aplomb dat een volledig gebrek aan twijfel verraadt. U bent vervreemd, zo zegt dit boek op iedere bladzijde, maar de auteur zelf heeft nergens last van. Hij zweeft ver boven ons en spreekt ons toe vanuit een grote zekerheid. Wie kanttekeningen zou willen plaatsen bij het persoonlijk Zelf en bij de ‘oorspronkelijke individualiteit’ heeft het gewoon niet zo goed begrepen.
‘Theoretisch ontmoeten wij hier een misvatting omtrent het wezen der liefde,’ lees ik ergens, en de bedoeling is dat ik een serieus gezicht trek en luister naar wat theoretisch gesproken de juiste opvatting omtrent het wezen der liefde is. Maar ik val van mijn stoel van het lachen, juist vanwege Fromms ernstige, steeds goedbedoelende leraarstoontje. Helemaal wanneer ik pagina’s verder lees dat mannen die zeggen te willen trouwen dat vaak uit conformisme doen en het eigenlijk niet willen. Het zal een uitvinding van vrouwen zijn? Hebben die geen oorspronkelijke individualiteit misschien? Ik ben ineens nieuwsgierig naar wie in huize Fromm de afwas deed.
Het is vooral de uit het godgelijkende Zelf voortkomende toon die maakt dat het stempel ‘Afgeschreven’ voorin mijn exemplaar me volkomen juist lijkt. Het roept het beeld van één lange rechte weg op, een weg die wij aan Fromms handje moeten aflopen om het licht te zien. Terwijl de weg naar de vrijheid mij veeleer kronkelig lijkt, en misschien zelfs een rotonde is.

12:45 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.