05-04-06

Du Perron Edgar

EEN LEVEND MONUMENT
E. Du Perron, Het land van herkomst. Geannoteerde uitgave, verzorgd door F. Bulhof en G.J. Dorleijn. 1080 p. Van Oorschot. Amsterdam 1996
in: NvhN, 14-2-1997

Al jaren ben ik in het bezit van de eerste druk van Het land van her-komst van E. Du Perron (1899-1940), van die in 1935 bij Em. Querido te Amsterdam verschenen uitgave met op het omslag een door Alexandre Alexeïeff vervaardigd vignet van een Indische vulkaan weerspiegeld door de Parijse Eiffeltoren. Ik ben absoluut niet zo’n eerste-drukken-jager, maar toen iemand mij die eerste druk ooit cadeau deed, was ik verguld (ze had hem gevonden op de Grote Markt in Groningen, tussen namaak Delfts blauw en een echt Zigeunerjongetje-met-traan en voor een tientje op de kop getikt). Sinds ik het boek voor de eerste keer las, is het voor mij persoonlijk van grote betekenis geweest, en hoewel ik naast de eerste druk nog een ‘gewone’, ettelijke malen gelezen twaalfde druk bezit, en een dertiende druk, waaraan ik zelf een be-scheiden bijdrage leverde door het zetten van asterisken in de tekst die verwe-zen naar aantekeningen die Du Perron ooit in een speciaal exemplaar voor Jan Greshoff maakte (een exemplaar waarvan ik stiekem fotokopieën maakte van de fotokopieën die ik van de uitgever toegestuurd had gekregen en terug moest sturen, zoals mij streng werd opgedragen) — hoewel ik dus in feite al vier uitgaven van Het land van herkomst bezit, heb ik me bij het zien van de door Francis Bulhof en Gillis Dorleijn geannoteerde uitgave van Het land van herkomst die eind vorig jaar verscheen wederom niet kunnen bedwingen. Ook deze ‘definitieve editie’ van de roman, zoals in de flaptekst staat, moest nog maar op dat plankje Du Perron.
Dat het voor deze laatste, meest uitgebreide editie van Du Perrons roman hoog tijd werd, weet eigenlijk alleen degene die naast de na de oorlog meest her-drukte versie van het boek (de derde tot en met de twaalfde druk) ooit eens de tweede (1948) of de eerste druk las. Er bestaan grote verschillen tussen de diverse drukken, en die verschillen zijn nu eindelijk allemaal in kaart ge-bracht en verantwoord. Bovendien zijn nu dan eindelijk alle aantekeningen uit dat zogeheten Greshoff-exemplaar opgenomen. De dertiende druk bevatte, zoals gezegd, al een groot aantal van die aantekeningen, maar als ‘sterretjes-zetter’ hield ik er destijds een aantal over. Die hadden betrekking op tekstge-deelten die in het voor de dertiende druk gebruikte zetsel (gebaseerd op de derde tot en met twaalfde druk) niet voorkwamen; ze verwezen naar door Du Perron geschrapte passages uit de eerste druk.
Het belang van de nu verschenen uitgave is natuurlijk in de allereerste plaats literair-historisch: men beschikt nu eindelijk over de correcte versie van een werk dat als één van de belangrijkste romans uit de Nederlandse literatuur tussen de wereldoorlogen wordt be¬schouwd. Voor deze uitgave is het monni-kenwerk verricht dat iedere literatuuronderzoeker die iets met dit boek wilde tot nu toe eigenlijk eerst zelf diende te verrichten voordat hij daadwerkelijk en verantwoord aan de slag kon.
