31-05-06

Faverey Hans (4)

MEEDOGENLOZE SCHOONHEID
Verzamelde gedichten van Hans Faverey

Hans Faverey, Verzamelde gedichten (editieverantwoording Marita Mathijsen). De Bezige Bij. Amsterdam 1993.
In: NvhN, 26-2-1993.

Begin deze maand verscheen bij De Bezige Bij de Verzamelde gedichten van Hans Faverey (1933-1990), — bijna 750 pagina's dundruk, waarin behalve de acht bij Favereys leven gepubliceerde bundels ook nog een zestal verspreide gedichten werd opgenomen.
Van de gedichten van Faverey is vaak gezegd dat ze niets willen meedelen, dat ze niet de beschrijving van iets anders willen zijn, maar 'zichzelf'. Een dergelijke karakterisering van Favereys poëzie heeft mij altijd verbaasd. Ik weet wel dat als het er om gaat Favereys gedichten in te delen bij één van de in het huidige literaire klimaat voorhanden poëzieconcepties, men Faverey eerder tot de 'hermetici' moet rekenen (op wie bovenstaande karakterisering van toepassing zou zijn), dan tot de stroming van de meer 'anecdotische' poëzie. Maar als ik een karakterisering van Favereys poëzie zou moeten geven, dan ben ik toch geneigd om te stellen dat Favereys gedichten iets willen meedelen en dat ze de beschrijving zijn van niets anders dan de dichter zelf. Ik wil daarmee niet ontkennen dat er tussen Favereys poëzie en die van de 'anecdotisten' een verschil blijft bestaan, maar dat is in ieder geval niet het verschil tussen poëzie die wel 'iets meedeelt' en poëzie die 'niets zegt'. In beide gevallen gaat het om de uitdrukking van wie of wat de dichter is; het verschil schuilt in de wijze waarop de dichter zich heeft uitgedrukt.
Nu is het onvermijdelijk dat men bij Favereys poëzie al heel snel komt te spreken over het mechaniek dat er aan ten grondslag zou liggen: over zijn gebruik van paradoxen en tautologieën, over woordspelletjes waarin spreekwoorden en gezegden vaak op humoristische wijze worden verhaspeld, over de wijze waarop hij refereert aan en speelt met de filosofie van presocratici als Zeno, Heracleitos, Xenophanes of Ebulides van Megara. Wie iets over zijn gedichten wil zeggen, komt niet om het hoe ervan heen, en stelt dan bijvoorbeeld dat Faverey in zijn gedichten allerlei ontregelingstactieken toepast, die dienen om dat wat hij in het gedicht opbouwt tegelijkertijd weer ongedaan te maken. Zijn gedichten zijn 'kamikazefiguren', zo merkte ooit iemand op.
Hoe juist een dergelijke conclusie mij ook lijkt, men komt daarmee toch weer gevaarlijk dicht in de buurt van een karakterisering van Favereys werk als poëzie die niets wil meedelen. Ik zou op dit punt een stapje verder willen gaan en willen stellen dat juist die kamikazefiguren de uitdrukking zijn van wie of wat Faverey was: een voortdurend stervend mens, dat is, voor wie dat goed verstaat: een mens die leeft. Faverey schreef zijn poëzie niet om uit te komen bij de totale afwezigheid, zoals men op grond van de kamikazefiguren zou denken, maar om uit te komen bij de totale, niet te ontkennen aanwezigheid.
Favereys gedichten voltrekken steeds dezelfde beweging: er is het verlangen het verstrijken van de tijd en dus ook de eigen sterfelijkheid tegen te gaan; dingen, mensen, zichzelf, te vereeuwigen in de woorden van het gedicht. Maar eenmaal opgenomen in de woorden van het gedicht, beseft de dichter dat hij zo alles tot stilstand heeft gebracht, aan het leven heeft onttrokken ('dood' gemaakt), en ziet hij zich genoodzaakt zijn eigen gedicht weer af te breken om dingen en mensen weer aan dat leven terug te geven. Niet de eeuwigheid was zijn bedoeling, maar het leven zelf. Alleen door tegelijkertijd op te bouwen en af te breken, kan hij in zijn gedichten naderen tot wat hij eigenlijk wil: het bewegen dat het leven is, als beweging in zijn gedicht brengen. Een paradoxale bezigheid, die prachtige en mij vaak ontroerende gedichten heeft opgeleverd.
