06-06-06

Finkielkraut Alain

DE TRIOMF VAN JOHANN GOTTFRIED HERDER
Alain Finkielkraut, De ondergang van het denken. (1987). Vert. Greetje van den Bergh. Contact, Amsterdam 1988
in: DM, 21-11-2001

Alain Finkielkrauts De ondergang van het denken wordt pas in het vierde en laatste deel wat men zich eigenlijk meteen bij de titel van het boek voorstelt: ‘een vlammend essay’, zoals de flaptekst het noemt, meer precies: een met veel hoon en spot geschreven portret van onze huidige, door Finkielkraut een beetje tendentieus ‘postmodern’ genoemde tijd. Die titel lijkt immers van meet af aan koren op de molen te zijn voor nostalgische en juist daardoor zo vaak verbitterde cultuurdragers die de waarden van vroeger teloor zien gaan in een snelle, al te snelle, op louter consumptie en de directe bevrediging van behoeften gerichte tijd waarin bijvoorbeeld van het ooit gekoesterde ideaal van vrijheid alleen de vrijheid is overgebleven om met de afstandsbediening van kanaal te wisselen. Woorden als ‘infantiel’, ‘regressie’ en ‘triomf van de stompzinnigheid’ vallen hier regelmatig te lezen. En uiteindelijk, in een korte passage met de titel ‘Leeghoofden en fanatici’ volgt de voor de oer-conservatief, degene die van mening is dat Shakespeare en popmuziek níet op gelijke hoogte staan, waarschijnlijk verlossende zin: ‘Zo heeft de barbaarsheid zich uiteindelijk meester gemaakt van de cultuur’. De slotzin van het boek - ‘het denkende leven maakt geleidelijk plaats voor de verschrikkelijke en bespottelijke confrontatie van fanatici en leeghoofden’ - is dan zoiets als de slagroom op de taart.
Want de bevestiging van de catastrofe die zich in het intellectuele leven voltrokken zou hebben, schenkt de cultuurpessimist een merkwaardige voldoening: zij stelt hem in het gelijk en geeft hem munitie voor zijn reactionaire pleidooi voor het Herstel van Waarden. En er lopen blijkbaar veel, zich tot het weldenkende deel der natie rekenende lieden rond, want De ondergang van het denken was een verkoopsucces. Het onbehagen met de hedendaagse cultuur - een onbehagen dat veel te maken heeft met de wijze waarop in die cultuur geestelijke waarden tot verbruiksartikelen zijn gereduceerd - is blijkbaar zelf een gegeerd artikel geworden. Iets voor fanatici, zo zou je inderdaad kunnen zeggen, die er de leeghoofden mee te lijf gaan.
En toch is Finkielkrauts boek op die manier nauwelijks te gebruiken. Je krijgt de indruk dat hij zich in het laatste deel laat gaan, dat de huidige consumptiemaatschappij, waarin ‘de vorm van oordeelsvermogen die nodig is om te kunnen denken over de wereld’ niet langer gewenst lijkt te zijn, waarschijnlijk wel de aanleiding is geweest voor dit boek, maar een gevolg van iets dat zich niet met een grommend ‘vroeger was alles beter’ laat verklaren. Hij keert namelijk terug naar 1774, toen Johann Gottfried Herder in een boek het begrip Volksgeist introduceerde en zo de uitgangspunten van de Verlichting ondermijnde. En dat leidt tot een ander vertoog dan dat van de cultuurpessimist die bij het Herstel van Waarden denkt aan ouderwets fatsoen en meneer pastoor.
De vraag die Finkielkraut centraal stelt, is wat men precies onder cultuur moet verstaan. Richt men zich daarbij op de tijdloze criteria van het Goede, het Ware en het Schone, op universele waarden die voor alle mensen geldig zijn, zoals de Verlichting deed? Of stelt men zich op het standpunt van Herder die meende dat de mens geleid wordt door klimaat, godsdienst, wetten, grondbeginselen van de regering, voorbeelden uit het verleden, zeden en gewoonten, zaken die van land tot land verschillen? En om die vraag meteen maar te actualiseren: wat stellen we ons voor bij onze huidige multi-culti-samenleving? Een samenleving die zich richt op wat voor alle mensen zou moeten gelden, of een samenleving die elk van de in een land samenlevende nationaliteiten bindt aan hun eigen nationale cultuur?
Voor Finkielkraut is duidelijk dat het laatste de praktijk is geworden. Het slechte geweten van de Europeaan tegenover de wijze waarop hij vroeger meende de rest van de wereld te moeten beschaven, waarop hij zijn westerse waarden oplegde aan ‘primitieve’ culturen, heeft gemaakt dat wat ons in de cultuur van andere, tussen ons levende volkeren eigenlijk onrechtvaardig of zelfs schandalig lijkt te zijn - clitoridectomie, om maar wat te noemen, of doodstraf voor overspelige vrouwen - accepteren als het recht van die specifieke cultuur. En hoewel dit politiek-correct lijkt te zijn, uiteindelijk betekent het een overwinning van Herders Volksgeist op de idealen van de Verlichting. En dit des te meer omdat áls er protesten worden geuit tegen bijvoorbeeld het besnijden van vrouwen, dit niet met een beroep op universeel gedachte opvattingen gebeurt, maar in het kader van meer regionaal bepaalde opvattingen. Wij Belgen, wij Hollanders, wij Duitsers, wij Fransen vinden dit barbaars , maar zijn er huiverig voor onze afkeer van deze praktijken door te trekken naar het geheel van de cultuur waarbinnen die besnijdenis eigenlijk ‘logisch’ is: gebruik, eigenheid. We begrijpen onze afkeer ook niet als de uitdrukking van bovennationale, tijdloze waarden, maar als zelf sterk door onze respectievelijke nationale culturen bepaald, die op dit specifieke punt dan misschien ‘Europees’ of ‘Westers’ zijn, maar op andere punten toch ‘typisch Belgisch’, ‘typisch Hollands’, ‘typisch Frans’. En we begrijpen dat niet zo omdat we de universele waarden van de Verlichting zelf hebben ontmaskerd als in feite regionalistisch, als uitdrukking van onze Volksgeist, kortom.
Door universele waarden als provincialismen te ontmaskeren, hebben we de weg afgesneden naar de mogelijkheid om het gevaarlijke concept van de Volksgeist te bestrijden, een concept dat onder meer de grondslag vormde van nazi-Duitsland. Om aan deze paradox te ontsnappen hebben we de grondslagen van de cultuur in hun geheel uit handen gegeven aan wat het laatste pacificeringsinstrument lijkt te zijn: de markt. De bittere ironie is dus dat we in ons streven rechtvaardig te zijn voor allen, de rechtvaardigheid als concept hebben afgeschaft. Het is een kwestie van marktwerking geworden. Niemand wil instaan voor de consequenties van een rechtvaardigheidsbegrip dat toch bokken en schapen van elkaar scheidt.
Het onbehagen daarover wordt door de één met een beroep op verdacht naar ‘Blut und Boden’ stinkende, traditionele (Belgische, Hollandse, Franse, Duitse) waarden bestreden, eventueel door middel van een grimmige keuze voor politieke partijen die voor die waarden zeggen te staan: hij is de fanaticus. Door de ander wordt het onbehagen gestild met het grote feest van de consumptie, dat hem telkens opnieuw ontslaat van zijn verantwoordelijkheid door hem een kleurige multi-culti-wereld voor te stellen waarin voor elk wat wils is: hij is het leeghoofd.

22:28 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.