01-06-06

Ferron Louis (3)

DUISTERE MYSTIEK EN MOORD
Louis Ferron, De oefenaar. De Bezige Bij, Amsterdam 2000
in: DM, 31-5-2000

Op de bodem van het omvangrijke oeuvre van Louis Ferron heerst Nacht und Nebel, drinkt men Celans “zwarte melk van de vroegte”, is de dood een meester uit Duitsland, “sein Auge ist blau”, een allesoverstralend, onmenselijk blauw dat bijvoorbeeld in Een aap in de wolken uit 1995 ergens boven de koolmonoxyde dampen van het in die, en in nog twee andere romans zo verdoemde Haarlem te vinden moet zijn en dat een gevaarlijke reinheid vertegenwoordigt, een zuiverheid die alles wat er niet aan voldoet wil uitroeien. Bij Ferron zijn we steeds in Germaanse, Teutoonse sferen, gevaarlijk dicht bij Blut und Boden, in het hart van de Duitse romantiek en het al even Duitse idealisme.
Tot die romantiek voelt Ferron zich telkens onweerstaanbaar aangetrokken, zonder dat je hem een romantische schrijver zou kunnen noemen. Integendeel, wie etiketten wil plakken komt ten aanzien van zijn werk onvermijdelijk uit bij het postmodernisme. Maar dat postmodernisme zelf lijkt in Ferrons handen ook een uitvloeisel van de romantiek te zijn, iets waarin het metafysisch grondpatroon van de romantiek nog volop werkzaam is. De gedachte dat er achter de alledaagse werkelijkheid een ware werkelijkheid schuilgaat, één die men eerder schouwt dan ziet, neemt in zijn personages vaak de vorm aan van het bewustzijn in een verhaal te leven waar men met alle geweld uit wil breken. Uitbreken uit de fictie, de weg van idee naar werkelijkheid, dat is: van woord naar vlees. En daar dreigt dan onmiddellijk een bloedbruiloft, de bloedbruiloft die de twintigste eeuw ook daadwerkelijk is geweest.
Het is beslist overdreven om nu te stellen dat Ferrons werk een dergelijke vleeswording propageert, maar het is toch vaak een riskante ‘Aufforderung zum (Todes-)Tanz’. In zijn beste werk wordt het fictieve karakter van zijn verhalen maar net teruggewonnen op een uit zijn voegen barstende, naar handelen, naar een eendimensionale ‘echte’ werkelijkheid verlangende verbeelding. Op dat moment wordt Ferron een haast griezelige schrijver, één die men ervan verdenkt zijn potlood te slijpen met een slagersmes.
Hij ‘moest nu maar eens naar huis’, zo staat het bedrieglijk onschuldig omschreven in het eerste deel van De oefenaar, Ferrons nieuwste roman. Ze komen uit de mond van de zestigjarige Otto Sterkenburg die naar hem onbegrijpelijke beelden op tv zit te kijken en onderwijl zijn leven aan zich voorbij ziet trekken. Hij heeft een lange mars door de onderwijsinstituties achter de rug, werd van onderwijzer leraar en uiteindelijk, na een dissertatie over de Duitse romantische dichter Clemens von Brentano net geen hoogleraar, al verwerft hij faam in academische kringen. De romantiek vertegenwoordigt voor Otto een ‘frisse zoelte’ die hij herkent als ‘zijn eigen wereld, maar dan ontdaan van de kleinhartigheid van zijn vader en de toch wat lachwekkende pretentie van zijn moeder’. Ze biedt verlossing uit de kleinburgerlijkheid waarin hij werd geboren en die in schril contrast staat tot de gymnasiale, wat brallerige allure van zijn vriend Arthur Kerckaert die, komend uit een gegoed milieu, flierefluitend zijn studie voltooit en het vervolgens tot beroemd schrijver brengt.
Daarmee zijn de sociale coördinaten uitgezet: die van het Spießbürgertum en het daarin altijd voorhanden ressentiment dat, zo leest men vaak, in het verleden regelrecht leidde tot rechts- én links-radicalisme, tot nazisme en RAF. Otto’s opvatting van romantiek dient zijn verlossing uit dat bekrompen bestaan, een verhevenheid boven alles, maar zonder de praktische consequenties die het in de geschiedenis had, ook al verschaft de gedachte dát de romantiek die consequenties gehad heeft hem een ‘pijnlijk genot’.
