04-04-06

Dros Nico

ZINNELIJK ALS SCHEEPSBESCHUIT
Nico Dros, Familiezaken. Verhalen. Van Oorschot, Amsterdam 1994.
in: NvhN, 10-6-1994

Wie op een van onze eilanden wordt geboren, komt er nooit meer van af. Hij kan de laatste boot naar Lauwersoog, Holwerd, Harlingen of Den Helder nemen, hij kan zelfs verhuizen naar het vasteland — nooit zal het eiland hem verlaten, ook al verlaat hij het eiland. Dat is althans de conclusie die ik wel trekken moet nu ik het tweede boek van Nico Dros, de verhalenbundel Familiezaken, gelezen heb. De hoofdpersonen uit de vier verhalen in dit boek zijn onherstelbaar eilanders. Ze komen er ofwel daadwerkelijkvandaan, of ze weten zich in een meer figuurlijke zin van het vasteland van de gemeenschap gescheiden. Tussen hen en de wereld, tussen hen en de anderen, ligt altijd die drabbige en verradelijke Waddenzee, een gebied dat soms even begaanbaar lijkt, maar dat voor je het in de gaten hebt weer is ondergestroomd. Wie dan de overkant niet heeft bereikt, verdrinkt.
Zoiets hoeft natuurlijk helemaal geen probleem te zijn, zolang men maar op zijn eigen eiland blijft, zolang men zijn vijandigheid tegenover de anderen maar gebruikt om zijn eigen onafhankelijkheid te bewerkstelligen. Dat is ook wat de hoofdpersoon uit 'Mozaïek van het eigen erf', het laatste verhaal uit de bundel, ontdekt in het zware boerenleven van zijn grootvader, zijn vader en zijn broer. Hij begrijpt dat zij vorm proberen te geven 'aan een ideaal dat de Oude Grieken al koesterden. Zij werden gedreven door een zucht naar autarkeia, het volledig op jezelf willen zijn, niemand nodig hebben. Een droom van vrijheid (...)'.
Zou het Dros gelukt zijn om zich tot deze kwestie te bepalen, hij zou met dit verhaal wellicht iets hebben kunnen schrijven dat in de buurt kwam van de Into their labours-trilogie die de Engelse schrijver John Berger tussen 1979 en 1990 schreef: een schitterend drieluik over het boerenleven in een dorpje in de Franse Alpen. Sommige fragmenten doen er wel even aan denken, bijvoorbeeld waar Dros zijn hoofdpersoon laat noteren hoe zijn vader de dwangbevelen van de gemeente naast zich neerlegt en onbekommerd zijn erfvolbouwt met allerhande schuurtjes zonder daarvoor ooit een bouwvergunning aan te vragen. Maar waar ik al in de verleiding kwam om Dros' verhaal met Berger te vergelijken, sprongen ook onmiddellijk de verschillen in het oog.
Voor Dros is de zucht naar autarkeia niet alleen maar 'een droom van vrijheid', maar ook onmiddellijk 'een verlangen dat gekozen werd uit eenzaamheid, het besef dat er geen bondgenoten zijn'. Bergers personages zijn zeer aardse mensen die leven met het besef dat men altijd tekort zal schieten, maar die niet de neiging hebben daarop te reflecteren en zich in die reflectie over hun lot te beklagen. Maar bij Dros vindt men steeds dit soort abstracties: de zucht naar vrijheid is onmiddellijk ook eenzaamheid en krijgt daarmee ietslarmoyants. Dat heeft alles te maken met het perspectief van waaruit Dros zijn verhalen vertelt: zijn vertellers zijn weliswaar eilanders, maar zij hebben de oversteek naar het vasteland gemaakt, gedreven door een verlangen naar het andere, en vooral: naar de ander. Meestal gaat het om een Grote Liefde. Die loopt natuurlijk spaak, omdat de personages hun geliefden opzadelen met de overspannen verwachtingen die zijzelf hebben, en juist omdat het spaak loopt voelen zij zich geslagen door het noodlot.
Dat komt onder meer tot uitdrukking in het taalgebruik. 'Werd hem een verborgen waarheid getoond in het epifanisch grensgebied tussen waken en slapen?' zo denkt er eentje, en ik zou alleen al om de wijze waarop die vraag geformuleerd is, willen antwoorden: natuurlijk niet. Datzelfde personage reist aan het eind van zijn verhaal het Noorden tegemoet, 'dat in het teken staat van kil verdriet. Uiteindelijk zal het hem dwingen de gapende diepte van zijn eigen innerlijk te dooorgronden', zo staat er, en men wenst hem daarmee veel succes. Weer een ander, in een ander verhaal, heeft 'een wond in zijn hart'en meent: 'Iets dieps in mij moest worden aangeraakt om verlost te worden van die kilte, het gevoel geen ziel meer te hebben. Maar alles was vergeefs'. Ja, geen wonder, want wie het steeds maar zo in de diepte zoekt, vergeet dat zijn werkelijke tekort in een gebrek aan oppervlakte ligt, in de overgave aan wat er wél is.
Maar daar zoeken Dros' personages het nooit (de verhalen zijn dan ook ongeveer zo zinnelijk als scheepsbeschuit). De mislukking van hun pogingen de ander te bereiken, leidt alleen maar tot sombere beschouwingen over erfelijke belasting, een soort naturalisme après la lettre, waarin het noodlot zo zwaar, zo fataal is, dat Couperus er nog een puntje aan had kunnen zuigen. Het zal ook wel geen toeval zijn dat de hoofdpersonen nooit eensjenever drinken, maar altijd 'genever'.
En dat is jammer, want Dros beschikt volgens mij over een arsenaal aan prachtige eilandverhalen. De geschiedenis van Pieter en Aaltje uit het titelverhaal bijvoorbeeld, een tragische geschiedenis die zwaarwichtige beschouwingen over de 'mengeling van ingeschapen pessimisme en een aangeleerde neiging zich vol theologische zelfhaat te bespiegelen' niet van node heeft om indruk te maken. Integendeel, dergelijke beschouwingen doen er maar afbreuk aan. Zo is ook een scène uit het laatste verhaal, waarin grootvader, vader en zoon gedrieën door het land kruipen om aardappels te rooien, op zichzelf veelzeggend genoeg, en wordt die door abstract geleuter over verbondenheid en erfelijkheid alleen maar nodeloos verpest.
'Je bent hoogstens in staat tot het schrijven van een etnografie over je geboortegrond,’ zo zegt de vriendin van één van de hoofdpersonen. Ze bedoelt het als een verwijt. Ik lees het als een wens: was Dros daartoe maar in staat, kon hij zich daartoe maar beperken — hij zou de hinderlijk 'literair' aandoende neiging zijn personages in te kapselen in abstracties misschien achterwege hebben gelaten. Was hij kortom maar gebleven wat hij is: een eilander.

13:38 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.