03-04-06

De Liagre Böhl Herman

GORTER EN DE GENEZING VAN DE POËZIE
Herman de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor u geleefd. Herman Gorter 1864-1927. 559 blz. Uitgeverij Balans, Amsterdam 1996.
in: NvhN, 17-5-1996

Eerlijk gezegd ben ik eigenlijk vooral geïnteresseerd in de gedichten van een dichter, en ook wel in zijn opvattingen over poëzie, maar niet of nauwelijks in zijn leven. Wat je over de levens van dichters wel eens hoort of leest is immers vaak niet interessanter of uitzonderlijker dan wat je over de levens van ande-ren hoort of meent te weten. Natuurlijk bestaat er tussen het één en het ander een verband, is hetgeen de dichter in zijn leven meemaakt, zijn de omstandig-heden waarin hij zich op bepaalde momenten bevindt, van invloed op hetgeen hij ¬schrijft. Maar wat hij schrijft is niet dáárom de moeite waarde. De gedich-ten van een dichter zijn de moeite waard omdat ze iets over míjn leven zeggen, omdat ze voor de lezer iets betekenen. Daarbij is het van geen enkel belang wat de aanleiding voor het gedicht was, wat de dichter ‘bewoog’ toen hij het schreef. Het gaat altijd om hetgeen zijn gedicht in mij (de lezer) in beweging weet te brengen.
Ik houd dus niet zo van het genre van de biografie en het lijkt me goed om dat hier vooraf alvast mee te delen, omdat deze afkeer zeker een rol speelt bij de gemengde gevoelens en soms zelfs ronduit ergernis die Herman de Liagre Böhls biografie over Herman Gorter, Met al mijn bloed heb ik voor u geleefd, bij mij opwekte.
De ergernis begint er natuurlijk al mee dat De Liagre Böhl op diverse plekken Gorters gedichten helemaal niet als gedichten leest, maar als biogra-fisch bronnenmateriaal. Het is alsof de biograaf hier het werk van Gorter voor zich heeft genomen en al bladerend door de gedichten — nu eens wijzend op dit, dan weer op dat gedicht — tegen ons zegt: ‘kijk, hier had de dichter het héél moeilijk’. Zoals gezegd: het is ongetwijfeld waar dat bepaalde voorvallen in het leven van de dichter tot bepaalde gedichten hebben geleid, en voor een rasech-te biograaf zal het in meerdere gevallen ook zonneklaar zijn dat gedicht X ‘teruggaat op’, of zelfs: onverbloemd ‘gaat over’ die en die gebeurtenis. Maar wie de gedichten alleen maar zo leest reduceert poëzie tot illustratiemateriaal, tot lichtbeelden bij een leven dat, ook in het geval van Gorter, niet uitzonder-lijker was dan dat van velen.
Nu is De Liagre Böhl, als elke biograaf, op zoek naar een archimedisch punt in het leven van Gorter, naar iets wat hem zou kunnen verklaren, bijvoorbeeld naar hetgeen zou kunnen verklaren hoe de dichter van de Mei en van die nog veel fraaiere, duizelende, zinsbegoochelende maar toch steeds en overal verderlicht blijvende sensitivistische verzen (uit de bundel Verzen van 1890) uiteindelijk de dichter van (althans mij) vaak deprimerende pamflettistische poëzie met socialistische strekking werd. Hij maakt deze kwestie, niet ten onrechte, tot het sleutelprobleem van Gorters leven, en eigenlijk — al zegt De Liagre Böhl dat niet met zoveel woorden — is het het centrale probleem van de hele twintigste eeuwse dichtkunst.
In de twintigste eeuwse poëzie gaat het eigenlijk steeds om de vraag of poëzie los dient te staan van alle ethische bekommernis, of juist integendeel een ethische boodschap moet hebben, of de dichter individualist of juist collectivist zou moeten zijn en, verwant hieraan, of zijn gedichten de verwoording van een boodschap (of idee) zijn die al voor het schrijven van het gedicht bestaat, of dat de boodschap, de ‘inhoud’ zeg maar, pas in en door het schrijven ont-staat. Het totale oeuvre van Gorter is een haast perfecte demonstratie van deze tweespalt.
Gorter zelf — die, zoals ieder mens eigenlijk doet, al zijn vroegere overtuigin-gen opvat als stadia in een ontwikkeling naar zijn laatste overtuiging toe — heeft deze kwestie voor zichzelf al opgelost toen hij een uitgave van zijn ver-zamelde gedichten in 1905, na zijn bekering tot het socialisme, indeelde in de afdelingen: ‘Sensitieve verzen’, ‘Overgang van Individualisme naar Socialis-me’ en ‘Socialistische verzen’. En ja, een dichter heeft natuurlijk het recht zich omtrent zijn eigen poëzie zo te vergissen dat hij wat voor mij, laat twintigste eeuwse lezer, het hoogtepunt van zijn poëtische oeuvre vormt, reduceert tot voorstadium van wat hijzelf blijkbaar als het hoogste en beste van zijn werk beschouwt. Maar vervelend is dat de biograaf hier de dichter lijkt te volgen. Weliswaar heeft ook De Liagre Böhl, als de meeste Gorter-lezers, voor Gorters vroegere verzen een voorkeur, maar tegelijkertijd, door zijn psychologiserende leeswijze van die gedichten, ziet hij ze als de uitdrukking van een psychische verwarring die Gorter later in zijn leven wist te beteugelen.