Brentano vormt daarbij zijn brandpunt. Maar dan wel de Brentano die samen met zijn vriend Achim von Arnim Des Knaben Wunderhorn uitgaf, een verzameling volksliederen vol van de inmiddels tot clichés verworden typisch romantische motieven. Niet de Brentano die ‘in het gat van zijn eigen existentie’ viel. Waar metafysica politiek wordt moet men oppassen, maar het romantisch verlangen raakt ook aan de religie. Brentano bekeerde zich in 1817 tot het katholicisme en zat wat later bijna zes jaar lang aan het bed van de gestigmatiseerde non Anna Katharina Emmerick - een periode in Brentano’s leven die Otto altijd heeft genegeerd. ‘Wat hij in Brentano, in Schelling, in Tieck had gezocht was de eenvoud, de idylle, ja, hij kon het niet ontkennen... de vlucht. Wat hij bij Brentano dreigde te vinden was de vlucht uit de vlucht, de keerzijde van de gezochte paradijzen. Gebieden die je maar beter aan obscure theologanten kon overlaten.’
De beide mogelijkheden om te ontsnappen aan het kleinburgerdom lijken dat burgerdom alleen maar des te meer te bevestigen. In de poging dat te ontlopen - en dat is eigenlijk een poging om volstrekt souverein te zijn - heeft Otto het leven zelf uit zijn verhaal weggestreept; hij leeft een fictie. Niet alleen de beelden op tv zijn onbegrijpelijk en onwerkelijk, ook zijn eigen leven is dat. Zijn ‘levenslange reisgenoot Brentano’ is zijn ‘worgengel’ geworden. En dat doet hem zeggen dat hij nu maar eens naar huis moet. Zijn verlangen moet van denkspel werkelijkheid worden. Woord moet vlees worden.
Om die vleeswording te beschrijven tapt Ferron in het tweede deel van de roman uit een ander vaatje. Is het eerste deel te lezen als innerlijke monoloog van Otto, in het tweede deel lijken we plotseling in een Duitse Krimi á la Derrick beland te zijn. Kriminalinspektor Bodde onderzoekt de verdwijning van een pastoraal werkster te Dülmen, niet toevallig de plaats waar Brentano bijna twee eeuwen eerder aan het bed van de gestigmatiseerde non zat. Niet toevallig dat hij Bodde heet, net als de hoogleraar chemie die in 1813 de non onderzocht en concludeerde dat zij simuleerde. Niet toevallig dat de verdwenen pastoraal werkster ooit een scriptie over Brentano en de non schreef, die zij opstuurde naar Otto. Niet toevallig dat Otto te Dülmen opduikt en met de pastoraal werkster in contact komt. Zodat het geen wonder is dat men al snel denkt dat Otto de pastoraal werkster heeft vermoord.
Een ondubbelzinnig bewijs krijgt men daarvoor niet. Aan het slot van dit deel ligt een spontaan bloedende Sterkenburg in een psychiatrische inrichting; zijn gezicht heeft vrouwelijke trekken. Die van de pastoraal werkster? Van de non? Van beiden, samengesmolten in zijn eigen verbeelding als ze zijn? In ieder geval is de nu zelf gestigmatiseerde Otto de belichaming van de beide uiterste consequenties van het romantisch verlangen: van duistere mystiek en moord. De moordenaar die zijn slachtoffer wordt; het slachtoffer opgegaan in de moordenaar.
Het is op dit punt, in het derde deel, dat Arthur Kerckaert, Otto’s schrijvende vriend, weer in beeld komt. Hij is gedurende de roman steeds het contrapunt geweest, behept met hetzelfde verlangen naar absolute souvereiniteit als Otto. Zijn schrijverschap is pas geslaagd ‘als hij heel de wereld tot zetstuk van zijn megalomane mise-en-scène’ heeft gemaakt. Otto is in zijn romans vaak zo’n zetstuk geweest, en Ferron suggereert dat de hele roman tot nu toe uiteindelijk uit de pen van Kerckaert komt, die, zo is de suggestie, zelf in zijn verbeelding, namelijk dit boek, is opgegaan.
