02-04-06

Buelens Geert

DE DIKKE BUELENS
Geert Buelens, Van Ostaijen tot heden. Zijn invloed op de Vlaamse poëzie. 1302 blz. Uitgeverij Vantilt, Nijmegen/ KANTL, Gent 2001.
in: DM, 27-6-2001

Men durft het bijna niet te zeggen, maar Geert Buelens’ Van Ostaijen tot heden, een maar liefst 1302 pagina’s tellende studie over de invloed van Van Ostaijen op de Vlaamse poëzie, heeft natuurlijk toch zo zijn beperkingen. Zo betreur ik het ten zeerste dat Buelens zich hier tot enkel de Vlaamse poëzie heeft beperkt. Als het gaat om literatuur word ik persoonlijk nog steeds gekweld door de Groot-Nederlandse gedachte: dat de Vlaamse en Nederlandse literatuur één zijn. Toen Ton Anbeek in 1990 zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985 publiceerde en de Vlaamse literatuur er zonder meer uit wegsneed, was ik dan ook in alle staten. Hoe kon je nu in godsnaam dichters als Marsman of Nijhoff in het juiste perspectief plaatsen als je daar niet júíst Van Ostaijen bij betrok! Hoe kon je in goeden gemoede de in Nederland tot op de dag van vandaag doorsudderende ‘vorm of vent’-discussie uit de jaren dertig verantwoorden zonder het over, alweer, Paul van Ostaijen te hebben (een discussie die overigens door Buelens dan weer wordt afgedaan als een ‘non-debat’). En dan waren er nog de (Nederlandse) Vijftigers - Lucebert, Kouwenaar, Elburg, Schierbeek, Campert - die zich openlijk schatplichtig betoonden aan... juist, aan Van Ostaijen. Maar ook meer recent (en door Anbeek niet meer besproken): hoe zou je het over de hedendaagse, postmodern genoemde poëzie kunnen hebben zonder Van Bastelaere, Spinoy en het roemruchte poëtica-nummer van Yang (nr. 144, 1989-1990) te noemen?
Wat dat laatste betreft: dat gaat in Nederland heel goed. De theorievijandigheid in kringen van literatuurbeschouwers is er zo groot dat men ten aanzien van Van Bastelaere of Spinoy, maar ook ten aanzien van Hertmans of Verhelst (als dichters althans) niet veel verder komt dan de bewering dat het hier om dichters gaat die op een volkomen achterhaalde manier nog steeds volgens juist modernistische, of liever: belegen avant-gardistische principes hun werk zouden schrijven. Ze zijn er marginale figuren - waarmee ik niet bedoel dat ze geen groot publiek vinden (dat is in Vlaanderen, en, als het om poëzie gaat, trouwens in heel Europa en zelfs ver daarbuiten niet anders), maar dat ze in de ogen van hen die zich met poëzie bezighouden geen rol van betekenis spelen. Laat staan dat men oog zou hebben voor relatieve nieuwelingen als Bogaert, Declercq of Holvoet-Hanssen. In een land waar de laatste ‘vernieuwing’ bestond uit het geslaagde media-offensief van een verpletterend nostalgische beweging als de ‘Maximalen’, moet dat niet verbazen. Yang is er zoiets als een tijdschrift voor macro-biotiek.
De ironie van dit alles is natuurlijk dat het eens te meer bewijst dat de Vlaamse en de Nederlandse literatuur twee gescheiden circuits zijn en dat het vasthouden aan de idee van een ‘Groot-Nederlandse literatuur’ hoogstens leidt tot het uitwisselen van beledigingen nabij de grens: men verwijt elkaar zijn achterlijkheid. Dat is weinig vruchtbaar. En dan: zou Buelens ook de Nederlandse poëzie in zijn verhaal hebben betrokken, hij zou er ondanks mijn hardnekkig volgehouden bewering dat het ook daarin zonder Van Ostaijen niet gaat, niet nog eens zoveel bladzijden voor nodig hebben gehad. Niet alleen is de rol die Van Ostaijen binnen de Nederlandse poëzie speelt veel geringer; ze is ook een totaal andere. Als leidraad voor een dergelijke geschiedenis kan hij, moet ik dan toch toegeven, niet werkelijk dienen. En een met hem vergelijkbare figuur is er in de Nederlandse poëzie niet te vinden, al zou men het heel misschien met Willem Kloos kunnen proberen, een dichter waarmee zelfs Lucebert in de jaren vijftig nog meende te moeten afrekenen.
