02-07-06

Friedell Egon

‘VORSICHT!’
(Egon Friedell 1878-1938)
in: DM, 4-8-2004
[dit artikel verscheen in een reeks met de titel Famous Last Words, die in 2004 door verschillende auteurs werd verzorgd op de laatste pagina van De Morgen Boeken]

Voor de Oostenrijkse auteur Egon Friedell (pseudoniem van Egon Friedmann) was de geschiedenis in de allereerste plaats een dramatisch probleem. In het boek dat hem op het eind van zijn leven kortstondig beroemd maakte, zijn 1500 pagina’s tellende Kulturgeschichte der Neuzeit (1927-1931), besteedt hij veel aandacht aan de onmogelijkheid om op wetenschappelijke wijze aan geschiedschrijving te doen. ‘Waar het leven begint, houdt de wetenschap op; en waar de wetenschap begint, houdt het leven op,’ zo stelt hij, en geschiedschrijving gaat nu eenmaal over het leven. Hij haalt Oswald Spengler aan, auteur van het roemruchte boek Der Untergang des Abendlandes (1923), die stelde: ‘De natuur moet men wetenschappelijk benaderen, over geschiedenis moet men dichten.’ Friedell legt ook de nadruk op het belang van de anekdote in geschiedschrijving, en zijn nog steeds zeer leesbare Kulturgeschichte is een perfecte demonstratie van zijn uitgangspunten. Het boek leverde hem dan ook de eretitel ‘Shakespeare van de geschiedschrijving’ op. En als Bernard Shaw hoort dat men Friedell ‘de Duitse Shaw’ noemt, stelt hij dat hij snel Friedells Kulturgeschichte zal lezen om vast te stellen of hijzelf wellicht ‘de Engelse Friedell’ zou kunnen zijn.
Als je Friedells leven zelf met de door hem voorgestane principes wilt beschrijven, moet je misschien beginnen met de anekdote over zijn dood. Op 16 maart 1938 springt Friedell uit het raam van zijn slaapkamer op de derde verdieping, Net voor, of misschien zelfs nog tijdens zijn dodelijke val, roept hij naar nietsvermoedende voorbijgangers zijn laatste woord: ‘Vorsicht!’
Er valt hier niets te lachen, natuurlijk. 16 maart 1938 is één dag na de ‘Anschluss’ van Oostenrijk bij het Duitsland van Adolf Hitler, waar in februari van dat jaar Friedells Kulturgeschichte al op de zwarte lijst was gezet. Directe aanleiding voor Friedells daad was het feit dat er juist twee mannen van de SA aan de deur van zijn woning waren verschenen die vroegen of op dit adres ‘de jood Friedell’ woonde. Terwijl de huishoudster iets antwoordde, begaf Friedell zich naar de slaapkamer en sprong. Al eerder had Friedell tegen de toneelschrijver Ödön von Horvath gezegd (die zelf drie maanden later in Parijs zou sterven toen hij door de bliksem getroffen werd) dat hij ‘in elke zin klaar om te vertrekken’ was - en had bij die gelegenheid gesproken over de mogelijkheid om gif in te nemen dan wel zichzelf met een pistool van het leven te beroven.
Er valt hier niets te lachen, zei ik, en als een anekdote vaak dieper doordringt in de waarheid van een bepaald verleden dan een dorre opsomming van feiten, dan zegt Friedells zelfmoord op zich al genoeg over wie hij was en waar hij voor stond. Het nazi-bewind was iets wat hij niet wilde meemaken, en moet voor hem ook het absolute failliet geweest zijn van de ‘Neuzeit’ die hij in zijn cultuurgeschiedenis met zoveel verve beschreven had. Toch schuilt er in de anekdote over zijn dood iets wat je, onwillekeurig weliswaar, in de lach doet schieten. De grote bezorgdheid over het welbevinden van toevallige passanten bij de zo volledige verzaking van het eigen leven, zorgt op zijn minst voor een kleine kortsluiting in het denken die maakt dat een ieder die deze anekdote voor het eerst hoort even grinnikt.