Zo wordt dus ook hier het fictieve teruggewonnen op de praktische consequenties van de verbeelding, alleen zie je dat deze keer al van heel ver, eigenlijk vanaf het tweede deel, aankomen. De gebruikelijke formulering bij dit soort truuks is dat je als lezer ‘op het verkeerde been’ wordt gezet, dat je al die tijd in iets hebt geloofd dat uiteindelijk ‘maar verbeelding’ is. Maar de kracht van Ferron - misschien zelfs: de kracht van literatuur tout court - ligt in de Nacht und Nebel die over ons neerdaalt als het werkelijkheidsgehalte van verhalen onbeslist blijft, als de praktische consequenties van een juist daardoor gevaarlijk verlangen een reële mogelijkheid blijven. Dat is in deze roman, die natuurlijk toch bewondering afdwingt vanwege de ingenieuze constructie en de vaak schitterende stijl, maar heel even het geval.


AZUREN HEMEL
Louis Ferron, Een aap in de wolken. De Bezige Bij, Amsterdam 1995
in: NvhN, 27-10-1995.

Als ik het goed zie, dan is Louis Ferron bezig aan een wonderlijke reeks min of meerautobiografische romans. Het zojuist verschenen Een aap in de wolken lijkt namelijk een vervolg te zijn op het in 1993 verschenen (met de Bordewijkprijs bekroonde) De walsenkoning, een schitterende roman die volgens de ondertitel 'een duik in het autobiografische' was en waarin de hoofdpersoon inderdaad Louis Ferron heette, al was hij dan niet zozeer de schrijver die wij al kenden, maar een met vervroegd pensioen gestuurde chef streekredactie van de Kennemer Bode.
Een aap in de wolken líjkt een vervolg, zeg ik, want in deze roman vinden we weliswaar diezelfde pensionair terug (en net als in De walsenkoning dwaalt hij weer door een door hem hevig vervloekt Haarlem, zij het dit keer met een Jack Russell-terriër aan een riempje, en ook nu dient dat eindeloze dwalen om niet ál te vroeg in een café terecht te komen), maar toch heb ik niet het gevoel dat beide romans afleveringen van een feuilleton zijn. Veeleer lijkt Een aap in de wolken het levensverhaal van de Ferron uit de vorige roman te vervángen. Alsof deze nieuwe roman over de vorige is heengeschreven.
Er is in ieder geval in deze roman veel gelijk aan de vorige, al liggen de accenten anders. Waar in de vorige roman de harteloosheid van de moeder en de afwezigheid van de vader een centrale rol speelden, daar blijven deze zaken nu wat meer op de achtergrond. Waren in De walsenkoning Andrea en Esther de vrouwen die Ferron duidelijk maakten dat hij voor het leven meer dan ongeschikt was, in Een aap in de wolken is het Rosa. En in deze roman gaat het om de Ferron die ooit schilder wilde worden, een element dat in de vorige roman volledig ontbreekt.
Maar vervanging of niet — ook nu blijken de herinneringen die bovenkomen een allesverwoestende kracht te hebben. 'Er is het gif van het al wandelend vergeten te vergeten', zo heet het op een zeker moment, en vergeten is ook in deze roman weer de opdracht: 'Glücklich ist, wer vergisst, was doch nicht zu ändern ist'. Zoveel geluk heeft deze Ferron niet.
Wat bovenkomt is niet alleen allesverwoestend omdat de herinneringen duidelijk maken hoezeer verwachtingen van vroeger nooit werden ingelost, maar vooral omdat blijkt dat Ferron iedere mogelijkheid ze in te lossen zelf om zeep heeft geholpen. Hij is iemand die wat hij heeft kapot wil maken, die de liefde die Rosa hem toedraagt niet aankan en zelfs niet verdraagt. Hij kwetst haar moedwillig, als was het om haar te dwingen dat te doen wat ze uiteindelijk ook doet: hem verlaten. Alleen dan wordt bevestigd wat voor Ferron blijkbaar van meet af aan het geval is: dat de liefdeloosheid zijn lot is.
Ferron zou Ferron niet zijn (ik heb het nu weer over de schrijver) als deze bittere pil,dit zelfdestructieve, suïcidale aspect, er niet nog een verdiepinkje bijgekregen had. Dat het personage is zoals hij is, kun je psychologisch duiden (het is de schuld van de moeder: 'vanaf mijn verwekking heeft ze mijn aanwezigheid ontkend'), maar tegelijkertijd vertegenwoordigt hij ook een algemeen cultureel aspect: dat van het (bij Ferron altijd) Duitse idealisme. Boven alles zweeft het absoluut Reine, een azuren hemel die van alle smetten die het leven nu eenmaal aankleven, is gezuiverd. Dat absoluut zuivere heeft het personage Ferron nog een tijdlang gezocht: het was het blauw dat hij als schilder, later als dichter tot uitdrukking wilde brengen, het blauw dat ergens boven de 'koolmonoxydale dampen' van Haarlem te vinden moest zijn. Hij vindt het niet, natuurlijk. Niet voor niets luidt de ondertitel van déze roman: 'de niet zo vrolijke ballade van een monter ingezet kunstenaarschap'.
