02-04-06

Bril Martin

EEN MUUR VOL VLIEGEN
Martin Bril, Altijd zomer altijd zondag. De Bezige Bij, Amsterdam 1994.
in: NvhN, 8-4-1994.

Bij sommige boeken moet je gaan liggen. Bijvoorbeeld aan een strand. Je moet ze lezen bij het kalme ruisen van een zee, bij een warm briesje, en als je opkijkt moet je altijd hetzelfde zien: water, een blauwe lucht. Misschien een bootje aan de horizon dat je een tijdlang volgt, dat niet lijkt te bewegen. Waarna je dan weer verder leest. Misschien doezel je wel weg, halverwege een zin, halverwege een bladzijde. Dat kan gerust, want als je weer terugkeert naar het boek, staat die zin nog steeds kalmpjes te wachten om verder gelezen te worden. Je kunt zo'n zin zelfs halfgelezen laten voor wat hij is en een volgende nemen, of zelfs de halfgelezen bladzijde omslaan en aan een nieuwe beginnen. Het maakt niet zoveel uit allemaal. De tijd verstrijkt, en het zal jouw tijd wel duren. Laat maar verstrijken. Je ligt daar goed.
Zo'n boek is Altijd Zomer Altijd Zondag van Martin Bril, zijn tweede soloro-man. Als de ene helft van het schrijversduo Bril & Van Weelden publiceerde hij al eerder Arbeidvitaminen, Piano & Gitaar en een soort bloemlezing, Terugwerkende kracht. In 1990 kwam Voordewind uit, Brils eerste soloroman. Wie dat boek naast Dirk van Weeldens inmiddels verschenen solodebuut Tegenwoordigheid van geest (1989) legde, kreeg een redelijke indruk van de rolverdeling binnen het schrijversduo. Van Weelden ontpopte zich als de denker, als degene die naarstig op zoek was naar een levenshouding in een tijd waarin iedere levensbeschouwing al op voorhand relatief leek te zijn. Bril bleek veeleer de be¬lichaming van die relativiteit te zijn.
Van Weeldens romans (in 1991 verscheen nog Mobilhome) tekenden verzet aan tegen de tijdgeest, maar zonder die te kunnen of zelfs maar willen ontkennen. Hij zocht en vond een fundament voor zijn eigen persoonlijkheid in het 'nomadisch denken' van bijvoorbeeld de filosoof Deleuze, — een concept dat overigens ook al veel eerder in de Nederlandse literatuur is te vinden, bijvoorbeeld in het werk van de schrijver Menno ter Braak uit de jaren dertig.
Martin Bril zoekt niet naar een fundament voor zijn persoonlijkheid. Er gebeurendingen, en zijn personages handelen. Of niet. Ze weten niet goed waarom ze wel of niet handelen. Ze vragen zichzelf soms verwonderd af waarom de dingen gebeuren zoals ze gebeuren, maar zoeken niet naar een antwoord. Het zal wel een reden heb-ben. Of niet, natuurlijk. Dat kan ook. Ze zijn een beetje als Albert Camus' personage Meursault, uit diens roman De vreemdeling (uit 1942). De eerste zinnen uit die roman luiden: 'Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet'.
Het is de enige zin die Anton, de hoofdpersoon uit Altijd Zomer Altijd Zon-dag, foutloos in het Frans uit kan spreken. Wie denkt dat Bril hier verwijst naar de beklemming van het existentialisme heeft het echter mis. De zin schiet Anton te binnen op een moment dat hij er niets aan heeft. Hij staat als geluidsman te kijken bij een interview met een beroemde, wonderschone Franse actrice. Of liever: hij fanta-seert dat hij als geluidsman bij dat interview aanwezig is. In werkelijkheid ligt hij op zijn rug in bed naar een muur vol vliegen te kijken. De zin raakt kant noch wal, de verwijzing naar Camus is zonder betekenis. Of juist misschien daarom wel heel betekenisvol. Zou kunnen. Hoeft niet. Men kan ook rustig verder lezen, of weer even naar de zee kijken. Of zelf van een mooie actrice gaan dromen.
Dat Anton fantaseert dat hij een geluidsman is, zou je ook weer heel betekenisvolkunnen noemen. Al eerder in het boek maakt hij er melding van dat hij een tijdlangallerlei geluiden heeft opgenomen. 'Wat moest ik met al dat domme mooie geluid? Dat wist ik zelf ook niet. Alles opnemen, registreren wilde ik het leven, waarschijnlijk, erg helder was ik niet'. Nee, dat niet, maar wie weet dat Martin Bril al eerder in artikelen zijn bewondering liet blijken voor de dichters van De nieuwe stijl (Armando, maar vooral Vaandrager) ziet ook hierin weer een verwijzing: naar de jaren zestig poëzie waarin achteloze zinnetjes, banale gespreksfragmenten, netjes onder elkaar als gedicht werden gepresenteerd. Het was een poëzie die niet alleen alle zin en samenhang in het leven ontkende, maar vooral ook een aanval was op 'het poëtische' van poëzie. Dat, zeg maar: revolutionaire aspect ontbreekt echter in Brils roman.
Die roman doet alleen maar verslag van een geschiedenis die er uiteindelijk toe heeft geleid dat Anton zich in opperste gelukzaligheid, op een eeuwigdurende zonnige zondag, aan de zijde van zijn Beatrijs bevindt, van Beatrijs Rust, zoals ze voluit heet. Een verwijzing? Zou kunnen. Is zelfs waarschijnlijk. 'Hoe kwam ik in hemelsnaam aan deze vrouw?' zo vraagt Anton zich af. Nou, via een Marijke, een Simone, een Elizabeth en nog wat anderen, ontmoet in Spanje, Groningen, Amerika, Amsterdam of elders. