03-04-06

Claus Hugo

MOEDER WAAROM LEVEN WIJ?
Hugo Claus, Belladonna. 350 p. De Bezige Bij, Amsterdam 1994.
in: NvhN, 18-11-1994.

‘Wie te veel wil zien, ziet niets. De wereld is een slecht geregelde, verkeerd afgestemde tv. Maar hoe minder je ziet, hoe duidelijker de stemmen zijn. Stemmen die zien,’ zo staat er bijna aan het eind van Hugo Claus' nieuwe roman Belladonna. Het zijn van die zinnen die gaan werken als een beschrijving van wat de roman eigenlijk is; ze vormen een soort leesaanwijzing in een verhaal waarvan men inmiddels de draad is kwijtgeraakt, misschien wel omdat men te veel heeft willen zien. In ieder geval omdat het een roman vol stemmen is die als een slecht afgestelde tv door elkaar spreken. ‘Dit lijkt mij een tergend en roekeloos geding,’ zo heet het even verder uit de mond van één van de tien, twaalf jonge advocaten die plotseling op een kruispunt verschijnen, en ook dit lijkt mij een uitspraak over het hele boek te zijn. Helemaal zeker weet ik het niet (zoals ik ook niet zeker weetof ik aan het getal twaalf een diepere betekenis moet hechten: de twaalf discipelen, bijvoorbeeld?). Maar het lijkt me niet onaannemelijk.
Belladonna begint namelijk overduidelijk als een satire op het hedendaagse culturele leven in Vlaanderen, dat niet erg verschilt van dat in Nederland. Het is, zo zou je kunnen zeggen, een geding in romanvorm tegen het reilen en zeilen binnen het culturele wereldje, waar heren met immense eigenbelangen in commissies zitting hebben waar subsidieaanvragen van anderen én van henzelf in behandeling worden genomen. Wanneer die vanhenzelf aan de beurt zijn, verlaten de betrokkenen discreet, maar vertrouwend op de goede afloop, de vergadering. Het zijn van die scènes die we kennen uit verontwaardigde artikelen die ook in de Nederlandse pers wel eens verschenen zijn als het ging om de verdeling van de schrijverswerkbeurzen van het Fonds der Letteren.
In Belladonna zijn we echter niet in letterland, maar in de wereld van de film. Claus is bepaald op dreef wanneer hij dit wereldje beschrijft. Het is de wereld waarin een in BV'tjes zwemmende filmproducent Oorslag heet, een mislukte docent Marigaal, een acteur met darmproblemen Grootaers, Verachtert een journalist is, Pussemier een regisseur en Axel den Dooven min of meer de hoofdpersoon, een wereld van ‘speaking names’. Het is ook een wereld die lijkt te verwijzen naar daadwerkelijke personen, want ik moet me al heel sterk vergissen als achter de in de roman optredende schrijver Spanoghe niet Louis Paul Boon schuilgaat, terwijl anderzijds de presentator van een talkshow — in de roman ‘Tuureluurs’ geheten, in werkelijkheid: ‘Schermen’, geloof ik — onder zijn werkelijke naam wordt opgevoerd. Met de klucht rond de AKO-prijs nog vers in het geheugen, valt er op dit punt in Claus' roman veel te genieten, al is het allemaal wel een beetje voorspelbaar, natuurlijk. De culturele wereld — film, literatuur, beeldende kunst — is nu eenmaal een gemakkelijk mikpunt van spot: iedereen, tot en met de recensenten, is er namelijk zo vreselijk ijdel.
Ik geloof echter niet dat het Claus' bedoeling was uitsluitend een satire te schrijven over de filmwereld. Claus is er de schrijver niet na het bij één laag te laten. In zijn romans en verhalen trekt hij altijd de hele wereld overhoop. En dat betekent gewoonlijk dat er in zijn romans maar heel weinig toevallig is. Als het in Belladonna gaat over het maken van een film over Breughel, dan laat zich het verhaal ook onmiddellijk lezen zoals een schilderijvan Breughel zich aan het oog voordoet: als een opeenvolging van losse scènes die onderling geen verband lijken te hebben maar samengevoegd zijn op één doek. Het zijn schilderijen waarop niets te zien valt, voor wie te veel wil zien, zo zou je kunnen zeggen.
