20-06-06

Franssens Jean-Paul (2)

SCHULDGEVOEL
Jean-Paul Franssens, Broederweelde. De Harmonie, Amsterdam 1995.
In: NvhN, 5-5-1995

'Hij praat veel. Gezeur over vroeger. Ik kan niet tegen vroeger. Een keer moet het afgelopen zijn', zo staat al onmiddellijk aan het begin van Jean-Paul Franssens' Broederweelde, het zojuist verschenen derde boek in wat je inmiddels een reeks autobiografische romans moet noemen. Het is alsof de schrijver er een beetje tegenop ziet om zich alwéér in zijn eigen verleden te begeven, om na de eerste twee autobiografische romans met dit boek wéér terug te keren naar het Groningen van zijn jeugd, naar de Noorderkerkstraat en de rebbelende onderbuurvrouw met haar geroddel, naar zijn in de oorlog 'foute' vader, die desalniettemin in Een Goede Vader toch zo'n barmhartig portret kreeg, naar Jans, zijn moeder, die in Een Gouden Kind met zoveel liefde werd neergezet.
Een keer moet dat gezeur over de eigen jeugd afgelopen zijn: dat is nu niet meteen de meest vruchtbare houding voor wie het desalniettemin tóch weer over zijn jeugd gaat hebben. Tegen een schrijver die er zo over denkt, ben je geneigd al op voorhand te zeggen: begin er dan maar niet aan; dat wordt toch niks zo. En ik moet ook zeggen: Broederweelde is vergeleken bij de vorige twee teleurstellend.
Dat heeft denk ik vooral te maken met het feit dat Franssens in deze roman inderdaad niet zélf terugkeert naar zijn jeugd, maar het verhaal daarover vrijwel geheel in de mond legt van zijn broer Jos. Die komt hem zijn keuken binnenvallen met de mededeling dat hij aan keelkanker lijdt en die is het die hem vervolgens meetroont naar een café om in een eindeloze monoloog nog eens al die herinneringen op te halen die Franssens in zijn twee eerdere romans zelf ophaalde. Het is een beetje alsof Franssens in dit boek weinig anders heeft gedaan dan noteren wat zijn broer vertelt.
Dat kan interessant zijn: laat twee leden van één en hetzelfde gezin het verhaal van hun jeugd vertellen, en je kunt twee totaal verschillende verhalen krijgen. Zo verschillend zelfs, dat het lijkt alsof die twee in volstrekt andere werelden hebben geleefd. Nu is het perspectief op de gebeurtenissen in het Groningen van de rond de Tweede Wereldoorlog in Broederweelde ook inderdaad wel enigszins anders, al was het maar omdat de broer Jos van een almaar huilende baby eerst een stil, introvert jongetje wordt, en later homoseksueel blijkt te zijn. Zoiets kan leiden tot een volledig andere kijk op de wereld.
En zeker, de haat jegens de vaderfiguur heeft in Jos' relaas vanzelf een wat andere kleur, en de vergevingsgezindheid — hoe ambivalent ook — die in Een goede vader uiteindelijk Franssens' laatste blik op zijn vader bepaalde, is bij broer Jos ver te zoeken. En uiteraard liggen de verhoudingen anders: hier is het niet Franssens die naar de leden van het vroegere gezin kijkt, maar zijn broer, voor wie Franssens zelf een lid van dat gezin was.
Maar de herinneringen die Jos al pratend ophaalt, verschillen uiteindelijk toch te weinig van de herinneringen die Franssens al eerder zelf te boek stelde. Dat heeft vooral te maken met het gegeven dat Franssens er in dit boek niet in slaagt om zich te houden aan het gekozen vertelperspectief, zo is mijn indruk. Als je ervoor kiest de jeugdherinneringen in de mond van broer Jos te leggen, moet je daarvoor niet dezelfde techniek toepassen als die welke Franssens in zijn eerdere boeken gebruikte, toen hij zelf de verteller was. Steeds wordt de suggestie doorbroken dat het Jos is die hier zit te vertellen, hoezeer ook allestussen aanhalingstekens staat. Maar zijn relaas bevat te veel typisch literaire trucs om geloofwaardig te zijn als verhaal-dat-iemand-aan-een-cafétafel-vertelt.
Ik kan dat ook zo zeggen: ondanks de suggestie dat hier broer Jos aan het woord is, is het toch steeds Franssens zelf die hier een (mislukte) poging heeft gedaan ons te doen geloven dat Jos hier zelf zijn verhaal vertelt. En juist omdat het, ondanks de aanhalingstekens, steeds en overduidelijk Franssens zelf is, is Broederweelde grotendeels een herhalingsoefening geworden, een boek dat nauwelijks iets toevoegt aan de al bestaande twee autobiografische romans.
Blijft over: de klemmende vraag waarom het boek tóch werd geschreven. Als iemand al op de eerste bladzijden aangeeft dat dat gezeur over vroeger een keer afgelopen moet zijn, en vervolgens in de 140 bladzijden die de roman telt nauwelijks verderkomt dan een herhaling van wat hij al in eerdere boeken schreef (zodat alles inderdaad gezeur dreigt te worden), waarom besluit zo'n iemand dan toch dat boek — niet alleen te schrijven, maar ook nog te publiceren?
Hierom: 'Altijd ben ik met mezelf bezig. Daar zit mijn broer. Al is hij dan zevenenveertig, vroeger was hij toch mijn broertje. Waarom mag hij niet over vroeger praten?'. Het feit dat broer Jos verschijnt met de mededeling dat hij kanker heeft, dat hij dus stervende is, maakt Franssens bewust van het feit dat hij zijn broer altijd heeft verwaarloosd. De reden voor dit boek is uiteindelijk het schuldgevoel van de auteur. Dat schuldgevoel moet gedelgd worden. Daarom wordt het broer Jos hier 'toegestaan' nog eens zo uitgebreidover vroeger te 'zeuren'. Daarom ook wordt Jos overgehaald om een zware operatie te ondergaan — wat deze niet wil, en die hem uiteindelijk ook niet zal redden.
Als de auteur zijn ingezwachtelde broertje na de operatie gadeslaat, is het alsof deze op verwijtende toon tegen hem zegt: 'Kijk eens wat ze me hebben aangedaan. Kijk eens wat jíj me hebt aangedaan. Broeder van het eerste uur. Die alles zo goed weet voor een ander. Nu heb je je zin'. Niet voor niets staan juist deze woorden op de achterflap van het boek.
Schuldgevoel dus. Het motiveert Broederweelde, maar het redt het boek als zodanig niet. Ik bedoel: ik kan me heel goed de noodzaak van dit boek voor de auteur persoonlijk voorstellen, maar voor mij als lezer geldt dat het toch een kéér afgelopen moet zijn. Wat een andere manier is om te zeggen dat deze vormgeving van de eigen herinneringen zichzelf heeft uitgeput.