Zoals bijvoorbeeld het liefdesgedicht op pagina 606, waarin de dichter tracht zijn geliefde voor het sterven te behoeden door haar te vereeuwigen in een gedicht, maar beseft dat hij haar daarmee juist zou stilzetten in de woorden van zijn gedicht, alleen als taal in zijn eigen hoofd zou kunnen hervinden, alsof, zo schrijft hij, ik niet vandaar uitging / om je te strelen, je zo te strelen. Met deze regels wordt de poging de geliefde te behoeden in een gedicht, opgegeven — en daarmee wordt dat gedicht zelf als het ware teniet gedaan. Het resultaat is echter niet de stilstand of de leegte, maar de volheid van het gevoel dat de dichter overviel toen hij aan zijn geliefde dacht, — een gevoel dat in woorden inderdaad minder duidelijk tot uitdrukking gebracht kan worden, dan in het strelen. Op dezelfde wijze tracht hij in een reeks als 'De vijver in het meer' zijn gestorven vader de gedichten in te trekken en zadelt hij zijn lezers op met de wanhoop die, denk ik, ieder mens overvalt wanneer hij zich probeert de dood, het niet-zijn, werkelijk voor te stellen.
Faverey deelt niet zozeer mee dat ons leven een voortdurend sterven is — al vindt men bij hem wel regels als: De idee dat mijn lichaam / iets uitbroedt dat mijn dood // herbergt — of dat // het hierin slechts zichzelf is — , maar wat Faverey vooral doet, is door middel van de ontregelingstactieken in de teksten die sterfelijkheid aan den lijve ervaarbaar maken. Hij lokt ons lezers met zijn teksten uit ons eigen hoofd, waarin wij ons vaak zo veilig wanen voor ons eigen almaar vervallende lichaam.
Hij doet dat niet alleen in zijn latere gedichten. Er wordt vaak beweerd dat Favereyspoëzie met de verschijning van Chrysanten, roeiers (zijn derde uit 1977) begon te veranderen: de lapidaire, raadselachtige versjes uit de bundels Gedichten (1968) en Gedichten 2 (1972) maakten plaats voor gedichten met meer verwijzingen naar zaken in de buitenwereld. Maar de nu verschenen Verzamelde gedichten maken zonneklaar dat Favereys inzet van meet af aan dezelfde is geweest, dat ook in de vroege versjes de poëzie in dienst stond van het leven, de lezer veeleer wilden laten ervaren wat leven is, dan dat ze er mededelingen over deden.
Zonder begeerte, zonder hoop / op beloning, ook niet uit angst voor straf, / de roekeloze, de meedogenloze schoonheid // te fixeren waarin leegte zich meedeelt, / zich uitspreekt in het bestaande, zo heet het in wat het laatste gedicht uit Favereys laatste bundel (Het ontbrokene) was. Die roekeloze, meedogenloze schoonheid is het leven zelf, dat zich, omdat het in zijn aard beweging is, niet laat fixeren, dat zich alleen laat zien als wat het is: een voortdurend op weg zijn (roekeloos) naar de (meedogenloze) dood. Dat op-weg-zijn heeft nu de gestalte aangenomen van een boek, is gefixeerd, zo zou je zeggen. Maar het is een boek dat krachtens zijn inhoud wil blijven behoren tot de beweging die het leven is. Het is aan de lezer die beweging nu verder zelf te voltrekken.