Uiteindelijk is de kunstenaar voor het personage Ferron een in de wolken klimmendeaap, maar dat klimmen, dat zoeken naar het absoluut zuivere — van vreemde smetten vrij — is even kenmerkend voor zijn karakter als de liefdeloosheid die hij als zijn onontkoombare lot ervaart. Het maakt van Ferron niet alleen een beklagenswaardige en vaak ronduit irritante, hufterige, cynische klootzak, maar ook een buitengewoon ongemakkelijk personage dat in zijn uitlatingen soms gevaarlijk dicht in de buurt van de clichés van de gemiddelde CD-stemmer komt. Verlangen naar zuiverheid kan immers leiden tot verlangen het 'onzuivere' dan maar op te ruimen, zo weten we uit de geschiedenis.
Het is een ongemakkelijkheid die ik als lezer bij veel van Ferrons werk ervaar, maar die zich niet zo gemakkelijk laat ombuigen in een wat al te simpele veroordeling op grond van zogeheten politiek-correcte opvattingen. Daarvoor is te duidelijk dat het personage tegelijkertijd het cynisme van een (onze) hele cultuur vertegenwoordigt, een cultuur die haar best doet de eigen geschiedenis maar zo snel mogelijk te vergeten. Het 'vergeten te vergeten' maakt zo beschouwd van die ronddwalende Ferron het geweten van een hele cultuur en van Haarlem het centrum van de westerse wereld. Dat geeft bij zo'n hufter (en misschien moet je ook zeggen: bij zo'n stad) toch te denken...


WEENSE WALSEN OM HET GEKERM VAN DE STERVENDEN TE OVERSTEMMEN
Louis Ferron, De walsenkoning. De Bezige Bij, Amsterdam 1993
In: NvhN, 14-1-1994

De Walsenkoning. Een duik in het autobiografische diepe, zo heet de nieuwe roman van Louis Ferron voluit. De titel zal trouwe Ferron-lezers verbazen. En ook onmiddellijk wantrouwig maken. Ferron is er de schrijver niet naar om in romanvorm verslag te doen van zijn eigen levensgeschiedenis. Het biografische feit dat de in 1942 geboren Ferron een Duitse vader had, verklaart het motief van de 'Vatersuche' in vrijwel al zijn romans en verhalen, maar het is een zoektocht die gewoonlijk de vorm aanneemt van een obsessie met de Duitse geschiedenis, met name voor de periode van het nazisme en wat hij beschouwt als de wortel daarvan: de Romantiek. Zijn personages waren tot nu toe niet aan hemzelf gelijk te stellen. Zou dat in dit boek ineens anders zijn? Het lijkt er op. Heel even.
De hoofdpersoon van De Walsenkoning heet Louis Ferron, is net als de schrijver juist de vijftig gepasseerd en heeft een Duitse vader gehad. Maar hij is geen schrijver. Hij is een mislukte, met vervroegd pensioen gestuurde chef streekredaktie van de Kennemer Bode, die meedeelt in een roman of autobiografie niets dan ijdelheid te zien, 'niets dan lafheid ook. Al of niet gesubsidieerd onvermogen de zaken onder ogen te zien zoals ze zijn’. Deze Louis Ferron is niet de Louis Ferron die dit boek schreef.
De Ferron in het boek doet weinig anders dan dwalen door de stad Haarlem, stad van wind en regen, van omgeklapte paraplu's, van achterbaksheid en benepenheid. Hij is het hele boek lang op weg naar Noord: 'Ik moet naar Noord. Op zoek. Naar de oorzaak van het een of ander'. Daar, in Haarlem-Noord, ligt de verklaring voor zijn mislukking in het leven, voor zijn bitterheid, zijn drankzucht, zijn wurgende angst en onvermogen, en voor zijn enige overtuiging: 'Alleen het onbetrouwbare is betrouwbaar, de rest is oplichterij.’ Het boek staat vol varianten op deze uitspraak.