De tweespalt moest opgelost worden, zo vond Gorter, en eigenlijk geeft De Liagre Böhl hem daarin groot gelijk. De tweespalt in Gorter, dat was de twee-spalt in de hele beweging van Tachtig, en het is de tweespalt waaraan die beweging ten onder is gegaan, zo constateert De Liagre Böhl herhaaldelijk. Hadden de Tachtigers ‘de strijd tussen ziel en zinnen’, tussen het radicale individualisme dat alleen de Schoonheid als godheid duldde en de maatschap-pelijke verantwoordelijkheid en functie van de kunstenaar nu maar opgelost, dan hadden we tot op de dag van vandaag De nieuwe Gids nog kunnen lezen, zo hoor je De Liagre Böhl vaak tussen de regels door verzuchten. Alsof die tweespalt niet juist, achteraf beschouwd, de voorwaarde voor de poëzie van Tachtig was, alsof het je volledig willen toewenden tot de schoon-heid en niets dan de schoonheid niet altijd en tegelijkertijd een je volledig afwenden van elk ethisch of utilitair beginsel zou zijn en dus niet al per defini-tie verscheurdheid inhoudt.
Bij Gorter, en ook bij de beweging van Tachtig gaat het om het typische le-vensgevoel van de Romantiek, een levensgevoel dat zich enerzijds uitdrukt in het zoeken naar één alomvattend principe of beginsel, maar anderzijds, juist ten opzichte van dat beginsel, in een gevoel voortdurend tekort te schieten. Was de dichter klankbord van een als eenheid ervaren natuur, of projecteerde hij met zijn poëzie die eenheid op de natuur, was die eenheid slechts het ver-langen uit de gebrokenheid verlost te worden? Gorters sensitivistische verzen zijn een prachtige uitdrukking van deze tweespalt van verlangen en tekort, van volheid van zinnen en gemoed en van het (overigens met groot dichterlijk vermogen opgeschreven) onvermogen dat uit te drukken, van exuberantie en overvloed naast gestamel en kaalheid.
Dat Gorter deze tweespalt in zichzelf en geforceerd wilde oplossen door eerst zijn heil te zoeken bij Spinoza en vervolgens bij Marx, Engels en, vooral Karl Kautsky kan ik me op een bepaalde manier ook wel voorstellen; hij werd er werkelijk door gekweld en De Liagre Böhls biografie maakt in ieder geval duidelijk dat hij er als socialist en communist ook niet helemaal overheen is gekomen. Dat socialisme was voor hem vooral iets abstracts; de idee van het socialisme en daarmee de idee van de collectiviteit moesten hem schadeloos stellen voor de romantische tweespalt in zijn individu en stonden ook in dienst van zijn eigen individualiteit. Gorter heeft weliswaar zijn han-den uit de mouwen gestoken, is niet alleen intellectueel gebleven, maar ook werkelijk partijman geworden, een man van actie, maar dat maakte deze cricket-liefhebber nog niet tot arbeider onder de arbeiders, noch streefde hij ooit iets dergelijks na. Je kunt dat ook zo zeggen: het socialisme/communisme (en eerder het het spinozisme) moest hem van zijn dichterschap genezen, van de voor hem niet te verdragen maar met de moderne poëzie van Tachtig tot heden altijd verbonden paradox die het leven na het wegvallen van die ene God alleen nog maar zijn kan.
Juist dat is wat De Liagre Böhl in zijn biografie niet ziet, al was het maar omdat hij niet ziet dat juist de tweespalt Gorter tot dichter stempelt, dat zijn poëzie dan weliswaar mag duiden op psychische crises in zijn leven, maar dat die crises hier geobjectiveerd zijn tot poëzie die in haar paradoxale verschij-ningsvorm voor mij als lezer ook anno 1996 nog steeds onvernminderd van kracht blijft. Tijdens het lezen had ik dan ook meermalen het gevoel dat de biograaf eigenlijk niet zo’n poëzielezer is — ook al omdat de delen over de socia-list Gorter makkelijker geschreven zijn, met meer overtuiging (en dat De Liagre Böhl in 1973 promoveerde op de politicus Gorter versterkt dat alleen maar).
En daarmee kom ik dan terug op de ergernis die ik tijdens het lezen vaak voelde: het is de ergernis over het feit dat De Liagre Böhl met deze levensbe-schrijving Gorter plaatst in het perspectief van de genezing van zijn dichter-schap, maar zonder dat hij dat zelf door heeft, omdat hij niet doorheeft waarbij de poëzie van Gorter werkelijk bestaat. En het is natuurlijk vooral ergernis over het feit dat De Liagre Böhl mij zo de dichter afneemt, mij míjn Gorter ontrooft. Dat had hij niet mogen doen, vind ik.

13:39 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.