AAN ZICHZELF ONTROOFD
Favereys laatste bundel

Hans Faverey, Het ontbrokene. De Bezige Bij. Amsterdam 1990.
In: NvhN, 31 augustus 1990.

Het ontbrokene, de laatste bundel van de in juli na een langdurige ziekte overleden dichter Hans Faverey, is op het sterfbed geschreven. Met deze wetenschap in het achterhoofd viel te verwachten dat een enkele recensent (Guus Middag in de NRC) in zijn bespreking deze bundel ‘de meest toegankelijke’ zou noemen van de in het totaal acht bundels die Faverey sinds 1968 schreef: het sterven, de dood en het weg zijn spelen in Het ontbrokene immers een belangrijke rol.
Met een dergelijke opmerking wordt voorbijgegaan aan het feit dat sterven, dood en weg zijn in het hele oeuvre van Faverey een belangrijke rol spelen, en stelt de recensent in kwestie dus eigenlijk dat poëzie pas werkelijk toegankelijk wordt op het moment dat de dichter in de alledaagse werkelijkheid heeft waargemaakt wat hij in zijn poëzie beschreef, — een twijfelachtig, en in dit specifieke geval zelfs abject standpunt: Favereys dood wordt hier in zekere zin tot voorwaarde voor de toegankelijkheid van zijn poëzie gemaakt. Wie aan Het ontbrokene, en daarmee aan de dichter die Faverey ook in deze laatste bundel wilde blijven, werkelijk recht wil doen, doet er goed aan de bundel zo veel mogelijk los van de biografische omstandigheden te beschouwen waaronder hij ontstond en de gedichten te zien in het licht van het totale oeuvre dat Faverey nalaat. Ik schrijf ‘zoveel mogelijk los van de biografische omstandigheden’, omdat juist een dergelijke leeshouding duidelijk maakt in hoeverre deze laatste bundel van alle voorgaande afwijkt.
Favereys poëzie kenmerkt zich door een dubbel verzet. Dat verzet geldt in de eerste plaats het besef dat alle leven een voortdurend sterven is; het gedicht wordt tegen deze sterfelijkheid ingezet: de tijd wordt gestopt in de onbewegelijkheid van de geschreven woorden. Maar het verzet geldt ook de aldus met poëtische middelen bereikte eeuwigheid, omdat een gedicht nu eenmaal niet het leven zelf is. Zo beseft de dichter in een gedicht uit Tegenhet vergeten (1988) dat hij bezig is zijn geliefde in taal te vereeuwigen en dat hij haar daarmee alleen maar in zijn eigen hoofd hervinden kan, alsof ik niet vandaar uitging / om je te strelen, je zo te strelen. Dat strelen was de bedoeling, niet dit gedicht waarmee hij haar aanvankelijk wist te redden uit de verstrijkende tijd, maar nu, onbereikbaar voor zijn handen, opsloot in een tekst. Die tekst moet weer opengebroken worden. Het effect van een dergelijk gedicht is dat hier iemand voortdurend de dood (de sterfelijkheid van het leven en de eeuwigheid in het gedicht) in de ogen kijkt en zich niet gewonnen geeft.
In Het ontbrokene ligt dat van meet af aan anders. In het eerste gedicht uit de bundel daalt een kleine soevereine spin neer in de afgrond, en schuift / mijn lichaam terzijde. Het is een spin, // die zijn landing opschort tot ik mij / uit zijn kloof heb verwijderd. Zodra hij // de bodem heeft bereikt, is dat het teken / dat de rivier zijn bron heeft bestormd. Hier kijkt men onmiddellijk in het graf en is er het besef van een einde waartegenover de mens niets meer vermag: zodra de spin de bodem bereikt, stopt onherroepelijk de tijd. Hier overheerst de gedachte dat de mens tegenover de dood niets meer kan uitrichten, en het zijn gedachten waarover de dichter opmerkt dat daarmee Geen land te bezeilen is, — gedachten die mij [...] / met steeds sterker hunkering / naar hun ontvreemde kristallen, / dreigen te ontdoen van mij als dezelfde. De hunkering geldt hier de volharding waarmee de dichter zich in zijn gedachten en gedichten voorheen tegen de dood verzette, een volharding die zelf weer een hunkering naar leven was.
Die hunkering naar leven heeft zich in deze bundel verplaatst naar een verlangen naar dat hunkeren zelf, een verlangen naar het dubbele verzet dat hier nu juist is opgegeven. Geleund op zijn riemen, // voor anker in zijn nimmer aflatende schemer, / herinnert zich mijn veerman de eeuwige / plannen voor een tunnel en glimlacht, / nog even liploos als altijd, zo schrijft Faverey nu over Charon. De tunnel onder de Styx, waarmee de oversteek van de doodsrivier, en daarmee het sterven zelf ontdoken kan worden, is en wordt niet meer gegraven. Zo wil ook de boemerang die wordt geworpen al niet meer terug, / ruikt de zee, ziet de zee, / scheert over het water // en duikt onder.
Het is deze overgave aan de dood die ons voortdurend herinnert aan de omstandigheden waaronder de bundel tot stand kwam, en die maakt dat Het ontbrokene een oeuvre afrondt waartoe het zelf niet meer behoort. Dat oeuvre láát zich niet afronden, stelt onophoudelijk de beweging centraal, en sluit een bundel waarin de dichter zich overgeeft aan de stilstand uit.
In het laatste gedicht uit Het ontbrokene komen de beweging en de stilstand nog eenmaal samen: het verzet dat hier wordt geformuleerd als datgene waarom het Faverey altijd ging, wordt gevolgd door een smeekbede die duidelijk maakt hoezeer dat verzet hier gebroken is:

Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de medogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mijn verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.


Het is een gedicht dat mij diep ontroert, omdat het laat zien hoezeer Faverey in deze laatste bundel aan zichzelf werd ontroofd. Deze bundel is dus niet ‘de meest toegankelijke’ die Faverey schreef, maar wordt pas toegankelijk in het licht van alle voorgaande bundels die deze laatste weerspreken.


OM JE TE STRELEN
In: Diepzee. Tijdschrift voor het literatuuronderwijs, jrg. 9 (1991), nr. 1 (september), p. 34-35.

Telkens moet ik van je houden,
omdat je het zo werkelijk mij
vreemde bent; even vreemd haast

als mij mijn kern, die is
een wiekslag die aanhoudt nog,
lang nadat de herinnering

aan mijn naam is vervluchtigd.
Soms, zodra ik mij indachtig word
en het begint te suizen in ons huis
en ik in de verleiding kom om je naam

te willen roepen, hervind ik je in mijn
hoofd, alsof ik niet vandaar uitging
om je te strelen, je zo te strelen.


Stel je voor: je houdt veel van iemand, en op een dag vraagt die iemand plotseling: ‘Waarom houd je eigenlijk van me?’ Dat weet je natuurlijk heel goed, maar toch is het bijna onmogelijk om op die vraag een antwoord te geven. Je kunt zeggen dat je van de ander houdt omdat hij of zij zulke mooie ogen heeft. Ongetwijfeld vind je die ogen mooi, maar is dat alles? Nee, natuurlijk niet, want je houdt nog evenveel van de ander als hij of zij een zonnebril met reflecterende glazen draagt. Nee, als je diep nadenkt over de vraag waarom je van iemand houdt, dan is het omdat die iemand is wie hij of zij is: met huid en haar, van achteren en van voren, van binnen en van buiten.
Met zo'n antwoord zijn de meeste geliefdes wel tevreden, maar stel nu dat degene van wie je houdt behalve lief en aantrekkelijk ook nog een beetje lastig is; dan kun je na zo'n antwoord de vraag verwachten: ‘Maar wie ben ik dan?’ — en dan sta je pas goed met je mond vol tanden. Want zeggen wie de ander is, is even moeilijk als zeggen wie je zelf bent. En misschien is het antwoord op de vraag wie de ander is, wel hetzelfde als het antwoord op de vraag wie je zelf bent.
Dat is, denk ik, wat de dichter Hans Faverey (1933-1990) heeft bedoeld met de eerste regels uit bovenstaand gedicht: Telkens moet ik van je houden, zo schrijft hij, omdat je het zo werkelijk mij / vreemde bent; even vreemd haast // als mij mijn kern. Je houdt van iemand omdat hij of zij een ander is, maar tegelijkertijd omdat je in dat anders-zijn van je geliefde het wezen, de kern van wat jezelf bent herkent. Maar wat het precies is dat je herkent, valt nauwelijks te zeggen.
Faverey noemt het hier een wiekslag, en een wiekslag is iets wat snel voorbijgaat. De kern, het wezen van het leven, is voor de dichter blijkbaar niet iets wat vastligt en onveranderlijk is, maar het wezen van het leven is juist dat het voortdurend voorbijgaat. Als we geboren worden, zijn we onmiddellijk op weg naar de dood: iedere seconde brengt ons een stapje dichterbij ons levenseinde. Ongeveer alsof je zou zeggen: ‘het is nu precies vijftien seconden voor twaalf’; op het moment dat je dat uitspreekt, is het inmiddels veertien, nee dertien, nee twaalf seconden voor twaalf. Zo zijn we geen seconde aan onszelf gelijk, en daarom kunnen we ook nooit zeggen wie we nu precies zijn: de kern van onszelf is ons vreemd.