JEAN-PAUL FRANSSENS: EEN FOUTE VADER. OF TOCH NIET?
Jean-Paul Franssens, Een goede vader. De Harmonie, Amsterdam 1993
in: NvhN, 26-11-1993.

Een goede vader, zo heet de tweede roman die Jean-Paul Franssens over zijnGroningse jeugd schreef. In de eerste, Een gouden kind, stond zijn moeder centraal; in deze nieuwe roman komt zijn vader aan de beurt. Een vader met een dubieus oorlogsverleden, een 'foute' vader. Of toch niet?
Jean-Paul Franssens begint zijn nieuwe roman met een niet mis te verstaan beeld. Wanneer de ikfiguur naar de wc gaat en ontdekt dat zijn vader vergeten heeft om door te trekken, vindt hij een geronnen sliert bloed, drijvend in een plasje urine. 'Het is oneerbiedig te piesen op een stukje bloed dat je vader heeft toebehoord', zo weet hij, om er vervolgens dapper op los te plassen. 'Met een bijna venijnige ruk aan de trekker spoel ik de pot schoon. Boven mij het vrolijke geklater van vers water in de stortbak. Alles is weer fris en helder als voorheen'. Na zo'n passage verwacht je een meedogenloze afrekening met een vader die een dubieus oorlogsverleden heeft, een boek als een closetpot waarin de schrijver zijn haat en verachting de vrije loop laat met de bedoeling zijn vader het riool in te spoelen.
Misschien is dat wat Franssens graag gewild zou hebben: schrijven vanuit een hedenwaarin alles omtrent het verleden duidelijk is, waarin hij weet wat 'goed' en wat 'fout' is, waarin hij een onomstotelijke waarheid heeft gevonden die het hem makkelijk maakt te oordelen over zijn vader. Maar zo eenvoudig is het niet.
De ikfiguur die in Een goede vader aan het woord is, is namelijk niet de Franssens die dit boek geschreven heeft — Franssens anno nu —, het is een jongere Franssens: de Jean-Paul die na de oorlog in Duitsland aan een 'kunstschool' studeert en die geconfronteerd wordt met een stervende vader. De ikfiguur is met andere woorden een herinnering van de schrijver anno nu. Het is díe ikfiguur die herinneringen aan vroeger ophaalt.
De schrijver Franssens weet dat iedere herinnering een vertekend beeld van het verleden geeft. Wie ik vroeger was, wordt in hoge mate bepaald door wie ik nu ben, door de manier waarop ik mij op dit moment wens te herinneren. Maar klopt dat beeld wel? Was ik toen wel wie ik nu denk geweest te zijn? Franssens laat zijn ikfiguur zichzelf deze vragen niet expliciet stellen, maar dat de jongere Jean-Paul met dit probleem worstelt, blijkt bijvoorbeeld uit een aantal ogenschijnlijke inconsequenties in het boek. Zo memoreert hij op pagina 19 hoe hij ooit door zijn vader werd afgeranseld: 'hij slaat mij links en rechts tijdens een regen van vloeken en verwensingen (...). Bont en blauw ben ik'. Maar op pagina 93 staat te lezen dat vader 'zelden handtastelijk of grof was in zijn optreden'.
Het is de ikfiguur niet goed mogelijk om vast te stellen wie of wat zijn vader nu eigenlijk voor hem was en is. Maar omdat die ikfiguur zelf ook weer een herinnering is van de schrijver anno nu ontstaat er ook onzekerheid over wie die ikfiguur eigenlijk was. Zijn zijn herinneringen wel betrouwbaar? Is het toch al troebele beeld dat hij van zijn vader geeft wel juist? Wie is hier wat?
