04-04-06

Duinker Arjen (4)

DOOR DE DINGEN GEFOUILLEERD
Arjen Duinker, Het uur van de droom. Gedichten. 54 blz. Meulenhoff, Amsterdam 1996.
in: DGA, 22-4-1997

Wie het werk van Arjen Duinker enigszins heeft gevolgd, is bij de titel van zijn nieuwste dichtbundel, Het uur van de droom, meteen op zijn qui vive. ‘Ik droom de werkelijkheid’, zo zou hem bijvoorbeeld te binnen kunnen schieten uit een eerdere bundel, en haast tegelijk daarmee: ‘Ik zwijg over de werkelijkheid’ uit weer een ander gedicht. Het uur van de droom zou wel eens het uur van de werkelijkheid, en daarmee zelfs het uur van de waarheid kunnen zijn: het moment waar het op aankomt, het cruciale uur.
Er is op het eerste gezicht heel veel in Duinkers werk dat een dergelijke invulling van het woord ‘droom’ tegenspreekt. Want is Duinker niet die dichter die in zijn debuut, Rode oever (1988), beweert ten strijde te zullen trek-ken tegen Persoonlijkheid, Inhoud en Essentie? Ja, dat is hij. ‘Op een zeer absolute dag’, zoals het in dat gedicht heet, ‘absoluut van helderheid en kleuren’ zal hij zelfs blaffend ten strijde trekken tegen die zaken, zo kun je lezen. Welnu, is het op grond van die uitspraak alleen al niet volstrekt on-waarschijnlijk dat Duinker ‘een uur der waarheid’ zou onderscheiden? Een dichter die afziet van persoonlijkheid, inhoud en essentie, die erkent toch niet zoiets als ‘waarheid’, essentie bij uitstek?
Misschien niet nee, maar hoewel ik me er van bewust ben dat Duinkers poëzie vaak begrepen wordt als een soort ‘laisser-aller’, als een richtingloze, gedach-tenloze, zelfs inhoudsloze, zij het geenszins liefdeloze aandacht voor zo ongeveer alles, geloof ik toch dat je de titel van zijn laatste bundel in de eerste plaats moet opvatten als ‘het uur van de werkelijkheid’, en die werkelijkheid moet begrijpen als... ja, als ‘ware werkelijkheid’ — zij het dat je daarbij onmiddellijk de nodige kanttekeningen moet plaatsen.
Kijk bijvoorbeeld eens naar het laatste gedicht uit deze nieuwe bundel, het gedicht ‘De steen bloeit’ — een gedicht dat al vanaf de eerste keer dat ik het las (in een nummer van De Gids uit 1989: een nummer waarin het honderdjarig jubileum van Gorters Mei werd gevierd) tot mijn favorieten behoort. ‘De steen bloeit. / De steen die niet kan bloeien, / Wat bloeit die steen,’ zo luidt de eerste strofe en de rest van het gedicht gaat over de veelkleurigheid van zijn bloesems, over zijn geur — ‘Hij geurt naar het vanzelfsprekende, / (...) / Hij geurt naar een vrijheid van zien en voelen’ — en eindigt ten slotte met een dure belofte: ‘Ik kom terug,’ lezen we, ‘Ik kom terug, liefste, met een van zijn bloesems.’ Een dure belofte, want de ‘ik’ die hier aan het woord is belooft zijn geliefde het onmogelijke: terug te komen met de bloesems van iets wat niet kan bloeien.
Maar wat desalniettemin bloeit. Niet als een bloem, maar als de steen die niets anders is dan de steen. Het is de steen in zijn stenigheid, in zijn volstrekte zichzelf zijn, in zijn onverschilligheid voor alle menselijke waardebepalingen die de dichter — mens onder de mensen immers — ertoe brengt te zeggen dat hij bloeit. Want die steen, die ongeïnterpreteerde, niet geconceptualiseerde steen vertegenwoordigt voor Duinker de werkelijkheid waar het hem steeds om te doen is. Je kunt zeggen dat het hem om een niet- theoretische werkelijkheid gaat, of om de werkelijkheid als ‘Ding an sich’. Je kunt