Nu staat in dit gedicht dat de dichter steeds opnieuw van zijn geliefde moet houden omdat zij hem bijna net zo vreemd is als zijn eigen kern. Dat betekent dat ook de geliefde voortdurend stervende is. En als je van iemand houdt, dan is het ergste wat je je kunt voorstellen, dat die iemand op een zeker moment doodgaat. Het is even erg als je realiseren dat je zelf ooit dood zult gaan. Faverey verzet zich dan ook tegen de dood, tegen die van hemzelf en tegen die van zijn geliefde: hij schrijft een (dit) gedicht, en in dat gedicht probeert hij de tijd stil te zetten. In dit gedicht is zijn kern weliswaar een wiekslag, iets voorbijgaands, maar, zo zegt hij, het is een wiekslag die aanhoudt nog, die nog doorgaat, en zelfs doorgaat wanneer de dichter allang is gestorven (lang nadat de herinnering // aan mijn naam is vervluchtigd). Hoewel dat met elkaar in tegenspraak lijkt, klopt het toch. De dichter gaat weliswaar dood, maar de gedichten die hij heeft geschreven, blijven bestaan. En in ieder van die gedichten heeft de dichter geprobeerd om uit te drukken wie hij was op het moment dat hij ze schreef. In zijn gedicht heeft hij dat moment in woorden gevangen, heeft hij het horloge stilgezet op precies vijftien seconden voor twaalf. Als wij dit gedicht weer lezen, is het in het gedicht vijftien seconden voor twaalf, ook al is het buiten het gedicht al drie of vier uur. Of, anders gezegd: de dichter Hans Faverey is in 1990 gestorven, maar in dit gedicht is hij nog steeds aanwezig zoals hij was op het moment dat hij het gedicht schreef.
Op dezelfde wijze probeert hij zijn geliefde van de dood te redden. Hij schrijft dat zodra hij zichzelf indachtig wordt — zodra hij zichzelf realiseert dat hij doodgaat en dat zelfs het huis waarin hij woont hem geen bescherming meer biedt — hij in de verleiding komt om in dit gedicht de naam van zijn geliefde te roepen. Als hij immers hier haar naam roept, dan kan zij niet meer doodgaan, dan is zij in dit gedicht voor eeuwig aanwezig, — tenminste, zolang het gedicht bestaat.
Maar Faverey roept geen naam. Hij schrijft alleen dat hij in de verleiding komt haar naam te willen roepen op het moment dat hij zich realiseert dat hij, en daarmee ook zijn geliefde, doodgaan. Waarom roept hij die naam dan niet? Het antwoord schuilt in de laatste regels: zodra hij in de verleiding komt haar naam te willen roepen, zo schrijft hij, hervind ik je in mijn / hoofd, alsof ik niet vandaar uitging / om je te strelen, je zo te strelen. De dichter beseft dat zodra hij haar naam opschrijft, hij haar opsluit in dit gedicht, hij zijn geliefde eeuwig maakt. En hij houdt nu juist van haar, zo heeft hij gezegd, omdat zij is wie zij is: een sterfelijk wezen. Hij wil haar niet terugvinden als een naam in een gedicht, als alleen maar een woord in zijn hoofd, maar als wie zij is: met huid en haar, van achteren en van voren.
De laatste regels maken dit gedicht voor mij tot één van de mooiste liefdesgedichten die ik ken. Faverey verwoordt hier voor mij precies wat het is dat ik voel wanneer ik van iemand houd: een onmogelijk verlangen, het verlangen de geliefde (van wie ik houd omdat ze is wie ze is: zichzelf, dus sterfelijk, mens) te behoeden voor wie ze is (zichzelf, dus sterfelijk, mens). Het enige dat je dan nog kunt doen, is strelen, haar zo te strelen. En daar is het immers allemaal om begonnen?


