05-04-06

Duoduo

DUODUO LAAT ZICH LEZEN ALS EEN PARTITUUR
Duoduo, Tatoeages. Verhalen. Vert. Maghiel van Crevel, Michel Hockx. Meulenhoff, Amsterdam 1994
in: NvhN, 17-2-1995

Laat ik met de volgende mededeling beginnen: de Chinese schrijver en dichter Duoduo verliet zijn land in juni 1989, vlak na de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking, waar hij getuige van was. Hij keerde niet naar zijn land terug. Bovendien: van 1969 tot 1975 werd Duoduo in het kader van de Culturele Revolutie op het Chineese platteland tewerkgesteld.
Ik begin hiermee omdat deze feiten Duoduo in de ogen van westerlingen onmiddellijk en uitsluitend tot balling en slachtoffer stempelen, en de vertalingen van zijn werk hier vervolgens ook vooral vanuit die invalshoek worden benaderd. Zijn vertaler, Maghiel van Crevel, wees er in een nawoord bij de poëziebundel Een schrijftafel in de velden (1991) al op, dat op die manier aan de gedichten het recht werd ontnomen om in de eerste plaats als poëzie gelezen te worden, — en niet onmiddellijk als politiek pamflet. Ze zijn ook alleen politiek voor zover ze door de Chinese autoriteiten als 'subversief' werden beschouwd, niet omdat ze een expliciet politieke boodschap uitdragen.
Integendeel, Duoduo's gedichten zijn 'duister', 'onbegrijpelijk'. In China betekent dat onmiddellijk dat ze dus niet bijdragen tot de opvoeding van de socialistische mens: de boer, de arbeider, de soldaat, die door dit alles maar van het kaarsrechte socialistische pad zullen raken. In Nederland betekent het normaliter dat ze niet verkopen. Hier wint immers meer en meer de opvatting terrein dat de 'gewone lezer' het ook moet begrijpen. In beide gevallen dreigt een vorm van censuur, van doodzwijgen. Duoduo's status van slachtoffer en balling voorkomt dat hier voorlopig nog, maar miskent dus het literaire gehalte van zijn literatuur.
Dat gehalte is hoog, zo blijkt ook weer uit de zojuist verschenen verhalenbundel Tatoeages. Duoduo maakt het de lezer in geen van de acht opgenomen verhalen gemakkelijk. Dat wil zeggen: de verhalen vragen continu aandacht voor het hoe ervan, voor de wijze waarop ze zijn gecomponeerd. 'Waar ik heen ging wist ik nog niet,’ staat onmiddellijk in het eerste verhaal, 'de sneeuwvlokken leken te lekken uit in de hemel gedraaide platen, een notenschrift dat van de weg een lange, smalle partituur maakte.’
Daarmee is de toon gezet: hier zullen niet simpelweg verhaaltjes worden verteld, maar is het vertellen een manier om uit te vinden wat men eigenlijk zeggen wil. De verhalen laten zich ook lezen als een partituur, maar dan niet van stuk van Mozart of Beethoven. Ze zitten vol tempowisselingen, stijlbreuken, dissonanten, en — even op deze vergelijking voortbordurend — deden me af en toe denken aan sommige stukken van Charles Ives, waarin een rommelige fanfare komt binnenmarcheren tijdens een pianoconcert.
Deze, zeg maar 'formele' eigenaardigheden van de verhalen houden natuurlijk verband met wat Duoduo in de verhalen aan de orde stelt. Daarin blijkt het steeds te gaan om de onoverbrugbare kloof die er tussen heden en verleden ligt, maar ook tussen het ik en de ander. Elk verhaal is een poging een brug te slaan, maar ook elk verhaal toont dat gapende gat tussen beide. Dat gat dat men zelf is.
De poging het gat te dichten neemt in een aantal verhalen de vorm aan van een verdubbeling van de hoofdpersoon, meestal Li geheten. In 'Terug naar huis' bijvoorbeeld, wacht een oude Chinese man in het Engelse dorpje Ayremond op de komst van een jonge Chinees. Halverwege het verhaal spreekt een passerende melkboer hem aan met 'jonge man', en leest men: 'Wacht ik op dit bankje op een Chinese jongeman, of wacht die jongeman op een oude Chinees?' De één wordt de ander; de 'ik' wacht als het ware op zichzelf.
In 'In het gras' iets soortgelijks: Li ligt met zijn vriendin op een grasveld en speelt woordspelletjes, maar in de nabijheid zit een grijze man met een kladblok. Men kan daarin een afsplitsing zien van Li zelf: degene die de verhalen noteert (herinneringen) die voor Li met bepaalde woorden zijn verbonden. Maar soms ook speelt de man in Li's herinneringen een rol, terwijl Li zelf van het ene op het andere moment in een kind verandert en weer terug in zichzelf op nog weer een ander tijdstip van zijn leven.
Zo is er voortdurend sprake van gelijktijdigheid, maar zonder dat daarmee de scheiding tussen toen en nu werkelijk ongedaan wordt gemaakt. Integendeel, de in deze verhalen gebruikte techniek maakt des te schrijnender duidelijk hoezeer de hoofdpersonen losstaan van alles: afgesneden van een verleden, afgesneden van de plek, het land waar zij geboren werden, en dus niet in staat om in het heden een plaats voor zichzelf te vinden, voor hun 'ik'. Laat staan dat ze zich verwant zouden kunnen voelen met een ander.
'Weet je waarom jij eenzaam bent?’ zo vraagt op een zeker moment iemand aan Li, 'omdat je niet begrijpt wat dat is.’ Dat is, denk ik, wat Duoduo in zijn verhalen steeds probeert te doen: begrijpen wat zijn eenzaamheid is. Het is niets anders dan pogen te begrijpen wie hij zelf is, en bij uitbreiding: wat een mens is. Misschien is het opportuun om nu te zeggen dat voor Duoduo die mens een balling is. Niet van één land, maar van het leven zelf. Dat voert hem van toen naar later, steeds in een eeuwig heden waarin hij wacht 'tot hij er aan komt', zoals een Nederlandse 'duistere' dichter het ooit omschreef.

14:47 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.