ook zeggen dat zijn werkelijkheid, in de meest letterlijke zin, on-menselijk is, omdat de mens uit de aard der zaak altijd de noodzakelijke, want menselijke omweg kiest van het denken, het conceptualiseren. We zijn geen beesten tenslotte. En ook geen stenen trouwens. Of dingen. Juist de vanzelfsprekende of, zoals Duinker het in een gedicht ook wel heeft genoemd, de moeiteloze aanwezigheid van de dingen maakt ze tot vertegenwoordigers van een ‘ware werkelijkheid’, van de werkelijkheid die de dichter alleen maar kan dromen, waarover hij zwijgt, zoals hij zegt, omdat ieder woord alweer afstand schept: afstand, moeite, omweg.
Dat zwijgen neemt bij Duinker niet de vorm aan van extreem op zichzelf gerichte gedichten in een overvloed van pagina-wit, zoals een zekere traditie in de Nederlandse dichtkunst het wil, en al evenmin leidt het verlangen naar de niet-theoretische werkelijkheid tot het verlangen de eigen persoon uit het gedicht te verwijderen. Integendeel, Duinker schrijft juist breed uitwaaierende en niet zelden de pagina ruim overschrijdende gedichten, en in Het uur van de droom staat zelfs het maar liefst 41 pagina’s tellende gedicht ‘De uren’, dat geheel over een plein met een ‘precieze opdracht’ gaat. Daarin wordt het ik van de dichter niet zozeer uit het gedicht verwijderd, het wordt alleen maar door dat plein ‘tegengehouden’, schrijft Duinker, het plein ‘Laat me stilstaan in de schaduw / Van elke mogelijkheid. / Komt naar me toe / En fouilleert me. / Deinst achteruit / En begint te lachen.’
Dat is eigenlijk een prachtige omschrijving van wat Duinker in de meeste van zijn gedichten overkomt: hij wordt door het werkelijke, al te werkelijke gefouilleerd: de dingen - stenen, bloemen, bergen, regen, wind, mist, klimop, rivier -, ze doorzoeken zijn zakken, zijn kleren, zijn hele persoon op het menselijke, al te menselijke dat maakt dat tussen mensen en dingen steeds die afstand bestaat, dat de mens met zijn besognes steeds maar weer tegenover de wereld staat waarin hij leeft en dat maakt dat hij verlangt de afstand te overbruggen: ‘Er is veel, uitzinnig veel, / Dat ik niet wil weten. / Reden onbekend. / Er is veel, lachwekkend veel, /Dat ik wil voelen, / Meer dan weten.’
Die wil vindt zijn oorsprong in wat de dichter daadwerkelijk in en van die werkelijkheid ervaart, dat wil zeggen: wat hij ervaart buiten het denken om, buiten zijn eigen ik om, buiten elke gedachte aan persoonlijkheid, inhoud en essentie om: het moment dat daar plotsklaps dat plein ligt (men herkent de markt in Delft, maar ook de Plaza de la Corredera met zijn ondergrondse markt in Córdoba) en, zoals de dichter schrijft ‘mijn aarzelende ziel / Uit haar omhulsel jaagt’. Het uur van de waarheid, en dus het uur van de droom is aangebroken, want de dichter weet: ‘Mijn praten is door iets heen praten’ en ‘Mijn roepen is door iets heen roepen’ — meer niet.
Maar zeker ook niet minder, want juist dat door iets heen praten en roepen in deze poëzie maakt zicht- en hoorbaar wat haar deed ontstaan: het verlangen naar de ongedeelde ervaring van de werkelijkheid zonder meer, het verlangen dat een steen tot bloeien brengt. En waar dat tussen, achter, dwars door de regels heen zicht- en hoorbaar wordt, is het alsof de dichter, nee alsof de gedichten hun handen in mijn zakken steken, zachtjes mijn kleren bekloppen, de zomen en naden nalopen, me vriendelijk doch beslist uitschudden.


HET VERLANGEN HUID TE ZIJN
Arjen Duinker, De gevelreiniger en anderen. 54 blz . Meulenhoff, Amsterdam 1994
in: DGA, 18-1-1995

Laten we nou bijwijze van gedachtenexperiment eens gewoon beweren dat er in de, laten we zeggen, laatste tien jaar een nieuwe dichtkunst is ontstaan — laat ik dat nou eens gewoon brutaalweg beweren. Ik houd niet zo van het woordje 'nieuw', dat in deze tijd waarin mensen vooral 'consumensen' zijn geworden, al op voorhand riekt naar Loeki de Leeuw. En ik houd eigenlijk ook helemaal niet van het woordenpaar 'nieuwe dichtkunst', dat maar herinnert aan zich als paparazzi gedragende literaire journalisten die met telelenzen in het literaire struikgewas liggen te wachten tot er weer iemand verschijnt die zichzelf als kroonprins opwerpt. Dus als ik het hier over een nieuwe dichtkunst heb, dan bedoel ik de dichtkunst waarvan iemand als bijvoorbeeld Arjen Duinker mij een belangrijke vertegenwoordiger lijkt, een dichter die zich nu niet bepaald in het literaire centrum ophoudt. Zijn poëzie is daar wel 'waardeloos' genoemd, ooit, en recentelijk betwijfelde iemand in de krant of hij wel 'echt' was, deze Duinker.
Ik kom hem wel eens tegen, hier of daar, meestal in zijn bundels of in tijdschriften, soms ook op spreekbeurten, en ik kan u verzekeren: Duinker is echt. En hij schrijft nieuwe poëzie — nee, niet van die poëzie waarin welbewust en regel voor regel de poëzieopvattingen van het literaire centrum worden bestookt; hij is geen 'revolutionair' of zoiets, zo'n dichter die zegt dat de marge van vandaag het centrum van morgen zal zijn. Wat in dat centrum voor poëzie doorgaat, interesseert hem niet erg, zo is mijn indruk. Hem interesseert de wereld.
Welke wereld?, zo ben je vandaag de dag onmiddellijk geneigd te vragen. De wereld, zo luidt het antwoord. Nee, niet een van god gegeven of door ideologen bedachte wereld. En ook niet een door godloochenaars negatief gedefinieerde wereld, of een postmodernistische chaotische wereld. Gewoon, de wereld. Ja maar, ja maar _ dat kun je toch zo eigenlijk niet zeggen, vandaag de dag? Aan het eind van deze eeuw is toch iedereen ervan doordrongen dat elke werkelijkheidsvoorstelling hoogstens een al te menselijk concept is? Toch?
'Kijk eens om je heen,’ zo zegt bijvoorbeeld één van de twee stemmen in het gedicht 'Gesprek op twee bootjes': 'Een oogopslag is al voldoende / Om te voelen dat dit oppervlak als leven is, / Zo onverzettelijk, zo dapper, zo plooibaar. / Hier klopt ons hart, beste vriend, / Hier zijn we thuis'. Ja, zo kun je het zeggen, natuurlijk, dobberend in zo'n bootje. Maar de andere stem in het gedicht zegt: 'Ik voel me gelukkig'. Daarmee spreekt hij de eerste stem niet werkelijk tegen, lijkt me, maar het is toch wat anders. Die eerste stem antwoordt dan ook: 'Onmogelijk! Daar ben je niet toe in staat. / Ik evenmin. Je bedwelmt jezelf met voorwendsels. / Zand in je aderen, stuifmeel in je buik. / We kunnen slechts voelen met ons verstand, / We kunnen slechts voelen wat we weten. / Zo rimpelt ook dit water, / Het is een reflex'. En ja, daar heeft hij wel een beetje gelijk in, deze stem: dat we slechts kunnen voelen wat we weten, omdat we als mensen nu eenmaal altijd tegenover de wereld staan. Je kunt niet zomaar gelukkig zijn als je dat eenmaal inziet, tenzij je jezelf wijsmaakt dat je één bent met wat je ziet.
Best mogelijk, maar 'O, moet je die kreeftjes zien!', zegt de andere stem weer, en even later: 'Ik voel me gelukkig om vanavond. / Laten we die kreeftjes eten!'. Uiteindelijk drijft hij met een 'Groeten aan je moeder en tot later' dit gedicht uit, de eerste stem achterlatend met gepeins over hoe het wateroppervlak, zijn vanzelfsprekende aanwezigheid, zijn oppervlakkigheid, — hoe dat troost is voor de mens die zo niet kan zijn. 'Ik trek me terug op de horizon, reken, / Ik construeer de huid die mij onthult'. Zo'n laatste zin is een prachtige formulering van zowel het verlangen als de onmogelijkheid het te vervullen: het verlangen huid te zijn, zonder meer, eenvoudig, zonder afstand tot de dingen, tot de wereld, tot jezelf. Zoals de eigenaar van die andere stem lijkt te zijn.
