03-04-06

Doorman Maarten

POËTISCH ACTIVISME
Maarten Doorman, Afstandsbediening van katoen. 54 blz. Uitgeverij Bert Bakker. Amsterdam 1996
in: DGA, 6-3-1996

Als ik iemand hoor beweren dat poëzie in de wereld van vandaag helemaal niets meer vermag (wie leest het nog, en vooral: wie kan er nog een touw aan vast knopen), dan heb ik altijd de neiging om in de contramine te gaan. Poëzie, zo beweer ik dan op parmantige toon, vermag alles. Niet zelden doe ik er meteen nog maar een schepje bovenop ook: poëzie verandert zelfs de wereld, zeg ik dan en trek daarbij beslist níet het gezicht van iemand die zijn gesprekspart-ner in het ootje neemt. Gewoonlijk (om al te directe vragen naar het concrete bewijs van die verandering voor te blijven) laat ik hier een duur klinkende verhandeling over de metamorfori-serende kracht van alle poëzie op volgen, een uiteenzetting over het vermogen van de dichter om met taal aan de talige categorieën van de geest te ontsnappen, om met en door taal weer het kind te worden dat zich over ieder woord voor ieder ding nog verbaast, omdat de relatie tussen woorden en dingen voor hem niet vanzelfsprekend is.
Zo'n verhaal maakt soms indruk. Meestal niet. 'De wereld veranderen' is voor de meesten toch wat anders dan opnieuw kind worden en het revolutionaire karakter van een op een bepaalde, metamorforiserende wijze geschreven gedicht over het bloesemen van een vruchtenboom is minder evident dan een in gangbaar boerenfluitjes-Hollands geschreven vers over de gruwelen van de Betuwelijn. Het geval wil, dat alleen die laatste soort poëzie voor werkelijk geëngageerd doorgaat (zij het ook dan nog een stuk minder effectief dan een protest-song), terwijl de eerste soort vaak alleen maar 'moeilijk' heet te zijn.
Kortom, achter de vraag naar het revolutionaire karakter, of liever: het veranderende, metamor-foriserende karakter van poëzie doemt een aloude kwestie op — een kwestie die in vrijwel elke debat over poëzie dat in deze eeuw werd gevoerd, aan de orde is geko¬men: gaat de inhoud aan de vorm vooraf, of is het juist omgekeerd. Is het gedicht niets anders dan de vormgeving van een boodschap of emotie die al vóór het schrijven bestond (het gedicht is de aankleding), of ontstaat de inhoud pas in en met en tijdens het schrijven (het gedicht als ervaring). Wat voor geëngageerde poëzie doorgaat is dan vaak niet meer dan een enigszins poëtisch aangeklede boodschap, terwijl de poëzie van de ervaring vaak duister heet te zijn, ontoegankelijk of alleen maar esthetisch, juist niet-geëngageerd dus. Het zal duidelijk zijn dat de poëzie waarvan ik zo parmantig beweer dat ze de wereld kan, en wat mij betreft ook weet te veranderen, juist van deze laatste soort is, terwijl de eerste soort mij als poëzie niet bijster interesseert.
Dat was meteen het grootste probleem waarvoor ik kwam te staan bij lezing van de nieuwste bundel van Maarten Doorman, Afstandsbediening van katoen. Het gaat weliswaar te ver om op grond van deze bundel Doorman tot alleen maar een poëtisch activist te verklaren, maar zijn nieuwste bundel bevat nogal wat dichtregels die evengoed in een protest-song, een pamflet of desnoods op een Loesje-poster konden staan. Men vindt althans in Afstandsbediening van katoen hier en daar 'leeggeschoten pleinen' en 'oogverdonde-rend lawaai van mortieren'; men vindt er straatfiguren ('hoekwachters') die 'in portieken gedrukt / tegen de regen' staan weg te raken; men vindt bomen die staan te sterven 'in de zuurlucht / van varkens en voer dat afvalt'; weer elders lees je: 'Men trommelt op papier ongehinderd / een taptoe van wooneenheden bij elkaar / onder het zuidelijk excuus van patio en kasba' en is dus de ergernis over het moderne bouwen het onderwerp.
In al deze geëngageerde gedichten is wel iets met de taal gedaan (zie 'oogverdonderend' of het spelletje met bij elkaar trommelen en taptoe in de voorbeelden hierboven), maar uiteindelijk zijn de woorden hier voor Doorman toch in de eerste plaats boodschappenwagentjes. Het 'oogverdonderend' is een bepaald niet oogverblindende vondst om een enigszins oorverdovend effect te bereiken in een gedicht waar lawaai van mortieren 'de lucht openscheurt'; het is een wat geforceerde poging een woord te vinden om juist een cliché als 'oorverdovend lawaai' te vermijden.