De twijfels die zo bij de lezer rijzen, worden nog versterkt door een aantal monologendat Franssens in zijn boek heeft opgenomen: van de moeder, van een Groningse onderbuurvrouw en van de vader zelf. De moeder, Jans, spreekt met een mengeling van afschuw en vertedering over de vader, met wie zij niet getrouwd is, maar van wie zij wel kinderen heeft. Als die van hem zijn tenminste, want de onderbuurvrouw — in wier monologen het nasale Gronings doorklinkt — suggereert dat Jans naar bed ging met wie maar langskwam. Anderzijds is die buurvrouw weer iemand die vrijwel iedere vrouw van hoereerderij verdenkt. Zij behoort tot het type dat vanachter de gordijnen de buren begluurt en de meest wilde verhalen rondstrooit. En de monoloog van de vader zelf geeft ook niet werkelijk uitsluitsel over wat in die oorlogsjaren in Groningen nu waar was en wat niet.
Zo wordt de lezer voortdurend op het verkeerde been gezet. Alle informatie is onbetrouwbaar. De zekerheid omtrent wat 'goed' is en wat 'fout' — een zekerheid waarover heel Nederland na de oorlog leek te beschikken — wordt ernstig ondermijnd. Zeker, de vader werkte met de Duitsers samen, al werkte hij niet mee aan deportaties. Hij bouwde bunkers in Frankrijk die er tot op de dag van vandaag nog staan. Maar zijn functie in het Groningen van 1944 stelde hem ook in staat om mensen vrijstellingen te bezorgen, zodat ze niet in Duitsland hoefden te werken. Het beeld dat Franssens (met veel gevoel voor couleur locale) van dat laatste oorlogsjaar in Groningen geeft, zou wel eens dichtbij de werkelijkheid van die dagen kunnen liggen, al heeft iedereen die het meemaakte daarover natuurlijk zijn eigen verhaal. Maar dat velen maar wat knoeiden en sjoemelden, het in veel gevallen op een accoordje gooiden met hun principes, al was het maar om brood op de plank te hebben, lijkt aannemelijker dan het beeld waarmee velen zich na de oorlog geruststelden: dat er varraders waren en goede Nederlanders.
'Wie heeft het recht zo te oordelen over een voorbij leven?’ zo vraagt de ikfiguur zichaan het eind van de roman dan ook af als hij juist zijn vader scherp heeft veroordeeld. 'Wie weet wat jij onder dezelfde omstandigheden had gedaan? Moet je als zoon geenbegrip opbrengen en vergevingsgezind zijn?' Hij komt er niet uit, en de lezer inmiddels ook niet meer. En dat is de grote verdienste van dit boek. De wijze waarop Franssens deze roman heeft opgebouwd heeft tot onmiddellijk gevolg dat je als lezer met dezelfde gemengde gevoelens komt te zitten als de schrijver van het boek. Franssens had niet beter duidelijk kunnen maken wat het betekent om een vader te hebben die in de oorlog dingen deed die na de oorlog van hem een 'foute' vader maakten. De verwarring die ieder kind met zo'n vader moet voelen, de mengeling van afschuw, mededogen en zelfs liefde, weet Franssens in deze roman op een zo overtuigende wijze over te brengen dat men aan het eind van de roman ten prooi valt aan dezelfde hulpeloosheid die de ikfiguur tentoonspreidt.
Gezeten aan het bed van zijn stervende vader, juist wanneer de ikfiguur constateert dat het wel lijkt 'of wat daar ligt mij niet meer aangaat', zegt zijn vader iets: 'Ik kan hem niet verstaan. Ik buig me naar hem toe. Ik pak zijn hand. "Je bent een goede vader,” zeg ik, en alsof ik mezelf niet kan overtuigen zeg ik het nog eens en nog eens: "je bent een goede vader.” Hij opent zijn ogen. Hij staart me aan of hij vreselijk van me schrikt. Alsof hij heel erg bang voor me is. Hij komt even overeind, rukt zijn hand los en slaat me in mijn gezicht.’ Omdat de vader weet dat de ikfiguur liegt (maar liegt hij wel)? Omdat de ikfiguur twijfelt misschien? Of omdat hij toch geen goede vader was? Het is deze klap in het gezicht waarmee Franssens de lezer achterlaat: duizelend, niet-wetend, maar volledig overtuigd.

10:52 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.