Dat is veelzeggend, want Kloos is een representant van het ‘ivoren toren’-estheticisme uit het einde van de negentiende eeuw, en als zodanig de dichter die de Nederlandse poëzie, blijkbaar op een tamelijk beslissende wijze, voor het eerst bevrijdde uit de greep van de dominees (wat misschien eenvoudiger was dan de bevrijding uit de greep van meneer pastoor?). Uiteraard werden in Nederland in het interbellum en in de periode daarna nog diverse pogingen gedaan om poëzie en de maatschappelijke en politieke werkelijkheid met elkaar in verband te brengen. Maar het lijkt er toch op dat de Nederlandse dichters sinds Kloos hoogstens politici zonder partij zijn geweest. De poëzie, de literatuur als geheel, geldt in Nederland sinds Kloos overwegend als een (in een bepaald opzicht dan toch weer: verstikkende) vrijplaats. Buelens wijst er in zijn inleiding op dat Nederlandse essayisten als Cyrille Offermans en Oek de Jong naar Van Ostaijen verwijzen ‘zoals ze Montaigne citeren of Adorno: als één van de vele interessante kapstokken om een essay aan op te hangen.’
In Vlaanderen is dat anders, want als Buelens’ boek iets duidelijk maakt, dan is het wel hoezeer de geschiedenis van de Vlaamse poëzie steeds verbonden is geweest met de specifiek Vlaamse - bij uitbreiding: Belgische - geschiedenis. Iemand wees al op de ironie dat dit boek nu juist 1302 bladzijden moest tellen (immers: 1302, de Guldensporenslag). De dichtkunst is er van meet af aan verbonden met termen als ‘gemeenschapskunst’ en ‘volksopvoeding’, schrijft Buelens, en derhalve met de Vlaamse Beweging en haar lastige, penibele erfenis. Dat maakt dat een ook in Nederland gedurende de hele vorige eeuw regelmatig gevoerde discussie - die over autonome dichtkunst versus geëngageerde poëzie, over estheticisme versus ethiek - in Vlaanderen een veel minder academisch karakter had. Zelfs als de ‘late ‘ Van Ostaijen (de dichter van het ‘organies-expressionisme’, van de ‘zuivere lyriek’, van poëzie die niet meer rechtstreeks verwijst naar de werkelijkheid of de auteur) het bij latere generaties meer en meer wint van de ‘vroege’ Van Ostaijen (de ‘humanitair-expressionist’, de vendelzwaaier, activist en flamingant) lijkt die discussie toch nog steeds veel meer betrokken op de maatschappelijke werkelijkheid dan ooit in Nederland het geval was.
Alleen daarom al is deze dikke Buelens een droomboek voor een ieder die in literatuur toch méér wil blijven zien dan hetgeen ze inmiddels door ‘de dictatuur van de markt’, zoals dat heet, steeds meer geworden zou zijn: een vorm van tot niets verplichtend amusement. De poëticale kwesties die aan de orde komen, blijven steeds nauw verbonden met (verzet tegen) het triumviraat ‘Godsdienst & Vorst & Staat’, wat ze minder tot geheimtaal voor ingewijden lijkt te maken, tot enkel specialistische vertogen over de ins en outs van poëzie. Lijkt te maken, inderdaad, want Buelens wijst er meermalen op dat juist de poëzie die zich richtte op de kritische bewustmaking van de lezer, tot een steeds grotere afstand tussen de dichter en zijn publiek heeft geleid. Uit wat dichters óver poëzie zeiden, viel nog wel af te leiden hoe ze zich tot de maatschappelijke werkelijkheid wensten te verhouden en welke rol hun poëzie daarin moest spelen, maar de gedichten zelf leken meer en meer onoplosbare cryptogrammen te zijn.
Wat dat aangaat: het is één van de grote verdiensten van dit boek dat het zich niet, zoals in wetenschappelijke kringen zo langzamerhand gebruikelijk is, tot de uitspraken van dichters óver poëzie beperkt, tot hun vers-externe poëtica, zoals dat in het jargon heet. Van Ostaijen tot heden bevat een groot aantal interpretaties van de poëzie die met die opvattingen geschreven zou zijn. Het laat zo meermalen zien wat in het reguliere poëtica-onderzoek weliswaar vaak wordt opgemerkt, maar zelden verder wordt uitgediept: dat er tussen de opvattingen van een dichter zoals hij die buiten zijn poëzie om formuleert, en die poëzie zelf nogal eens een kloof gaapt. Juist die aandacht voor de mogelijke verschillen tussen de versexterne en wat dan de versinterne poëtica heet, maakt dat het bestaande beeld van de Vlaamse poëziegeschiedenis op vele plekken wordt genuanceerd. Dichters die beweerden ‘revolutionair’ of ‘vernieuwend’ te zijn en daarbij Van Ostaijen als gezagsargument inriepen, blijken in hun gedichten soms haast het tegendeel van vernieuwend te zijn.