Maar de huidige uitgave is beslist niet alleen voor die specialistische lezer bedoeld, want behalve de aantekeningen uit het Greshoff-exemplaar hebben de beide bezorgers ook nog een uitgebreid commentaar met aantekeningen bij de tekst toegevoegd, waarin zowel de historische context als de literair-historische context uit de doeken wordt gedaan, plus ook nog een uitgebreide beschouwing en een bibliografie. Als klap op de vuurpijl bevat deze uitgave foto’s, kaarten van het oude Nederlands-Indië, stambomen en een lijst van Indische woorden, zinnen en liedjes die in de roman voorkomen. Men kan dus bijna zelf meezingen. Kortom: deze uitgave van Het land van herkomst is een voorbeeldige inleiding op de figuur van Du Perron zelf; van hieruit kan de geïnteresseerde lezer, of de lezer die door deze uitgave juist geïnteresseerd is geraakt, gemakkelijk overstappen naar ander werk van Du Perron. Het nodigt uit tot verdieping.
Deze handreiking aan de — nou ja, de ‘gewone’ lezer, verandert niets aan het feit dat deze uitgave voornamelijk een literair-historisch karakter heeft. De kloeke, nu 1080 pagina’s tellende uitgave krijgt zo de allure van een monu-ment. Ik bedoel dat natuurlijk vooral complimenteus. Maar tegelijkertijd moet ik bekennen dat ik niet zoveel op heb met monumenten. Een boek moet leven. Het is belangrijk dat het niet alleen met zijn tijd van ontstaan in ver-band wordt gebracht, maar ook met de eigen tijd, de tijd waarin wij het nu lezen.
Dorleijn en Bulhof zijn zich daarvan ook wel bewust. In hun 115 pagina’s tellende essay bijna aan het slot van de uitgave schrijven ze niet alleen veel over de tijd van ontstaan, maar ook over de receptie van het boek door de decennia heen: wat is de betekenis van het boek geweest voor Ter Braak, voor Gompers, voor Mieke Bal, voor Van Oudvorst? Dat is interessante leeskost. In de analyse die Mieke Bal ooit van Het land van herkomst maakte (gepubliceerd in het destijds geruchtmakende boek De canon onder vuur (1991)) wordt de hoofdpersoon van Het land van herkomst, Arthur Ducroo, bijvoorbeeld een seksist, sadist en racist genoemd. ‘En terecht,’ voegen Dorleijn en Bulhof daar aan toe, want er is in Het land van her-komst een groot aantal voor politiek al te correcte lieden onverteerbare passages te vinden waarin inlanders zonder pardon en onder impliciete ver-wijzing naar de superioriteit van de Hollander worden afgeranseld, vrouwen met mannelijk dédain worden bejegend en duidelijk toch als de mindere gelden, en de mannen die typische dubbele moraal hebben die maakt dat ze van vrouwen van alles eisen wat ze voor zichzelf niet kunnen en willen waar-maken. Bal is voor zover ik weet de eerste die op deze aspecten van het boek heeft gewezen, maar is daarin dan net zo eendimensionaal als al diegenen die dit toch tamelijk expliciete (of moet ik zeggen: in onze ogen, nu, tamelijk expliciete) seksisme, sadisme en racisme nóóit in hun overwegingen betrok-ken. Bulhof en Dorleijn verklaren het, mijns inziens terecht, als deel van de ambiguïteit van Het land van herkomst.
Juist in deze slotbeschouwing waren er mogelijkheden geweest om deze uitga-ve van Het land van herkomst weer iets minder monumentaal te maken en er, na de bespreking van de receptiegeschiedenis, een hedendaagse interpretatie van te geven. Helaas komen de beide auteurs niet verder dan de mij nietszeggende interpretatie die Bulhof ooit al eens in zijn eentje formuleer-de (in 1980). ‘Het onderwerp van Het land van herkomst is de strijd van het individu om de verbrokkeling van het leven door de tijd tegen te gaan en zo de eenheid van de persoonlijkheid te handhaven.’ Neem me niet kwalijk, maar dat is het onderwerp van talloze boeken, een onderwerp dat zich ook korter laat formuleren als: de strijd tegen de dood. Ik bedoel: natuurlijk gaat het daar in Het land van herkomst over, maar dit is wel een erg grote generalisatie.