Het is verleidelijk om nu te veronderstellen dat de dichter uitsluitend in die andere, die gelukkige stem schuilgaat. Duinkers poëzie is een schijnbaar blote opsomming van dingen, geuren en glinsteringen en ademt op het eerste gezicht een eenvoud die grenst aan naïviteit. Domweg gelukkig, zo lijkt het. Dat zal ook de reden zijn waarom aan de 'echtheid' van deze gedichten werd getwijfeld: zo naïef kun je immers vandaag de dag niet zijn, en misschien kon het wel nooit. Maar zo naïef is deze schijnbaar doodeenvoudige poëzie dan ook niet.
Zeker, Duinkers poëzie komt voort uit het verlangen naar eenvoud, naar moeiteloosheid, maar het is een verlangen. Dat wil zeggen dat die eenvoud en moeiteloosheid altijd aan gene zijde, in de wereld liggen, op een afstand staan. 'Zonder moeite was de bloem', schrijft Duinker bijvoorbeeld, maar die moeiteloosheid wordt in het lange gedicht waaruit deze regel komt, gepresenteerd als een droom. Constateren dat een bloem zonder moeite is, is eigenlijk al één stap te veel; die bloem zelf zal het namelijk een zorg zijn. Zij bestaat en zij bestaat zó moeiteloos dat de constatering dat zij moeiteloos is volstrekt overbodig wordt. 'Seizoen noch droom, gedroomd door de tuinman, / Veranderde iets aan de bloem', schrijft Duinker dan ook. Een bloem is een bloem is een bloem, zoals de wereld de wereld. Maar die eenvoud, dit tautologisch denken, is allesbehalve eenvoudig, eigenlijk. Omdat wij mensen zijn en het al te menselijke voorop plaatsen.
In veel gedichten lijkt Duinker dan ook de wens uit te spreken dit al te menselijke te verliezen. In 'Die formele kennis' bijvoorbeeld legt een man 'Zijn inhoud af' en zien we hem 'een onpersoonlijke hand' opsteken 'Naar de vrouw die hij ooit persoonlijk liefhad'. In 'Onbekende grootheid' staat iemand bij een bushalte helemaal niets te doen, 'een man, zonder doel, / Die tijd verdeed, verprutste, / Die niet verlangde, geen poot uitstak'. In weer een ander gedicht geeft iemand namens de kakkerlak een persconferentie en deelt onder andere mee dat het de kakkerlak koud laat dat hij niet erg geliefd is en dat hij vooral met rust gelaten wil worden.
Het lijkt er dus op dat het verlangen naar eenvoud bij Duinker uitloopt op een pleidooi voor een superieure, haast nietzscheaanse onverschilligheid. En toch, als ik deze bundel lees, word ik vooral getroffen door de intense liefde voor de dingen, zoals die uit alle gedichten spreekt. De dingen worden losgemaakt van de menselijke blik — hier op te vatten als de blik die nooit zonder bijbedoelingen naar de wereld kijkt, altijd een ander belang heeft dan de dingen zelf — om in een zuivere gedaante voor ons te verschijnen, in al hun eenvoud. Dát zijn, dát willen worden, verlost van alles wat ons moeite geeft, van alles ook wat van de wereld een door mensen bedachte (altijd weer relativeerbare) werkelijkheidsvoorstelling maakt, een concept, een abstractie.
Het blijft een verlangen, herhaal ik nog maar eens. Een gedicht is bij uitstek een verschijningsvorm van het al te menselijke, omdat het óver de dingen gaat. Wie óver de dingen spreekt, werpt een anker uit, drijft al niet meer mee, schept afstand, moeite. Juist dat besef náást het verlangen — zeg maar: dat wat die eerste stem uit 'Gesprek op tweebootjes' formuleert — maakt van Duinkers gedichten houten ankers, zoals het in 'Glinstering op doortocht' heet. Daarin drijft een glinstering door het kanaal, een glinstering die niets is dan glinstering, maar waargenomen door een mens toch iets wil betekenen. Zo zitten we nu eenmaal in elkaar. De botsing tussen de noodzaak aan zo'n glinstering een betekenis te geven en ons verlangen als die glinstering zonder betekenis te zijn, 'formidabele onduidelijkheid', maakt dat die glinstering 'vermomd als houten anker' in het gedicht verschijnt. Opnieuw een prachtige formulering van de paradox waar het in Duinkers poëzie om gaat.
Een nieuwe poëzie, zo herhaal ik ook nog maar eens. Nieuw omdat Duinker weer onomwonden streeft naar een zuivere verhouding tot de wereld, naar echtheid, juist. De wereld verschijnt in zijn gedichten 'niet om te imponeren / Of om te waarschuwen vooronheil'; zij verschijnt 'niet als rat' en ook niet 'satirisch', zoals in onze huidige van relativering en zelfrelativering vergeven cultuur het geval is. De wereld verschijnt als wereld, ook al is dat paradoxaal. Naïef kun je dat niet noemen. Intens, betrokken en — ja, waarom niet? — groots en meeslepend.