DE VIS — DIE IS IN DE ZEE
Hans Faverey, Tegen het vergeten. De Bezige Bij, Amsterdam 1988
in: DGA, 15-3-1989.

Bij de poëzie van Hans Faverey komt men al heel snel tespreken over het mechaniek dat er aan ten grondslag ligt:over het gebruik van de paradox en de tautologie, over dewoordspelletjes waarin spreekwoordern en gezegden wordenverhaspeld, over de wijze waarop verwezen wordt naarpresocratici als Zeno, Heracleitos of Xenophanes, — zelf nietonbedreven in het hanteren van de paradox. Wie iets overzijn gedichten wil zeggen, heeft vaak geen andere keus dante praten over het hoe ervan, en over het effect dat zijbij de lezer teweegbrengen: dat van ontregeling. Zelfspreekt Faverey in dit verband luchtig over'variatietechnieken', en er zijn in zijn inmiddelsindrukwekkende oeuvre meerdere gedichten aan te wijzenwaarin de dichter zichzelf, soms met miniscule wijzigingen,citeert. Maar hoevaak men ook het mechaniek heeftblootgelegd, geen van die ontledingen verklaart waarom eengedicht van Faverey steeds opnieuw ontroert, — of dat nu hetzojuist ontlede of een volgend, nog te ontleden gedichtbetreft. Het is die ontroering die de veel gehoorde beweringdat in Favereys poëzie de taal niet naar iets buitenzichzelf verwijst, lijkt tegen te spreken. Anders gezegd:het is juist het in zichzelf beslotene van deze poëzie datmaakt dat de persoon van de dichter zich hier nadrukkelijkermanifesteert dan in poëzie die openlijke belijdenis van hetgevoel wil zijn.
Van meet af aan gaat het in Favereys poëzie om deparadoxale verhouding tussen leven en dood, om de poging hetsterven een halt toe te roepen in een tekst die het vervalkan weerstaan. ledere mens heeft zijn eigen eeuwigheid en deverleiding is groot om in de op papier tot stilstandgebrachte tijd die eeuwigheid bevestigd te zien. Zolang hijzich naar binnen keert, onttrekt de mens zich aan dewerkelijkheid waarin alles voortdurend vervalt, maar daarmeewordt hij dus ook onwerkelijk. Om te bestaan is hetnoodzakelijk een opening te maken naar buiten, en met dieopening krijgt de tijd onmiddellijk vat op de zich eeuwigdenkende mens; er is een besef van 'De idee dat mijn lichaam/ iets uitbroedt dat mijn dood // herbergt — of dat // hethierin slechts zichzelf is,’ zoals het heet in Hinderlijkegoden, Favereys voorlaatste bundel. Bij de geboorte beginthet sterven, waarmee sterven en leven onmiddellijkgelijkgeschakeld worden. Wie het sterven probeert testoppen, stopt daarmee dus het leven en doodt zichzelf. Dezich eeuwig denkende niens, de mens die de dood te lijf gaat,en de levende mens, de mens die pas door te stervenwerkeiijk leeft, komen zo tegenover elkaar te staan in eengedicht dat in zichzelf keert. Alleen zo ontkomt het aan hetverval. Maar tegelijkertijd dient het gedicht zichzelf op teheffen, moet het uittreden uit zichzelf, omdat het het levendoodt in letters die vastliggen.
De ontroering en daarmee het hoogst persoonlijke vanFavereys poëzie schuilt mijns inziens in de wijze waarop deopening naar buiten gemaakt wordt. In Favereys nieuwstebundel, tegen het vergeten, is het de geliefde die deze opening maakt. De bundel is in zijn geheel een poging de grote vergetelheid van de dood door de herinnering ongedaan te maken. De gedachte dat dit ook daadwerkelijk zal lukken wordt al in het eerste gedicht van de bundel vernietigt. Daar staat te lezen:

Uit te kunnen vallen
tegen hetzelfde

om niet;

is dat niet het voorrecht
dat een mens zich neemt,
zich toeëigent om te kunnen
vergeten dat hij zich herinnert
hoe een rode wouw verscheen

boven het tarwebos en hem
sloeg tot spitsmuis.