Nee, wat ik hier graag had gelezen is wat Het land van herkomst vanuit een hedendaags perspectief zou kunnen betekenen. Die weg snijden de beschouwers voor zichzelf al af door ergens op te merken dat ze zich niet tot een ‘modieus-postmoderne interpretatie’ willen laten verleiden. Ze hebben inder-daad gelijk als het gaat om modieus-postmodernisme, die verwaterde, slecht begrepen postmoderniteit die in de krantenkolommen altijd wordt bedoeld en die met het werkelijke postmodernisme maar weinig heeft uit te staan. Dat werkelijke postmodernisme heeft aan de Nederlandse universitei-ten nooit werkelijk voet aan de grond gekregen (in tegenstelling tot bijvoor-beeld in België), en wat Het land van herkomst voor mij tot meer maakt dan enkel een monument is juist de mogelijkheid om in en door dit boek iets te ervaren van de hedendaagse, beslist niet modieuze, want gecompliceer-de postmoderne problematiek: het probleem van de even onmogelijke als noodzakelijke identiteit.
Het land van herkomst valt eigenlijk in twee delen uiteen: er zijn de hoofdstukken waarin de hoofdpersoon, Ducroo, met zijn vrienden in het Parijs van de jaren dertig eindeloos discussieert over politiek, over de toen als urgent ervaren keuze voor links of rechts, d.i. voor communisme of fascisme, en over trouw en ontrouw. Deze hoofdstukken worden doorsneden met hoofdstukken waarin Ducroo met een waanzinnig geheugen voor details zijn eigen Indische jeugd op papier zet. Dat laatste doet hij, zegt hij, voor zijn vrouw: hij wil tegenover haar verklaren wie hij is door zijn jeugd op papier te zetten. Maar naarmate hij met zijn herinneringen dichter bij het heden komt, wordt de eigen identiteit steeds schimmiger. Niet alleen dreigt zij bij een keuze voor links of voor rechts op te gaan in een collectiviteit, d.w.z. vereenzelvigd te worden met de één of andere ideologie, maar zonder een dergelijke keuze gaat die identiteit, het ‘ik’, evenzeer verloren omdat het zich nergens, op niets bovenpersoonlijks kan of wil beroepen. Je zou kunnen zeggen dat de koloniaal, die (zouden wij nu zeggen) in een politiek-incorrecte traditie werd opgevoed, en de post-koloniaal die desalniettemin zijn eigen verleden niet kan of wil vergeten, laat staan: afzweren, voortdurend met elkaar botsen in dit boek. Het leidt uiteindelijk in het slothoofdstuk tot de paradoxale formulering van ‘het variabele zelf’.
‘In een tijd waarin de massa’s tot grootheid moeten komen kan men zich vertrouwd maken met de bittere trots van te worden opgeruimd, als oud vuil misschien voor de anderen, maar trouw aan zichzelf; het kan beter zijn dan een langzaam verraad te moeten nagaan, door verval of omstandigheden, aan dit zo delikate en eindeloos variabele zelf,’ schrijft hij aan het slot en dat is een poging een uiteindelijk ondefinieerbaar gebleken ‘ik’ zowel te beschermen tegen de noodzaak zich te identificeren met de één of andere ideologie als tegen de onvermijdelijke uitlevering aan de algehele relativiteit van alles waartoe het loslaten van alle ideologie, liever: van alle meta-standpunten uiteindelijk leidt. Zoiets past nog steeds uitstekend in onze eigen tijd, ook al wordt éen en ander ons uit de doeken gedaan aan de hand van gebeurtenissen in het Parijs van ruim 60 jaar geleden, en in een Indië van bijna 100 jaar geleden.
Nogmaals: ik vind het jammer dat Bulhof en Dorleijn de mogelijkheden tot een wat actuelere interpretatie in hun beschouwing hebben laten liggen, dat ze zich daar toch te veel literatuurhistorici hebben betoond. Anderzijds is dat natuurlijk ook wat ze zijn en wat deze uitgave van Het land van her-komst mogelijk heeft gemaakt. Juist bij een boek als Het land van herkomst zou het ook onbillijk zijn van hen iets anders te verwachten dan deze, en overigens - ik benadruk het nog maar eens - prachtige, literair-historisch gezien voorbeeldige uitgave.

16:05 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.