06-06-06

Foelkel Frithjof

WAAROVER MEN NIET UITWEIDEN KAN, MOET MEN ZWIJGEN-
Frithjof Foelkel, De pythons en de nachtportier. Meulenhoff, Amsterdam 1996.
in: NvhN, 31-5-1996

Of het er nog zo aan toe gaat weet ik niet, maar een jaar of wat geleden had je in het kunstonderwijs de zogeheten ‘werkbespreking’. De kunstenaar in spé toonde voor docent en medestudenten zijn produktie en vooral: zijn ‘werkboek’ met daarin opgetekend zijn ‘werkproces’. Ik ben van dat soort, vanuit didactisch oogpunt wellicht hoogst nuttige bijeenkomsten wel eens getuige geweest en verbaasde mij er die keren telkens weer over dat volledig dichtgesmeerde en van gebrek aan ieder schildertalent getuigende kliederdoeken op grond van het in het ‘werkboek’ genoteerde ‘werkproces’ toch nog een dikke voldoende kregen. De bedoeling ging hier voor het resultaat, of liever: de artistieke pretentie werd hoger gewaardeerd dan het artistiek vermogen. De aankomend kunstenaar werd gewogen naar wat hij bedoelde te maken, niet naar wat hij daadwerkelijk maakte.
Ik moest weer even aan die ‘werkbesprekingen’ denken toen ik het tweede boek van Frithjof Foelkel, de verhalenbundel De pythons en de nachtportier, las, want de auteur van deze verhalenbundel heeft herhaaldelijk de neiging de lezer bij het schrijfproces te betrekken en ons uit de doeken te doen wat hij bedoelde te schrijven, maar uiteindelijk niet schreef. ‘Daar kan ik niet over uitweiden anders wordt dit verhaal te lang,’ zo lees je bijvoorbeeld in het eerste verhaal, en ik kan bij zo’n zin alleen maar denken: waarover men niet uitweiden kan, moet men zwijgen. En hoe dan ook: mij vooral niet lastig vallen met de mededeling dat men over iets niet kan uitweiden omdat het verhaal anders te lang wordt. Zo’n verhaal kan nog minstens één, en wel deze zin korter, lijkt me.
In een ander verhaal lees je: ‘De vraag is: hoe breng ik dit verhaal tot een einde?’ Op die vraag volgt een uitgebreide beschrijving van een vroegere versie van het einde van dat verhaal; de auteur citeert zinnen uit die versie (zo doet hij het althans voorkomen) en becommentarieert ze vervolgens. ‘Is niet zo origineel voor het einde van een verhaal, denk ik,’ schrijft hij bijvoorbeeld na zo’n citaat, ‘een beetje braaf’ - om ten slotte uit te komen bij de vraag hoe hij zich het einde van dit verhaal tegenwoordig zou wensen. ‘Ik weet het niet. Die winterscène van het begin, dat is iets heel bijzonders. Vind er maar een vervolg op!’ schrijft hij.
Ja, had dat maar gedaan, denk ik dan, want met dit soort praatjes voor de vaak red je dit verhaal - alle goede bedoelingen ten spijt - niet van de overbodigheid die het nu heeft. En het gevolgde procédé wordt er voor mij zelfs niet acceptabeler op wanneer ik me realiseer dat het in alle verhalen uit deze bundel nu juist gaat om het onvermogen om in de werkelijkheid een duidelijke, eigen orde aan te brengen, er een houvast, een persoonlijke kern te vinden die het mogelijk maakt om in die werkelijkheid overeind te blijven.
Foelkels (sterk autobiografisch lijkende) personages steken altijd en op zijn hoogst maar voor de helft in wat zo in het gemeen de werkelijkheid heet. Het zijn wat verwaaide, verwilderde figuren, op hun eigen manier briljant (zoals de fysicus in ‘De hoogbegaafden’), die met alle hen ter beschikking en zelfs alle hen niet ter beschikking staande middelen op zoek zijn naar dat ene mangat in de werkelijkheid waar ze precies in zouden passen en dat handelen mogelijk zou maken. Op zoek naar de ‘donzen dekbedden’ in de hemel waarover we in maar liefst vier verhalen over zweefvliegen het nodige te horen krijgen. Op zoek naar een eigen leven vooral. Zoals dat in ‘Bosman - een pamflet’ omschreven wordt, waar een boswandeling bijna een manifest wordt voor een derge-lijke manier van leven. ‘In het bos. Ik heb het gevoel dat alles er mogelijk is (...) Omdat er geen moraal is, geen wet, en geen bescherming door de wet. - Is alles mogelijk. Het maakt dit leven peilloos authentiek.’
Schrijven lijkt voor Foelkel dan ook wat hij in zijn eerste verhaal aan het slot stelt. ‘Wat kon ik nog doen?’ heet het daar na een verhaal over halfbroers, over een vader die bij meerdere vrouwen kinderen kreeg en die al die kinderen eigenlijk negeert (een gegeven dat in nog meer verhalen uit de bundel opduikt). ‘Ik sleutelde mijn deur open. Ging achter mijn schrijfmachine zitten. Wraak nemen’. Het schrijven is een wraakoefening, een strafexpeditie, - of liever: de schrijver zou dat willen, wraak nemen op zijn eigen verleden dat de oorzaak voor zijn huidige ontreddering is, wraak nemen op een werkelijkheid die door anderen wordt bepaald en waarop hij zelf maar geen invloed kan uitoefenen.
Heel vaak is het schrijven echter voor hem weinig anders dan juist het terughalen van het verleden, ‘de Beerput van Groeizaamheid’ die dat voor hem was, de gehoorzaamheid aan de levens en regels van anderen. Elke ontsnap-pingspoging mislukt. ‘Je niets van de wereld om je heen aantrekken. Waarom moet dat altijd eindigen met een bons,’ schrijft hij in één van de zweefvlieg-verhalen. En: ‘Het was hier de Veluwe. Dat wil zeggen: dat territorium waar-in ik opgesloten zou blijven tot aan mijn volwassenheid.’
Misschien is het de gedachte aan een wraakoefening die Foelkel ertoe heeft verleid zich zo nadrukkelijk dan ook maar niet aan de regels van de kunst te willen houden, als het ware ook wraak te nemen op wat in die werkelijkheid ‘schrijverschap’ heet, en zijn lezers een beetje te veel en te vaak op te zadelen met bedoelingen voor verhalen in plaats van met die verhalen zelf. Het effect van dergelijke trucs is echter niet dat we zijn bedoelingen daardoor intensiever ervaren, maar juist dat ons de mogelijkheid ze te ervaren wordt ontzegd.
En dat is des te spijtiger wanneer je op toch heel wat plaatsen in deze verhalenbundel de schrijver wel degelijk tegenkomt. Eén voorbeeldje: zó beschrijft hij de sfeer in een bioscoop juist als de lichten langzaam zijn gedoofd: ‘Een geknisper van snoeppapiertjes gloeide op.’ De schrijver schuilt in dat woord ‘gloeien’, waarin die zo typische sfeer in een bioscoop juist voor de film begint naast hoorbaar plotseling, als was het voor het eerst, voor mij ook zichtbaar wordt. Met zo’n zin ontsnapt de schrijver pas echt aan de werkelijkheid van de anderen en maakt hij haar tot de zijne, de authentieke, die welke hij zoekt.

22:43 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.