DE WERELD ALS WERELD
Arjen Duinker, Losse gedichten. Meulenhoff, Amsterdam 1990
in: NvhN, 15-6-1990.

Voor de dichter Arjen Duinker (1956) moet de wereld de wereld zijn. Dat lijkt simpel genoeg, en inderdaad maken Duinkers gedichten een uiterst simpele, zelfs naïeve indruk. In zijn debuutbundel,Rode oever (1988), staan bijvoorbeeld nogal wat gedichten die weinig meer zijn dan opsommingen van wat de dichter om zich heen ziet: bomen,balkons, braambossen. Het is alsof de dichter inventaris neemt. Hij wil, zo schrijft hij in zijn tweede bundel, Losse gedichten,— hij wil ‘Ronduit zien / De werkelijkheid van ronduit zien en dat zien voelen.’ Het ‘ronduit zien’ vertegenwoordigt een verlangen naar een ongeschonden,onbesmette staat. Duinker wil tabula rasa maken met de werkelijkheid, en dat wil zeggen dat hij los van alle betekenissen die de taal in de loop der eeuwen verzameld heeft, symbolische en andere, los ook van alle essenties die met die taal in het denken zijn geformuleerd, de relatie tussen het woord en de werkelijkheid in poëzie weer eenduidig wil laten zijn. Wie bijvoorbeeld in het woord 'braambos' een verwijzing naar het bijbelboek Exodus wil lezen is bij Duinker aan het verkeerde adres: een braambos is een braambos, zelfs al stond hij in brand. Duinker wil het braambos,of meer algemeen: de hem omringende werkelijkheid, niet begrijpen, maar ondergaan, voelen.
‘Ik zie ervan af mij te wensen / Het kleinste begin van begrip,’ zo schrijft hij in Rode oever, en in Losse gedichten: ‘Niets is mij vreemder dan geloven. / Niets is mij vreemder dan een verbondenheid in voelen / Door middel van denken.’ Maar hoezeer Duinker het denken en het begrip, de betekenis en de symboliek ook afzweert ten gunste van het directe zien en voelen, — uiteindelijk deelt hij wat hij ziet en voelt toch mee in een taal die op denken en begrip een zware wissel trekt. De uiterste consequentie van zijn verlangen zou immers de totale verstomming zijn, een afwijzing van alle grammatica, die immers aan de uitdrukking van onze ervaring een structuur geeft en daarmee die ervaring zelf in het keurslijf van de gangbare betekenissen dwingt.
In Rodeoever trachtte Duinker dit probleem te omzeilen door enerzijds in zijn poëzie voortdurend mee te delen dat hij geen begrip en essenties wenste,en anderzijds door in zijn gedichten veelvuldig gebruik te maken van uitroeptekens en hoofdletters die bedoeld waren om een intense beleving van het beschrevene te suggereren, — een beleving die in de beschrijving zelf echter niet wordt uitgedrukt.
Zo schreef hij bijvoorbeeld: ‘KLIMOP! / ER GROEIT KLIMOP! / Ik ben ver weg geweest // KLIMOP! / ER GROEIT KLIMOP TEGEN DE MUUR!/ OOH! ZO GROEN!’ lk begrijp uit een dergelijk gedicht wel dat het zien van klimop voor de dichter een hele ervaring was, maar de hoofdletters en uitroeptekens helpen mij als lezer niet om die ervaring na te voelen; de verwoording faalt, is louter mededeling; er had kunnen staan:'ik ben zo blij'.
In Losse gedichten zijn de kapitalen en exclamaties grotendeels verdwenen, maar niet de intentieverklaringen. Integendeel: het lijkt er op dat Duinker zich in zijn tweede bundel steeds meer bewust is geworden van het probleem dat zijn verlangen naar een ongerepte staat de vereiste eenduidige relatie tussen woord en werkelijkheid met zich meebrengt. Zo opent hij de bundel met de regels: ‘Als jij me abstracties geeft. / Geef ik jou een waaier van hout.’ De abstractie wordt hier met concreta te lijf gegaan. Maar dit kan niet verhinderen dat in de meeste gedichten juist de abstracte toon van de intentieverklaringen blijft overheersen, zonder dat die intenties poëtisch waargemaakt worden. ‘Ik leef en zie de dingen. / Dat zien is ruw voelen,’ schrijft hij, maar op basis van deze mededeling alleen ben ik niet zomaar bereid hem te geloven. Het is een uitgangspunt dat misschien voor het schrijven van poëzie vruchtbaar kan zijn: na het 'ruw voelen' komt de vraag hoe dit voelen zich tot de taal verhoudt, hoe het een talige vorm moet krijgen. Als mededeling in poëzie sorteert het bij mij geen effect. Duinker deelt ons dan ook mee: ‘Ik ben alleen en niets van een ander raakt mij.’
Het verlangen naar een heden, naar een ongerepte staat, naar zijn-zonder-meer, naar aanwezigheid, als lichaam, als sterveling, bevrijd van de last van de geschiedenis met zijn Waarheid, zijn Eeuwigheid, zijn Essentie, bevrijd ook van de geschiedenis van de poëzie, waarin die waarheid, eeuwigheid en essentie uiteindelijk zijn uitgelopen op de verabsolutering van het versregelwit, op de eigen werkelijkheid van het gedicht, op de afwezigheid van de dichter, - ik denk dat het een kenmerk van een nieuwe generatie is. Duinker hoort daar zeker toe, maar zijn poëzie blijft voorlopig bij zijn verlangen ten achter. Of misschien moet men dat anders zeggen: het verlangen af te rekenen met de geschiedenis en zijn betekenissen leidt bij Duinker tot een afrekening met de poëzie.