Die kortsluiting benadert Friedells leven dichter dan het rechtlijnige verhaal van de joodse intellectueel die een einde aan zijn leven maakte om niet onder het nazi-bewind te moeten leven. Kulturgeschichte der Neuzeit is ondanks zijn voor die tijd wat onorthodoxe benadering van geschiedschrijving toch in de eerste plaats het werk van een groot geleerde, zo zou men denken, en men denkt dat nog steeds nadat men het gelezen heeft. Maar toen het boek verscheen, werd het eerst met het nodige wantrouwen benadert. Egon Friedell stond namelijk vooral bekend als humorist, als acteur, op zijn best als ‘lachende filosoof’ (want hij was doctor in de filosofie). Toen zijn Kulturgeschichte der Neuzeit verscheen moet het voor de toenmalige intellectuele goegemeente zoiets geweest zijn als voor ons een Stanny Crets die een lijvig boekwerk schrijft over bijvoorbeeld ‘post-politieke filosfie in het tijdperk van het post-postmodernisme’. Ik sluit niet uit dat hij het kan, maar de man zou vooraf op weinig krediet kunnen rekenen, vermoed ik. Het één (humorist, acteur) laat zich maar moeilijk met ander (filosoof) rijmen. Friedells beoogde uitgever, Ullstein, vond het in ieder geval dermate suspect dat hij het reeds in 1925 gereed gekomen eerste deel liet liggen (uiteindelijk zou het in 1927 bij uitgeverij Beck verschijnen).
Tussen Friedell en uitgevers was er overigens ook meermalen sprake van kortsluiting. In 1910 vraagt uitgeverij Fischer aan de ‘lolbroek’ Friedell of hij niet een biografie over Peter Altenberg wil schrijven (die deel uitmaakte van de Jung-Wien-groep - onder andere Kraus, Schnitzler, Hofmannsthal -, een groep literatoren die zich ten doel had gesteld ‘ook het zware licht te maken’). Friedell schrijft de biografie (Ecce poeta, 1912), maar het bestaat voor het overgrote deel uit een serieus filosofisch traktaat over het ‘romantisch naturalisme’ van Altenberg - op zich een begrip dat uit kortsluiting bestaat. Fischer was woedend, liet het boek wel verschijnen, maar leek het vervolgens zelf te boycotten. Jaren later zette Die Stunde Friedell aan de dijk, omdat hij het gewaagd had het blad, waarvoor hij als theatercriticus werkzaam was, te karikaturiseren. Hij was een ‘nestbevuiler’, en kon vertrekken.
Op rechtlijnigheid viel Friedell nauwelijks te betrappen - noch in zijn hoedanigheid van acteur en publicist die weigerde om het leven ernstig te nemen; noch in zijn hoedanigheid van filosoof en historicus die in volle ernst, en met een verbluffende eruditie, de geschiedenis van de Renaissance tot en met de Eerste Wereldoorlog te boek stelde. In een vroeg artikel stelde hij weliswaar dat ‘het ergste vooroordeel dat we uit onze kindertijd meenemen (...) de idee van de ernst des levens’ is, en dat kinderen het juiste instinct hebben: ‘ze weten dat het leven niet ernstig is, en behandelen het als een spel’ - het neemt niet weg dat hij het spel steeds met de nodige ernst is blijven spelen. Het spel dat men speelt, bepaalt hoe onze werkelijkheid eruitziet, zo luidde zijn overtuiging, en dat is uiteindelijk een ernstige zaak.
Zoiets wordt het duidelijkst wanneer het vergeten wordt, wanneer de werkelijkheid als spel zijn eigen speelsheid vergeet en eendimensionaal wordt, zoals bij het nazisme het geval was. Dan biedt alleen het open venster nog uitkomst, en de sprong van Friedell was zo beschouwd geen verzaking van het leven, maar juist een voor hem onmogelijk geworden bejahung, die zijn laatste verwoording kreeg in het ‘Vorsicht!’ waarmee hij onschuldige voorbijgangers alsnog van de dood probeerde te redden.


12:27 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.