Het gedicht waar deze vondst uit komt, is zelf een mooi voorbeeld van hoe de wil om in een gedicht compassie te betonen met slachtoffers van een oorlog ertoe kan leiden dat men de poëtische logica die de taal de dichter oplegt, loslaat. In het gedicht, 'Wanneer je thuis bent' geheten, probeert de dichter de realiteit van die oorlog naderbij te halen door de lezer uit te nodigen zich voor te stellen wat er gebeuren zou wanneer men zelf in een oorlogssituatie zou verkeren. 'Stel je wordt wakker / in het zachtbrekende glas / van vogels in de ochtend', zo begint dit lange gedicht veelbelovend, en steeds opnieuw vraagt de dichter ons een voorstelling te maken van een situatie waarin 'een wolkje ver weg (...) misschien het gevolg / van een schot' is, waarin je 'thuis / achter de tralies van je eigen tongval / vast in lettergrepen van andermans taal' zit, en ten slotte ook: een situatie waarin je wakker wordt 'in het orenklovend licht / het oogverdonderend lawaai van mortieren'.
Op zich kan het dit je-een-voorstelling-maken een adequate manier zijn om zo'n oorlogssituatie wat naderbij te halen, maar de essentie van zo'n situatie is toch dat datgene wat wij in vrede volstrekt normaal en vanzelfsprekend vinden, zijn vanzelfsprekendheid heeft verloren. Daar ligt bij uitstek een uitdaging voor de poëzie, lijkt me: niet door je per gedicht alleen maar een voorstelling te maken van hoe het eventueel zou zijn wanneer je beschoten wordt, maar je in de gedichten zelf laten beschieten. En dat was ook waartoe die eerste regels over dat zachtbreken-de glas van een nog vredige werkelijkheid de dichter hadden kúnnen uitnodigen als hij een dichter was geweest die gaat waar de woorden gaan.
Zo'n dichter is Doorman niet, of niet helemaal, moet je eigenlijk zeggen. De enige gedichten in deze bundel waarin het niet de boodschap is, maar de taal die het voor het zeggen krijgt, staan aan het begin van de vierde afdeling en heten allebei 'Zapbeheersing'. In die gedichten vind je de niet becommentarieerde tekstfragmenten die een lui in zijn bank onderuit gezakte kanaal-zwemmer met zijn afstandsbediening tevoorschijn kan toveren: 'Het helpt bij de bescherming van de huid / als ze om beurten boven liggen. Want / in weinig dorpen is voedsel en water'. Enzovoorts. Het zijn gedichten die gebaseerd lijken te zijn op wat vroeger het spelletje Pim-pam-pet heette, een spelletje dat zelf wellicht gebaseerd was op het cadavre exquis-principe van veel surrealistische poëzie. Maar ook hier wordt het spel niet gespeeld om uit de botsing van sferen een nieuwe werkelijkheid te creëren (zoals bij de surrealisten en de experimentelen), maar om de versplinterde postmoderne zap-wereld te reproduceren, en er tegelijkertijd tegen te protesteren: 'It must be stopped: NOW', zo luidt de laatste regel van het tweede 'Zapbeheer-sing'-gedicht.
Zo gaat dan de meeste poëzie in deze bundel voor mij verloren, blijven het voor het overgrote deel kapstokjes of, zoals Du Perron dat ooit noemde, presenteerblaadjes met boodschappen die mij weliswaar sympathiek zijn (ik ben ook tegen oorlog, namelijk, en dat postmodernisme zit mij allerminst lekker), boodschappen ook die worden uitgesproken door iemand aan wiens integriteit ik geen moment twijfel, maar die hier voor mij maar zelden dichter is.
In een enkel gedicht lukt hem dat wat mij betreft wel, bijvoorbeeld in 'Achterop en voordoen': 'De stad is zo stil, de slapende honden / van het verkeer staan met vergunning / achterop in de goot. Hoor de eerste / bovengeleide tram hoor hem / ademhalen per halte. // In elke nog brandende lantaarn / een oor, hoor hoe de stilte / van de straten met naam stiller / zelfs wordt dan de straatnamen / zonder straat. // Het onmogelijk hogere kan zich hier / ieder ogenblik voordoen, dat gaat / net nu het buiten klinkt als katoen. // Ochtendlicht wordt even verzet.' Hier weet Doorman wat mij betreft de wereld even dat duwtje te geven dat een al duizendmaal geziene ochtendlijke straat in, zeg maar Amsterdam tot iets weet te maken wat men nog niet eerder zag, wat men hier voor het eerst pas lijkt te zien. Dat lukt hem op nog wel een paar plekken in de bundel, en pas daar spreekt hij zich wat mij betreft 'opvallend geëngageerd' uit, zoals de achterflap meldt. Ik vrees alleen dat de achterflapschrijver die gedichten geëngageerd noemt die voor mij alleen maar bestaan uit de piepende boodschappenwagentjes vol heus wel en echt best wel gemeende verontwaardiging over onze arme planeet.

15:44 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.