29-05-06

Durlacher Jessica

HET LAND VAN DE JODEN WERD HET LAND VAN DE GEEST
Jessica Durlacher (red.), De olifant & het joodse probleem. Arena Amsterdam 1994.
In: NvhN, 5-8-1994.

Over de kwaliteiten van Jessica Durlacher als samenstelster van bloemlezingen, had ik na 25 onder 35 (1990) en Max. 36 (1992) zo mijn twijfels. De bloemlezing uit 1990 maakte zij samen met Joost Zwagerman en Peter Elberse, beiden, net als zij, redacteur van het toen juist opgeheven tijdschrift De held. Het was een even doorzichtige als onbeholpen poging de opgenomen schrijvers te presenteren als ontdekkingen van De held en zo aan dat blad achteraf een voor de literatuurgeschiedenis belangrijke rol toe te kennen, het als de spreekbuis van een nieuwe generatie te presenteren. Maar het enige dat de gebloemleesde schrijvers verbond, was dat zij allen jonger dan 35 jaar waren. Een duidelijke visie op wat deze leeftijdsgenoten eventueel tot een literaire generatie maakte, ontbrak. En zij vormden dan ook geen literaire generatie. In Max. 36 was het al weinig anders. In deze door Durlacher solo samengestelde bloemlezing was alleen de leeftijdsgrens met een jaartje verhoogd.
Durlacher moet ingezien hebben dat een gemeenschappelijke geboortedatum vandaag de dag niet langer een garantie vormt voor een min of meer gelijkgestemde literatuuropvatting. In De olifant & het joodse probleem, haar derde bloemlezing, gaat het haar althans niet langer om een literaire generatie, maar om na de oorlog geboren schrijvers die behoren tot de zogenaamde 'tweede generatie overlevenden': kinderen van vervolgde joodse ouders. Als uitgangspunt meer terzake doende dan het verlangen naar een plaatsje in de literatuurgeschiedenis. Het gaat hier om de vraag naar de eigen identiteit in het licht van de holocaust. Die vraag is niet alleen van belang voor kinderen van joodse ouders, lijkt me, maar voor een ieder die over enig historisch besef beschikt, al blijft er natuurlijk een belangrijk verschil. Voor wie niet joods is, is de holocaust een gruwelijk gegeven uit de recente geschiedenis waarop een antwoord gevonden moet worden; voor de tweede generatie overlevenden is die holocaust meteen onderdeel van een persoonlijke geschiedenis. Het is, om het zo maar eens te zeggen, minder 'abstract'. Het heeft te maken met de afwezigheid van ooms, tantes of grootouders, met het eigen vlees en bloed. Daardoorwordt — als je dat zo kunt zeggen — een meer 'algemene' problematiek onmiddellijk uiterst concreet.
Dat had althans gekund, als Durlacher zelf zich wat meer bewust was geweest van dit verband tussen het persoonlijke en het algemene. Maar wat ik onmiddellijk mis is eenduidelijke inleiding waarin zij aangeeft welke vragen ze nu precies aan de gebloemleesden heeft voorgelegd, en waarom juist die. Wel vertelt ze ter inleiding een nogal particulier verhaaltje over hoe zij in Parijs — naar eigen zeggen: hevig 'literair' verscheurd tussen twee liefdes — uiteindelijk kiest voor degene die net als zij van joodse afkomst is. In een tweede stuk beschrijft ze hoezeer haar jeugd bepaald werd door de kampervaringen van haar vader (de schrijver G.L. Durlacher). Maar in beide gevallen blijft ze steken in het al te particuliere, wat iets anders is dan persoonlijk. Nergens wordt duidelijk wat ze nu precies met deze bloemlezing wil.
Het gevolg is dat het boek nogal wat bijdragen bevat die niet verder komen dan particulier gestamel. Dat Rogi Wieg zijn intense verlangen naar een levenspartner voor de gelegenheid heeft omgebogen in het verlangen naar een joods meisje, neem ik maar voor kennisgeving aan. Met het thema dat Durlacher zegt te willen aansnijden heeft het weinig te maken. Ook de bijdrage van Grunberg raakt kant noch wal, en die legt in een opgenomen brief ook uit waarom hij in deze bloemlezing niet thuishoort. Durlacher heeft dat blijkbaar opgevat als óók een reactie op de vraag naar de joodse identiteit, maar uit Grunbergs brief blijkt duidelijk dat zelfs die interpretatie onzin is. Hij heeft helemaal geen identiteit.
Het stuk van Leon de Winter, waarmee de bloemlezing besluit en waaraan zij de titelontleent, is daarentegen zeer boeiend. Ook dat is een zeer persoonlijk essayistisch verhaal, maar één waarin De Winter zijn eigen geschiedenis en het jodendom samenbrengt in een duidelijke visie op wat het jodendom voor hem persoonlijk betekent. Het bijzondere van de nalatenschap van het vervolgde jodendom, zo schrijft hij, is voor hem ‘de rijkdom aan abstracties, redeneringswijzen, beelden en symbolen die zijn losgeraakt van hun oorspronkelijke concrete landschap. Het land van de joden werd het land van de geest, en daarmee werd de waarde van het aardse bestaan niet gereduceerd maar vergroot.’ Wat hij wil is, paradoxaal genoeg, zijn positie in de diaspora handhaven, een ‘emotioneel statenloze’ blijven. Deze visie deelt hij met Marcel Möring, die in zijn (eveneens) essayistische bijdrage, ‘Het goud van de joden’, het bijzondere van het jodendom omschrijft als de keuze voor beschaving boven nationale, etnische of religieuze identiteit. En ook Wanda Reisel zoekt het in haar bijdrage in het 'diasporisme' als wezenstrek.
Ook in de verhalen van Miriam Guensberg en Judith Mok leidt de worsteling met een gruwelijk ouderlijk verleden (opmerkelijk genoeg: meestal dat van de vader) tot een duidelijke en persoonlijke visie op de eigen identiteit. Vooral Guensbergs ‘Vreemd lichaam’ maakt indruk. Zij vindt een prachtige vorm voor de pijn en afwezigheid die haar vader als overlevende aan den lijve heeft ervaren, maar waar hij nooit over sprak. Die vader wordt letterlijk geïncorporeerd, wordt een lichaam in het hare en zo tot spreken gebracht.
Zo bevat De olifant & het joodse probleem zeker wel een aantal bijdragen dat de moeite waard is, maar, zo is mijn indruk, dit meer ondanks dan dankzij de samenstelster. Juist die bijdragen roepen het verlangen op naar eenzelfde soort bloemlezing, maar dan samengesteld door bijvoorbeeld Möring of De Winter. Ik denk dat dan veel van de huidige bijdragen niet opgenomen zouden zijn, waaronder die van Durlacher.

18:03 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.