AUTISTISCH
Arjen Duinker, Rode oever. Meulenhoff, Amsterdam 1988
in: Poëziekrant, jrg. 13, november-december 1989.

In de bloemlezing Ieder hangt aan zijn gevallen toren (besproken in PK ‘89/1) constateert de samensteller/inleider Rogi Wieg dat er in de door hem gebloemleesde poëzie geen gemeenschappelijke deler of noemer te vinden is. Er is ‘alleen werk opgenomen van dichters die na 1980 zijn doorgebroken en (nog) geen grote reputatie hebben,’ zo stelt hij. Alleen het feit dat ‘in elk gedicht (...) wanhoop, maar ook trots en troost’ is, kan misschien een constante genoemd worden. Ook Arthur Lava stelt in de inleiding op Maximaal (besproken in PK ‘88/5) dat er ‘waarschijnlijk meer verschillen dan overeenkomsten bij de hier aangetreden elf auteurs’ te vinden zijn, maar daarnaast toch ook ‘de voorliefde voor beweging, de hang naar het extraverte’ als gemeenschappelijk element. Als ik de in beide bloemlezingen opgenomen poëzie wat nader bekijk, dan stuit ik echter op een andere onderliggende gemeenschappelijke trek dan die van de wanhoop, trost en troost, of die van de beweging en het extraverte, — namelijk die van de pose.
De meeste poëzie van de jongeren lijkt geschreven te zijn in reactie op het onvermogen om in de omringende werkelijkheid iets te ervaren, — op het autisme van een hele generatie. Het maximale gedicht reageert op dat autisme met het brede armgebaar. Het zet de aanval in op een bepaald soort poëzie, en de daarbij gebruikte krachttermen moeten de suggestie wekken dat dit uit naam van een nieuw vitalisme geschiedt. Bij nadere beschouwing drukt de poëzie van de maximalen echter in het geheel geen nieuw levensgevoel uit, maar hebben we hier, ironisch genoeg, te maken met teksten over teksten, met nega¬tieve intentieverklaringen. De aanval op de bestaande poëzie komt niet voort uit een veranderde houding ten opzichte van de werkelijkheid, maar integendeel: uit de gapende verveling van een complete generatie die van de geschiedenis alleen geleerd heeft dat alle waarden relatief zijn en die dus het zoeken naar eigen waarden heeft opgegeven. Het beschimpen van ‘de anderen’ is de voorwaarde ge¬worden voor het gevoel van een eigen identiteit. De poëzie van de maxi¬malen, alle geproclameerde ‘vitali¬teit’ ten spijt, verhoudt zich tot de werkelijkheid als de onanist tot het bedrijven van de liefde.
De gedichten van Rogi Wieg daarentegen zijn geschreven volgens de clichévoorstellling van de Grote Dichter: de bleke, nog met cape en flambart getooide, vooral o zo diepe, lijdende, naar de dood smachtende jongeling op de rand van een graf onder een volle maan. Wiegs bij tijd en wijle ronduit dweepzieke, maar vooral levensmoede ‘vaerzen’ zitten vol van de valse romantiek van de adolescent die zijn nu al verloren gegane jeugd beweent. Het betreft een zorgvuldig, volgens de grote clichés opgebouwde wereldvreemdheid en ‘Weltschmerz’, — een pose die dus ook geen moment de indruk wekt authentiek te zijn.