Ferron heeft geen greep op de dingen en wil eigenlijk maar één ding: het tegendeel van wat hij het hele boek door doet. Hij wil vergetelheid. 'Het volmaakte geluk. Niet meer dan kop en staart te zijn, niets daar tussenin.’ Zijn kroegentocht door Haarlem lijkt daartoe een poging; het is een dwalen waarin de tocht naar Noord wordt uitgesteld. Maar tijdens dat dwalen doet hij niets anders dan in een zwartgallige monoloog herinneringen ophalen. Aan zijn moeder vooral, de eerstverantwoordelijke voor zijn onvermogen te leven, simpelweg te zijn. Een moeder die hem zijn hele leven heeft willen ontkennen, hem meegaf aan de vrouw van de Duitser die zijn vader was, hem weer terughaalde uit Duitsland en bij zijn grootouders onderbracht, hem steeds het huis uitstuurde wanneer ze weer een nieuwe geüniformeerde man had weten op te duiken (politieagent, buschauffeur, tramconducteur, trompettist bij de fanfare, taxi-chauffeur), maar hem ook steeds weer terughaalde om hem in te peperen dat hij nergens voor deugde.
Het is een ontkenning die diepe sporen heeft nagelaten, die heeft geleid tot de mislukking van zijn eigen relaties. Die met Andrea, een vrouw die haar leven volkomen in de hand lijkt te hebben (een haast mathematische geest) en juist daardoor de zuiverste ontkenning van Ferrons verleden had moeten worden. Maar bij de eerste tekenen van het verlies van controle legt Ferron haar genadeloos op de pijnbank. Met Esther, die hij na de dood van zijn moeder leert kennen. 'Ongereptheid, zuiverheid. Honger' is ze, één en al lichaam en in staat Ferron de gelukzalige vergetelheid te bezorgen, — een vergetelheid die hij niet aankan.
De Walsenkoning is een verwoestend portret van een man die alles wat hij denkt en zich herinnert van zich af probeert te houden. Bijvoorbeeld door Weense walsen tussen zijn tanden te fluiten terwijl hij met zijn vingers de driekwartsmaat trommelt. Want de wals, dat is de kampmuziek van weleer, die het gekerm van de stervenden moest overstemmen. 'De wals is de muziek van de dood. Misschien is dat wel de reden dat ik er zo verzot op ben.’ Omdat 'de dood de meest ideale vorm van leven is'.
Je zou zeggen dat het hem niet lukt hier zijn eigen herinneringen te overstemmen. Maar dat is nog maar de vraag. 'Ik kan me niets van dit alles herinneren', staat er opeens tussen de herinneringen door, en: 'Alles is vergeten. Niets is gebeurd'. Het zijn die opmerkingen die je als lezer bewust maken van het feit dat je hier een roman leest die niet door de man die hier aan het woord is geschreven kan zijn. Het personage Ferron loopt alleen maar door zijn verdoemde Haarlem, drinkt wat, kijkt wat, fluit een walsje. Om maar niet te hoeven denken wat hier opgeschreven staat. Hij is niet als zijn vriend Metz, romanschrijver, die aan het slot van deze roman tegen Ferron zegt: 'wat je opschrijft is niet meer dan een belachelijke, intreurige inversie van de klucht die je voor ogen stond. Dat is wat me het meest deprimeert, Lou: wat me zieker maakt dan jij je ooit voelen zult: in wezen kun je jezelf niet overdragen. Dat is nog nooit iemand gelukt'. Is het misschien Metz die dit verhaal heeft geschreven? Of is de schrijver Ferron hier opgesplitst in het personage Ferron en Metz, die zich tot elkaar verhouden als Georg Büchner tot de krankzinnig gestorven Duitse dichter Lenz (Büchner schreef daarover o.a. de novelle Lenz, en daarnaar wordt in dit boek verwezen). En 'Metz', dat lijkt qua klank sterk op März, een roman van Heinar Kipphardt over de Oostenrijkse dichter Herbeck (ook krankzinnig). Hetzijn verwijzingen die de roman weer in een weidser perspectief plaatsen dan dat van enkel een particuliere geschiedenis. Die van de onmogelijkheid te leven weer zoiets als een cultuurprobleem maken, niet alleen een persoonlijk probleem. En daarmee is de trouwe Ferron-lezer weer thuis. Daarmee heeft Ferron zelf een nieuwe, waardevolle roman aan zijn oeuvre toegevoegd.


11:18 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.