03-04-06

Dorrestein Renate

JEZUS EIKEL, GOD BESTAAT, WEET JE
Renate Dorrestein, Verborgen gebreken. 238 blz. Uitgeverij Contact, Amsterdam 1996.
in: NvhN, 16-2-1996

Wat moet je nu precies denken van een boek waarin je al op bladzijde 9 leest dat een meisje van ongeveer negen jaar oud voortdurend het gevoel heeft 'alsof ze een olifant met zich mee-torst'? En op bladzijde 14 dat ze zomaar een klasgenootje met een roestige spijker heeft bewerkt? En een bladzijde later, dat dit meisje — dat Christine heet, maar het liefst Chris genoemd wil worden en zich ook jongensachtig gedraagt — niet alleen beweert de Engel der Gerechtigheid te zijn, maar ook dat ze nooit huilt omdat ze 'gewoon tralies voor haar ogen heeft gedaan', terwijl ze, weer een paar bladzijden later, zegt 'het' altijd al aan 'zijn' stem te kunnen horen als hij thuis komt? Toen ik dit alles binnen een kleine twintigtal bladzijden van Renate Dorresteins nieuwe roman Verborgen gebreken tot mij had genomen, vreesde ik al min of meer wat ik op bladzijde 30 dan ook inderdaad bevestigd kreeg. Daar lees je over hetzelfde meisje: 'Ze kneep in haar armen, in haar benen. Ze voelde al bijna niets meer. De deur van haar kamer zou zo wel zachtjes opengaan'. Het is duidelijk, lijkt me. Dit gaat over in-cest.
Het klinkt misschien enigszins pervers, maar voor mij is zo'n opbouw van een roman literair gesproken altijd nogal een teleurstelling: het duistere, destructieve gedrag van het meisje wor¬dt hier naar mijn zin literair-technisch gesproken veel te snel op één bepaalde noemer gebracht en ontneemt aan de gedragingen van dat meisje meteen alle geheimzinnigheid. Het verhaal dreigt na deze vlot verkregen zekerheid een case-study van een incest-slachtoffer te worden, en bij dat soort verhalen vraag ik me wel eens af of de literaire opsmuk waarmee ze vervolgens vaak worden verteld uiteindelijk niet perverser is dan mijn teleurstelling over het feit dat de auteur al meteen al zijn troeven uit heeft gespeeld, dat hij mij als lezer in de rol van passieve consument heeft gedwongen en als zodanig ook een eenduidige, politiek-correcte reactie van mij afdwingt: ik krijg een mooi of minder mooi verteld verhaal te lezen over iets wat anderen dan mijzelf overkomt en dat ik niet anders dan afschuwelijk kan vinden.
Maar zo eenvoudig ligt het niet helemaal in deze roman. Want maakt de incestueuze relatie tussen Christine en, zo blijkt, haar zeven jaar oudere halfbroer — die, ontdekken we later, ook pogingen heeft ondernomen zijn pas vier jaar oude halfbroertje aan te randen (de drie kinderen hebben alledrie verschillende vaders) — niet deel uit van een veel meer omvattende vraag die Dorrestein aan de orde wil stellen? Als dat zo is, kun je in ieder geval vaststellen dat ze die gelukkig níet met zoveel woorden formuleert. Incest zou in deze roman dan onderdeel zijn van de veel grotere vraag naar de conditio amoris, naar de liefdesstaat zoals die tussen broers en zusters bestaat vooral. Het gaat in deze roman om dat intieme gebied van de familie-relaties, om dat domein waar idealiter een haast paradijselijke veiligheid heerst voordat men uit het paradijs de wereld van de volwassenheid wordt ingestuurd.
Er zijn, lijkt me, veel manieren te bedenken om deze intimiteit (de 'normale' uiterlijke verschij-ningsvorm ervan, maar dus ook de uitwassen) in een roman aan de orde te stellen (denk aan De dag des oordeels van Salvatore Satta bijvoorbeeld), maar bij de manier waarop Dorrestein het hier gedaan heeft, heb ik me toch herhaaldelijk achter de oren gekrabd. Dat Dorrestein in dit boek een afgelegen, min of meer van de rest van de wereld geïsoleerde plek als plaats van handeling heeft gekozen, zal lezers van haar werk niet verbazen (ditmaal een huisje op één van de Schotse eilanden; in haar vorige roman, Een sterke man, was het meen ik Ierland), maar de wijze waarop Christine en haar jongste halfbroertje Tommie op die plek belanden, is zo omslachtig dat het haast slapstick wordt. Christine, haar twee halfbroers, haar moeder en de nieuwe vriend van haar moeder moeten daarvoor eerst op vakantie naar Schot-land waar Christine min of meer per ongeluk haar oudste halfbroer een duw geeft die hem het leven kost, waarna Christine samen met Tommie op de vlucht slaat (wegloopt) door zich te verschuilen in de auto van een Nederlandse vrouw van 70 jaar, Agnes, die juist met de as van haar zeer geliefde overleden broer op weg is naar het huisje dat zij samen met hem en nog drie andere broers jaren geleden als ruïne kocht en opknapte en waar zij al jaren iedere zomer naar toe gaat, en die vroeger voor één van de broers een meer dan zusterlijke liefde koesterde.
Het is niet de enige keer dat de gebeurtenissen zo tumultueus zijn dat ze binnen de realistische conventie die in de rest van de roman het verhaal bepaalt, ongeloofwaardig worden. Naar het einde toe kom je bijvoorbeeld nog een scene tegen waarin Agnes niet alleen haar ene glazen oog is kwijtgeraakt maar ook nog op het tuinpad van haar huisje een beroerte krijgt, en dat dan weer juist op het moment dat Christine met een luchtbuks een man neerschiet die naast haar staat en die behoort tot een organisatie voor vakantiehuisjes. Ik zal hier niet proberen uit te leggen hoe het zover heeft kunnen komen, maar ook zonder dat schiet je hier eerder in de lach dan dat deze scene het apocalyptische karakter krijgt dat het, gezien het verloop van de roman, eigenlijk zou moeten hebben.
Wat op het niveau van de handeling gebeurt, gebeurt eigenlijk ook op het niveau van de motieven: er wordt een beetje al te veel op elkaar gestapeld. Ik gebruik hier woorden als 'paradijselijk' en 'apocalyptisch' niet helemaal toevallig. Niet alleen laat Christine hier en daar blijken dat ze eigenlijk op zoek is naar het bewijs dat God toch bestaat — 'Jezus, eikel. (...) God bestáát, weet je' — maar ook laat Dorrestein aan elk van de zeven delen waaruit haar roman bestaat een soort bloemlezing uit het bijbelboek Genesis 1 vooraf laat gaan: de schep-ping van de wereld (die dan parallel loopt met de ondergang van de wereld zoals die voortdu-rend aan de orde is). Daarmee wordt aan één en ander een metafysische laag toegevoegd, zij het op een nogal opzichtige manier. Als je daar dan nog de passages aan toevoegt waarin Dorres-tein op een columnisten-toontje het moderne leven in de gemiddelde nieuwbouwwijk en de idiotie van de hedendaagse toerist op de hak neemt, krijg je uiteindelijk een nogal overladen boek waarin alles wat subtiel had kunnen zijn, in de uitwerking buitengewoon is vergroofd en vrijwel voortdurend langs zijn doel schiet.

15:58 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.