En dat geldt dus ook voor dit meerstemmige boek. Breughels schilderkunst werkt hier als een metafoor voor de structuur van de roman, die schijnbaar structuurloos is: een opeenvolging van scènes die zich niet eenvoudig tot een simpel na te vertellen verhaaltje laten samenvoegen.
De chaos die zo ontstaat, is de chaos die in feite alle personages beheerst. ‘Het leven is één vraag. Moeder waarom leven wij? Veel perspectief biedt de auteur niet. Waarom zou hij overigens? Verwaarloost de auteur het economisch paradigma? Ik vind van wel, maar wie ben ik?,’ zo peinst Axel den Dooven wanneer hij zit na te denken over een voorwoord bij Spanoghe's oeuvre. Het economisch paradigma is inderdaad het enige paradigma dat het leven van de meeste personages nog enigszins in perspectief houdt: de vraag hoeveel iets oplevert is belangrijker dan de vraag wat iets betekent of de vraag wie menis. Het houdt Oorslag overeind, en Marigaal, en Pussemier, die echter in hun persoonlijk leven soms niet eens weten of ze nu van jongetjes of toch meer van meisjes houden.
Het is ook een paradigma dat in kunst en literatuur opgeld doet. Als men zijn werk een beetje verkopen wil, doet men er goed aan een zogenaamd ‘herkenbaar’ verhaal te schrijven, met een zekere (maar zeker geen strenge) moraal, een beetje seks op zijn tijd, wat psychologie en hier en daar een filosofisch getinte uitwijding over het thema. Dát verkoopt. In de wereld van de film is dat niet anders.
Spanoghe voldoet in ieder geval niet aan dat paradigma (zoals Boon dat niet deed), en miskenning is zijn deel (de grote Michelin-prijs voor literatuur, waarvan op een zeker moment sprake is, gaat aan zijn neus voorbij). Axel den Dooven voldoet er al evenmin aan. Hij is één van de uiteindelijk zes scenarioschrijvers voor de film over Breughel, zij het normaliter conservator van een museumpje. Den Dooven heet niet voor niets zoals hij heet. Hij is doof voor wat de cynische cultuurwereld hem voorschrijft, doof voor de geldende regels en voorschriften, voor zijn eigen lichaam ook (dat almaar uitdijt). Dewereld ís als zijn lichaam: een door geen hogere instantie geleide woekering van vetcellen.
Of erger.
Want behalve Breughel zijn ook het ongerichte groeien van kankercellen, het onverhoeds opkomen van puistjes, het plotsklaps verschijnen van eczeem, of de benauwende astma-aanval een metafoor voor de roman als zodanig, die naar het einde toe steeds chaotischer wordt. Je kunt zeggen dat hoe meer de film over Breughel zijn voltooiing nadert — en dat wil zeggen: meer en meer toegesneden wordt op het economisch paradigma — hoe meer de wereld van de roman begint te desintegreren.
En dat is dan ook het moment waarop de ‘belladonna’ uit de titel op de proppen komt. Letterlijk betekent het: mooie vrouw, en in die zin verwijst het denk ik naar Roberte, Axels eerste vrouw van wie hij nog steeds houdt en met wier vertrek zijn zwaarlijvigheid én zijn onvermogen de wereld nog te begrijpen een aanvang namen. Maar het is ook een middeltje dat de pupillen verwijdt en waarvan je mooie glanzende ogen krijgt. Het staat voor de poging weer zicht te krijgen op de wereld, er weer een orde in te vinden, en in die zin lijkt het ook naar de Madonna te verwijzen, naar die moeder die antwoord moet geven op de vraag waarom wij leven. De roman eindigt niet voor niets met de woorden:'Kom, kom, naar huis'.
Het is echter duidelijk — en dat is bij Claus nooit anders geweest — dat de enige thuiskomst die nog in het verschiet ligt, die van de dood is. Belladonna wordt zo van een lichtvoetige satire vol hilarische beschrijvingen uiteindelijk een duistere parabel over het leven. Op het waarom daarvan geeft Claus geen antwoord. Het is een boek dat het economisch paradigma aan zijn laars lapt.

12:25 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.