30-05-06

Eco Umberto

PLEIDOOI VOOR DE MOGELIJKE WERELD
Umberto Eco, Het eiland van de vorige dag. Vert. Yond Boeke en Patty Krone. Bert Bakker, Amsterdam 1995.
In: NvhN, 13-1-1995.

Iemand van weinig woorden heeft misschien een grotere wijsheid dan iemand met veel spraakwater, maar zijn wereld is dan ook een stuk kleiner, zo dacht ik tijdens het lezen van Umberto Eco's nieuwste roman, Het eiland van de vorige dag. Het is een roman waarin de wereld zo bloemrijk beschreven wordt dat zij ongeveer honderd keer groter lijkt te zijn dan men op grond van de ons van vandaag de dag bekende gegevens voor mogelijk had gehouden.
Eco stapelt in zijn boek vergelijking op vergelijking, rijgt uitweiding aan uitweiding enmaakt zoveel gebruik van neologismen en vreemde spelwijzen dat ik bij de zin: 'hij had geen belul waar hij zich bevond', niet onmiddellijk aan een drukfout dacht. Naastwoorden als 'bloeisem', 'applaudissement' en 'toenarij', zou 'belul' immers heel goed een wat buitennissige spelling kunnen zijn die iets extra's toevoegt aan ons vertrouwde 'benul'. Zoals 'bloeisem' het midden houdt tussen 'bloeisel' en 'bloesem' en daarmee iets heel anders wordt dan die beide zaken. En zoals een 'applaudissement' mij heel wat dankbaarder en voornamer in de oren klinkt dan het banale handgeklap van een 'applaus'.
De bloemrijke stijl van de roman heeft alles te maken met de stelling die één van depersonages in het boek op een zeker moment uitspreekt: dat kunstige welbespraaktheid de enige manier is om het heelal te begrijpen. En het begrijpen van het heelal is wat de hoofdpersoon, Roberto de la Grive, zich ten doel heeft gesteld. Dat is niet weinig, maar hij leeft dan ook in de 17de eeuw, een tijd waarin het geloof in universele antwoorden weliswaar tanende, maar nog niet opgegeven was. Die antwoorden zelf hielden het midden tussen een wetenschappelijke verhandeling, een filosofisch of theologisch betoog en een literair verhaal. Wetenschap, filosofie, theologie en literatuur waren in de 17de eeuw nog niet de scherp van elkaar gescheiden specialismen die zij vandaag de dag zijn geworden.
Wie de soms briljante, maar altijd spitsvondige betogen in Het eiland van de vorige dag leest, kan gemakkelijk tot de conclusie komen dat wij vandaag de dag veel moeten missen. Het is een genoegen om ene pater Wanderdrossel een absurde theorie te horen verkondigen over de vraag hoe er tijdens de zondvloed in slechts 40 dagen zoveel water op aarde kon komen dat zelfs de hoogste bergen onder de oppervlakte verdwenen. Dat zoiets natuurkundig niet mogelijk was, wist men in de 17de eeuw al, maar desalniettemin lukt het deze pater het bijbelverhaal natuurkundig te bewijzen.
Hij maakt daarbij gebruik van de 180ste lengtegraad, ook wel de datumgrens genoemd. Langs die lijn wordt de aarde als het ware in tweeën gedeeld, en in theorie betekent dit dat je op dat punt van vandaag naar gisteren of van vandaag naar morgen kunt kijken. Volgens Wanderdrossel heeft God al het water dat zich aan de kant van gisteren bevond naar vandaag overgeschept en zo de hoeveelheid water van vandaag verdubbeld. Als je dat 40 dagen achter elkaar doet, wordt het hier wel erg nat, inderdaad.
Wij twintigste eeuwers weten inmiddels dat de datumgrens maar een fictieve grens is, een constructie die we nodig hebben om de 360 lengtegraden van de aardbol te berekenen en zo op zee te kunnen navigeren. Maar de 17de eeuwers in Eco's boek kennen aan elke constructie van de geest nog een werkelijkheidswaarde toe. En zoals natuurkundige theorieën uit die tijd nogal literair lijken, zo kon literatuur natuurkunde worden.
