02-04-06

Camus Albert

EEN ABSURDE PUBLIKATIE
Albert Camus, De eerste man. Roman. Vert. Jan Pieter van der Sterre. 370 blz. De Bezige Bij, Amsterdam 1995.
in: NvhN, 2-6-1995.

Waarom, zo dacht ik tijdens het lezen steeds maar weer, waarom in hemelsnaam werd De eerste man van Albert Camus gepubliceerd? De eerste man is immers niet meer dan het manuscript van een roman-in-wording die Camus nog maar juist begonnen was te schrijven toen hij op 4 januari 1960 bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Het is dus niet meer dan de eerste versie van een overigens zelfs in eerste versie nog niet eens volledig afgeschreven roman.
Het is een incompleet verhaal. Het is het ruwe, nee het allerruwste materiaal van een schrijver, datgene wat hij zelf onder geen beding gepubliceerd zou hebben, maar waaraan nog eindeloos geschaafd zou moeten worden. Misschien moesten hier en daar dingen worden geschrapt, of juist toegevoegd. Misschien was het nu gepubliceerde materiaal helemaal niet in de uiteindelijke roman terecht gekomen, was het alleen maar een studie in couleur locale. En waarom, waarom in hemelsnaam zou je dat publiceren?
Je kunt op zo'n vraag natuurlijk best een antwoord verzinnen. Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat het ‘interessant’ is om eens te zien hoe zo'n groot schrijver als Camus was nu zo ongeveer te werk ging. Maar de werkwijze van Camus wordt pas werkelijk duidelijk als je naast de eerste versie van een manuscript ook beschikt over een laatste, uiteindelijk gepubliceerde versie. Dan zie je het handwerk van de schrijver, en er zijn mensen (overigens vooral literatuurwetenschappers) die dat buitengewoon interessant schijnen te vinden. Ik behoor daar niet toe.
Er is natuurlijk nog een ander antwoord mogelijk op de vraag waarom De eerste man gepubliceerd moest worden: het autobiografische aspect. De hoofdpersoon van dit onvoltooide manuscript mag dan weliswaar Jacques Cormery heten en het onvoldragen verhaal dat ons wordt verteld mag dan in de hij-vorm staan — dat alles neemt niet weg dat natuurlijk iedereen weet dat het hier over Camus zelf gaat. Wie niet meteen overtuigd is, kan naar bladzijde 222 bladeren, waar de moeder van Jacques Cormery per abuis ‘deweduwe Camus’ wordt genoemd. (Ook zoiets: alle fouten, verschrijvingen, onleesbaarheden en wat er nog meer aan onvolkomens in een manuscript kan staan, werden met een wetenschappelijke precisie geregistreerd en afgedrukt — waarom toch?).
Het autobiografische aspect zal vast en zeker het zwaarst hebben gewogen bij de beslissing dit half-voltooide, ongecorrigeerde manuscript te publiceren. En opnieuw: er zullen zeker mensen te vinden zijn die dat hoogst interessant vinden allemaal. Ook tot die mensen reken ik mijzelf niet. Het interesseert mij vrijwel nooit of een boek, zelfs als het expliciet autobiografisch wordt genoemd, het leven van de schrijver tot onderwerp heeft of niet.
Bovendien, autobiografisch of niet, De eerste man was door Camus bedoeld als een roman, niet als een getrouwe weergave van zijn eigen jeugd (sowieso een illusie, zoals iedere schrijver weet die daartoe ooit een poging ondernam). Dat Camus' eigen jeugd in Algarije in dit manuscript voor het eerst zo duidelijk aanwezig is, doet daar niets aan af.
Bovendien: we weten niet wat Camus met het tot hier toe bijeen geschreven materiaal van plan was. Op grond van het manuscript in zijn huidige staat, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat hij vooral de bedoeling had van Jacques Cormery een personage te maken dat op gelijke hoogte kon staan met bijvoorbeeld Bernard Rieux uit De pest, Jean-Baptiste Clamence uit De val of Meursault uit De vreemdeling, personages waarbij niemand op het idee zou komen ze autobiografische te noemen, vermoed ik.