De pose als poëtisch credo maakt duidelijk hoezeer het onvermogen een (nieuwe) verhouding tot de werkelijkheid te vinden, samenhangt met de onmacht een eigen identiteit te creëren. Er is, om het met de postmoderne filosoof Lyotard te zeggen, geen ‘meta-verhaal’ meer, geen algemeen geaccepteerd beeld van dé werkelijkheid, tegen de achtergrond waarvan men de eigen persoonlijkheid kan ervaren. En met het ontbreken van zo’n ‘meta-verhaal’, ontbreekt ook het verlangen, of liever: wordt ieder verlangen geacteerd verlangen. Het werkelijke zoeken staakt, loopt vast in scepsis, in cynisme, zou Sloterdijk zeggen.
Uit Arjen Duinkers debuutbundel Rode oever (1988) blijkt dat de dichter zich bewust is van de wurggreep van een geschiedenis die zichzelf heeft uitgeput. In deze bundel doet Duinker een poging uit zijn autisme te ontwaken en weer een verhouding tot de werkelijkheid te vinden. Voorwaarde daarvoor is de vernietiging van alle betekenissen die in het verleden aan die werkelijkheid zijn gegeven. ‘Nee, geen begrip,’ zo schrijft hij,

Ik zie ervan af mij te wensen
Het kleinste begin van begrip.
De tafel beweegt onder mijn handen…

Want begrip is illusie


De vernietiging van het begrip moet de ruimte scheppen voor een nieuwe ervaring van de werkelijkheid, zoals in het openingsgedicht van de bundel waarin klimop in kapitalen en met uitroeptekens wordt waargenomen: ‘KLIMOP! ER GROEIT KLIMOP! // ik ben ver weg geweest. // KLIMOP! / ER GROEIT KLIMOP TEGEN DE MUUR! / OOOH! ZO GROEN!’
Duinker trekt ten strijde ‘Tegen de Inhoud. / Tegen de Persoonlijkheid. / Tegen de Essentie,’ zoals hij, alweer, met hoofdlettters schrijft. Het gaat hem erom ‘te zien / wat is, zonder meer, / zodat alles zichzelf is.’ Zijn deze regels te lezen als poëticale intentieverklaringen, gedichten als die over de klimop zijn bedoeld als de uitwerking van een intentie. De bundel bevat nogal wat gedichten die zonder zich te bekreunen om een diepere betekenis simpelweg de werkelijkheid kopiëren. Dat het bij deze mimetische poëzie om een nieuwe ervaring van de werkelijkheid gaat, moet blijken uit de veelvuldig gebruikte hoofdletters en uitroeptekens, of uit de wijze waarop in één gedicht een weg, een boom, een paleis met balkonnen, de lucht, de sterren, de wolken, het water en de torens door middel van steeds andere bijvoeglijke naamwoorden een ander aanzien krijgen, om uiteindelijk uit te monden in:

De rode weg.
Een witte boom.
Het groene paleis met de gouden balkonnen.
De blauwe lucht, gele sterren, paarse wolken.
Het zilveren water.
Zwarte torens.


Duinkers intentie is duidelijk genoeg. Dat zijn gedichten desondanks de indruk wekken uiterst particuliere (d.w.z. voor de lezer nauwelijks interessante) impressies van de werkelijkheid te zijn, — dat Duinker met andere woorden niet van het particuliere naar het individuele weet te komen, is het onvermijdelijke gevolg van zijn werkwijze.
In zijn intentieverklaringen ligt namelijk een paradox verscholen. De afwijzing van iedere essentie, van begrip, inhoud en persoonlijkheid heeft gevolgen voor de wijze waarop de dichter met taal aan die afwijzing een vorm geeft. De betekenissen die de alledaagse werkelijkheid aankleven, de woorden waarmee onze voorstelling van die werkelijkheid is opgebouwd, worden door Duinker in zijn intentieverklaringen terzijde geschoven. Die verklaringen zelf gaan uiteraard nog steeds van die betekenissen uit, — anders zouden wij ze niet als zodanig kunnen begrijpen.
In de gedichten waarin die intentieverklaringen hun poëtische vorm moeten krijgen, blijkt echter de taal nog steeds in exact dezelfde afbeeldende zin gebruikt te worden als in het alledaagse taalgebruik. De door Duinker opgeroepen werkelijkheid is alleen ‘zichzelf’ voor zover de lezer bereid is uit te gaan van de inhoud van de intentieverklaringen, en voor zover hij bereid is de uitroeptekens en hoofdletters als overtuigende bewijzen voor het nieuwe van de opgeroepen voorstelling te beschouwen. Als men daartoe, zoals ik, niet op voorhand bereid is, worden de meeste gedichten in Rode oever uiterst particuliere ervaringen van de dichter, ervaringen waarvan men vermoedt dat ze voor hem (en voor hem alleen) wel de uitdrukking zullen zijn van die in de intentieverklaringen aangekondigde nieuwe werkelijkheidservaring, van de werkelijkheid die ‘zichzelf’ is, maar die niet in staat zijn ook de lezer daarvan te overtuigen.
Het autisme van de hedendaagse jongere dichters is het gevolg van de relativiteit van essenties, van betekenissen die ooit in onze cultuur geformuleerd werden en die het beeld van de werkelijkheid bepaalden. Duinker reageert daarop door zijn verlangen buiten alle begrip om ‘van de dingen / juist de dingen zichtbaar (te laten) zijn.’ Het leidt echter tot een blote opsomming van planten, stenen, bramen, rode bloemen, mensen, balkons, luchten, vogels en bomen die, áls opsomming, de geformuleerde intenties voor de lezer niet kunnen waarmaken, — al twijfelt men geen moment dat ze dat voor Duinker wél doen. Het lijkt erop dat er in deze poëzie voor de lezer geen plaats is ingeruimd.
Toch komt Duinkers poëzie op mij heel wat sympathieker over dan die van de maximalen of die van Weg. Net als bij deze dichters het geval is, lukt het hem niet zich van het autisme te bevrijden, maar Duinker is nergens een zichzelf overschreeuwende of bewenende poseur. In zijn pogingen buiten alle begrip om tot een nieuwe ervaring van de werkelijkheid te komen, is hij bloedserieus en in zekere zin hulpeloos. ‘Ik omhels je, kalme steen, ‘ zo schrijft hij, ‘Voel mijn naaktheid.’

14:05 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.