Het is die tegenstelling die Eco in zijn roman heeft uitgebuit. Je kunt zeggen dat het boek zich precies op de grens van fictie en werkelijkheid bevindt. Dat valt in het boek samen met het gegeven dat het verhaal zich grotendeels afspeelt op een verlaten schip dat juist bij die datumgrens tussen twee eilanden ligt. Op dat schip is Roberto terechtgekomen na schipbreuk te hebben geleden op weer een ander schip, waar hij als spion aan boord was. Zijn opdracht was uit te vinden welke methode enkele van de opvarenden hadden ontwikkeld om vast te stellen waar die 180ste lengtegraad precies liep.
Het zoeken van die lengtegraad was toentertijd een belangrijke politieke kwestie. Breedtegraden kon men wel berekenen, maar als je niet wist op welke lengtegraad je je bevond, kon je de nieuwe eilanden en landen die je ontdekte later niet terugvinden. En die eilanden bevatten rijkdommen; het waren de toekomstige koloniën, immers. Het vinden van de datumgrens betekende macht.
Deze machtsstrijd draagt in de roman zorg voor de ontwikkelingen: de gebeurtenissen die hebben gemaakt dat Roberto op dit schip terecht kwam en die hij ons zelf vertelt. Of liever: de verteller spiegelt ons voor dat hij zijn verhaal vertelt aan de hand van een manuscript dat aan Roberto toebehoort zou hebben. Dat manuscript bestaat uit een serie brieven die Robert aan zijn Dame schrijft (die hij nooit heeft bezeten, overigens, en die grotendeels hersenschim blijft). Ze zijn een mengeling van logboek, filosofisch betoog en wetenschappelijke verhandeling. En alsof dat niet genoeg is, bevat het manuscript zelf ook nog een roman van Roberto, waarin zijn werkelijkheid en zijn fantasie voortdurend door elkaar lopen.
Roberto wil niets anders dan de schrijvers, wetenschappers en denkers uit alle eeuwen: een soort Theorie van Alles. Het gaat om het streven van alle mensen sinds de uitvinding van god: zelf god te worden, de tijd en daarmee de sterfelijkheid te overwinnen. Waar kan men zich dan beter bevinden dan op de datumgrens, met zicht op een eiland van een vorige dag. Als men dat weet te bereiken, kan men ingrijpen in de gebeurtenissen. Men komt immers uit de toekomst en weet wat er die dag zal gebeuren. Men kan het voorkomen of juist bewerkstelligen. Men is dan een god.
Alle wonderlijke theorieën in het boek zouden hun waarde kunnen bewijzen als het maar lukte om dat zo nabije eiland te bereiken. Natuurlijk lukt dat niet. Er is geen sloep, geen materiaal voor een vlot en Roberto kan niet zwemmen. Als hij zichzelf dat leert, stuit hij halverwege op een onneembaar koraalrif. Hij zit gevangen in zijn eigen heden, zoals hij gevangen zit tussen theorie — wat hij over de wereld denkt, zijn 'ficties', zeg maar — en praktijk: de werkelijkheid zoals zij werkelijk is, wat niemand weet. Daar ontstaat het verlangen dat het leven pas werkelijk de moeite waard maakt.
Dat laatste maakt dat je Eco's roman zou kunnen opvatten als een pleidooi voor onsvermogen om mogelijke werelden te bedenken. Dat is: een pleidooi voor de wereld van de literatuur. 'Wie overleven wil, moet verhalen vertellen,’ schrijft hij. Die verhalen moeten dan echter wel als daadwerkelijke mogelijkheden gezien worden en niet, zoals vandaag de dag gebruikelijk is, al onmiddellijk als 'ficties' terzijde worden geschoven, d.w.z. als voor het 'werkelijke' (op enkel nut en doelmatigheid gerichte) leven niet terzake doende. Dat pleidooi zet Eco kracht bij met een spraakwaterval die van ons ondermaanse een rijk geschakeerde tuin der lusten maakt, die je nooit zou vermoeden als je alleen maar de krant leest. Dat Eco in zijn welbespraaktheid misschien wat te ver doorgeschoten is, dat hij zich daarnaast in deze roman (alsook in zijn beide andere) soms wat al te ijdel op zijn belezenheid en kennis laat voorstaan —ik neem het bij dit pleidooi voor de mogelijke werelden van de literatuur graag voor lief.

13:04 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.