Cormery is in ieder geval in aanzet iemand die gedwongen is ‘alleen zijn moraal en zijn waarheid te vinden’, zoals herhaaldelijk in het manuscript staat. Hij wordt zonder verleden geboren, zou je kunnen zeggen, omdat zijn vader in de Eerste Wereldoorlog sterft als Jacques nog maar één jaar oud is. In het geplande eerste deel van de roman wordt naar de vader gezocht: ‘Ik heb vanaf het begin, als kind nog, geprobeerd zelf uit te vinden wat goed was en wat kwaad — aangezien niemand in mijn omgeving me dat kon vertellen. Enook zie ik nu in dat alles me in de steek laat, dat ik behoefte heb aan iemand die me de weg wijst en me prijst en berispt, niet vanuit macht maar vanuit gezag, ik heb mijn vader nodig,’ zo stelt Cormery.
Dit verlangen naar een vaderfiguur en daarmee naar gezag had de drijfveer moeten worden van een roman die ik graag had willen lezen. In het verlangen zelf herken ik de problematiek die Camus ook aansneed in grote essays als De mythe van Sisyphus (1942) en De mens in opstand (1951): het gaat om de positie van de mens die het geloof in de grote waarheden van weleer niet meer vanzelfsprekend (door traditie en overlevering) kent, en die zich in het ontstane morele vacuüm, in het absurde, zoals Camus die positie zelf omschrijft, onbehagelijk voelt.
Nu is Camus' filosofie van het absurde uiteindelijk nogal optimistisch. Kort samengevat komt het er op neer dat het verlangen naar gezag, naar een leidraad, naar een grote waarheid, overwonnen kan worden door het ontbreken van een dergelijke waarheid niet als een gemis te ervaren. De absurde mens, schreef Camus in De mythe van Sisyphus, is ‘iemand die zich niet om het eeuwige bekommert en daar ook geen geheim van maakt.Niet dat het verlangen naar het eeuwige hem vreemd is, maar zijn moed en zijn vermogen te redeneren zijn voor hem belangrijker. Zijn moed leert hem te leven zonder dat beroep [op een eeuwige waarheid — MR] mogelijk is en genoegen te nemen met wat hij heeft.’ In deze gedachtengang kun je de contouren ontwaren van de vorm die Camus' onvoltooide roman waarschijnlijk aan had moeten nemen: de zoektocht naar de vader in het eerste deel had waarschijnlijk moeten leiden tot het inzicht dat het verlangen naar zo'n vaderfiguur zonder vervulling blijven moet. Het ontbreken van een duidelijk fundament zou in deze roman waarschijnlijk omgevormd zijn van gemis in acceptatie. Het verlangen naar een grote, hogere waarheid, naar metafysica, zou omgebogen zijn naar precieze aandacht voor de fysieke verschijningsvorm van de wereld: naar de ‘lyriek van vormen en kleuren’ waarover Camus het in De mythe van Sisyphus op een zeker moment heeft. Die lyriek kondigt zich in dit onvoltooide manuscript in ieder geval al aan in de vele zintuiglijke passages waarin de wereld van Algiers voor ons wordt opgeroepen, in geuren en kleuren, zoals de uitdrukking luidt.
Dit alles neemt niet weg dat de lezer met een onvoltooid en in velerlei opzichten ook onvolkomen manuscript in zijn handen blijft zitten. Ik bedoel: op grond van de wél voltooide werken van Camus laat zich misschien min of meer voorspellen welke richting hij met dit boek in had willen slaan, maar een feit is dat De eerste man in deze vorm (die eigenlijk nog geen vorm ís) geen enkele weg inslaat.
Misschien moet je deze publikatie wel begrijpen als een manifestatie van het absurde zelf: als een onvoltooid boek dat de lezer confronteert met zijn eigen verlangen naar voltooiing? Die gedachte is grappig, maar wel volkomen tegengesteld aan wat Camus in literatuur voorstond. Want de inhoud van zijn werk (proza, toneel) mag dan het absurde zijn, de vorm was gewoonlijk traditioneel. De eerste man had een haast klassieke Bildungsroman moeten worden; het werd een flodderig kladboek. Dat is het werkelijk absurde aan deze uitgave.

17:33 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.