In dit gedicht is al onmiddellijk de scheiding zichtbaar tussen de zich eeuwig denkende mens en de in de werkelijkheid levende mens; De eerste eigent zich (wederrechtelijk, zoals zal blijken) het voorrecht van de herinnering toe die de vergetelheid van de dood wil terugwijzen. Vanuit de tweede mens gedacht is deze toeëigening van de herinnering een vorm van het vergeten van de eigen sterfelijkheid, en daarmee wordt de leugenachtigheid van de eerste aan de kaak gesteld. Vandaar dat in de eerste regels het herinneren, het vermogen uit te vallen tegen hetzelfde, ‘om niet’ genoemd wordt. Verlangen en de onmogelijkheid dat verlangen te vervullen gaan hier hand in hand; wat rest is de wanhoop die achter deze schijnbaar zo evenwichtige tekst tevoorschijn komt.
Die wanhoop wordt klemmender wanneer Faverey tracht zijn verlangen in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid die dat verlangen vernietigt en de geliefde als archimedisch punt neemt. Door haar telkens weer te zien, blijft de dichter zich herinneren en kan hij hopen dat hij bestaat. Haar werkelijke verschijning bevestigt keer op keer de herinnering die de dichter van haar heeft. De onoplosbare tegenstelling tussen gedicht en werkelijkheid maakt echter dat die geliefdce alleen als afwezigheid, of als doodsgodin kan verschijnen. In de reeks met de veelzeggende titel ‘Persephone, herrezen’, leest men:

Telkens moet ik van je houden,
omdat je het zo werkelijk mij
vreemde bent; even vreemd haast

als mij mijn kern, die is
een wiekslag die aanhoudt nog,
lang nadat de herinnering

aan mijn naam is vervluchtigd.
Soms, zodra ik mij indachtig word
en het begint te suizen in ons huis
en ik in de verleiding kom om je naam

te willen roepen, hervind ik je in mijn
hoofd, alsof ik niet vandaar uitging
om je te strelen, je zo te strelen.


De geliefde waarmee de dichter zich wil verenigen, die de verlangde eeuwigheid verplaatst van het gedicht naar de werkelijkheid, wordt hier getransformeerd tot de doodsgodin Persephone. Alleen zo is zij bereikbaar. Daarbuiten valt zij toe aan het verval, de sterfelijkheid die haar en de dichter wil wegdoen. De paradox is verstikkend: verlangen leidt tot sterfelijkheid of mondt uit in dood.
In sommige gedichten uit de bundel tracht Faverey zichzelf hieruit te bevrijden, bijvoorbeeld wanneer hij zichzelf de overbodige vraag stelt: Is hetzelfde dan niet goed genoeg. En even verder in hetzelfde gedicht: is het goed om lief te hebben, / en zich te hechten aan het / sterfelijke. Deze vragen zijn overbodig omdat ze juist voortkomen uit het verlangen naar het andere dat hier de geliefde is. Zo zegt hij in een ander gedicht de doodsgod Nergal de wacht aan, waarschuwt hem voor zijnj vernietigende arbeid: Ik waarschuw je: wil dit / niet doen, Nergal, anders / zwijg ik je dood.
De problematiek die Faverey in Tegen het vergeten aansnijdt, verschilt niet van die in zijn vorige bundels; ook het mechaniek dat zijn poëzie maakt tot wat zij is, blijft gelijk, ook al moet het in ieder gedicht blootgelegd worden. Het is de geliefde die hier aan elk gedicht de ontroering geeft, de wijze waarop zij steeds opnieuw wordt opgeroepen en bijna, als bijna mooie mooie vrouw, tastbaar wordt. Maar ook de lezer verliest haar keer op keer, wordt zichzelf indachtig, de verschrikking ingebouwd in hem; wordt als de visser in één van de prachtigste gedichten uit de bundel:

Met de andere kant van zijn bijl
zijn lood bewerkend, het plettend,
om te kunnen vergeten dat hij is

een kind des doods dat zijn net

wil verzwaren. Net zolang tot het
opeens zover is en de onverdwenene
in mijn kamer staat, mij in zich
opneemt; nog liegt of ik ben

en hoe. Zoals men wel vraagt
aan een visser die met niets terug komt:
waar of de vis is. En dat hij antwoordt
zonder wrevel, zonder naijver:
de vis — die is in de zee



13:39 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.