Je zou kunnen zeggen dat Buelens in dit boek de complexiteit van de historische werkelijkheid weer in ere herstelt, waar een literatuurgeschiedenis gewoonlijk nu juist van die complexiteit abstraheert en uitkomt bij een schematische weergave, bij wat in de schoolboekjes belandt (jaren twintig: avantgarde; jaren dertig: restauratief; jaren vijftig: experimenteel). Dat doet hij niet alleen door aandacht te schenken aan de mogelijke verschillen tussen de versexterne en versinterne poëtica van een dichter, hij doet dat ook door de discussies die zijn gevoerd - het ‘expressionisme-debat’ uit de jaren twintig bijvoorbeeld, of het ‘jongerendebat’ van net na de Tweede Wereldoorlog - op de voet te volgen. Ook van hetgeen dichters over poëzie, en over elkaar, hebben gezegd blijven gewoonlijk alleen de steekwoorden over, steekwoorden waarop latere generaties dichters dan weer reageren.
‘Spreek me niet van deze diamant, deze ronde kei / Die elk gedicht zou moeten zijn,’ schreef bijvoorbeeld Leonard Nolens ooit, en daarmee reageerde hij op de metaforen die onder andere Gilliams, Roggeman en de vroege Hertmans gebruikten om een gedicht te karakteriseren (metaforen die zelf weer refereren aan Van Ostaijens opvattingen over ‘zuivere lyriek’). Maar als je vervolgens kijkt naar wat Nolens met zijn poëzie wil, lijkt de afstand tot de opvattingen waartegen hij zich afzet veel kleiner dan hij zelf wel meent. Dat neemt Buelens ook waar bij iemand als Christine D’haen, en zelfs een ‘Nieuw-Realist’ als De Coninck lijkt een tik van de autonomistische molen gehad te hebben. Het geeft hem de opmerking in dat de poëzieopvattingen in de twintigste eeuw misschien wel veel dichter bij elkaar liggen dan algemeen wordt aangenomen.
Tegelijkertijd zijn deze excursies evenzovele uitnodigingen om dan toch weer op zoek te gaan naar de eigenheid van de besproken dichters, om individuele verschillen te zien tussen ook die dichters die qua opvattingen wél overeenstemmen. Van Ostaijen tot heden is een continue invitatie om het werk van al die dichters weer ter hand te nemen en vervolgens eigen verbanden te leggen.
Daarmee verlaat men dan natuurlijk het verhaal dat Buelens hier vertelt, dat niet alleen het verhaal van de Van Ostaijen-receptie in de Vlaamse poëzie is, maar ook het verhaal over de receptie van die receptie, over de verschillende interpretaties van Van Ostaijens werk en poëtica, en over de interpretaties van die interpretaties, over het strategisch gebruik dat er van zijn erfenis is gemaakt en over het polemisch misbruik, over zijn soms bijna geheel verdwijnen en zijn dan weer stralend verschijnen. Het is een verhaal waarin je heel af en toe het gevoel hebt dat Van Ostaijen er een beetje al te veel met de haren bijgesleept wordt - iets wat Buelens zich terzelfdertijd ook realiseert. Hij beseft ‘beter dan wie ook dat jarenlange blootstelling aan Van Ostaijen de geest benevelt en een mens hierdoor de neiging ontwikkelt overál invloed te gaan zien,’ schrijft hij. Maar Van Ostaijen tot heden is ook het verhaal van die jarenlange blootstelling, het verhaal van Buelens zelf, die zijn ‘dada’s’, zoals hij het noemt, niet achter een pseudo-wetenschappelijke, ‘objectieve’ houding weg heeft willen steken. Kortom, het is een boek dat binnen de verschillende posities die men in het verlengde van of juist diametraal tegenover Van Ostaijen ingenomen heeft, wel degelijk partij kiest, echter: zonder daarmee partijdig te worden in zijn beschrijvingen.
Het door al die verschuivingen, verdraaiingen en perspectiefwisselingen buitengewoon spannende en ook nog eens zeer helder geschreven verhaal dat zo ontstond, verdient het om van A tot Z gelezen te worden. Maar juist door het uitnodigende karakter ervan, dat er tegelijkertijd een bloemlezing-met-commentaar van maakt, kan men zich, gesteund door het register, ook richten op hetgeen over afzonderlijke dichters wordt gezegd: op de kleine, soms zelfs paginalange, soms in verschillende delen door het boek verspreide monografieën. Dat laatste maakt van Van Ostaijen tot heden voor mij tot een boek dat al bij zijn verschijnen een standaardwerk over de Vlaamse poëzie genoemd moet worden: tot ‘de dikke Buelens’ die naast ‘de dikke Van Dale’ en de ‘dikke Knuvelder’ zijn plek opeist. En, wat mij persoonlijk betreft: het is een zelden gezien en hartstochtelijk pleidooi voor het belang van poëzie voor - ik zou nu willen zeggen: ‘voor volk en vaderland’, maar dat klinkt me niet goed in de oren; dus vooruit, met niet minder bazuingeschal, maar hopelijk dan toch wat minder vlagvertoon: - het is een hartstochtelijk pleidooi voor het belang van poëzie voor het leven.

17:08 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.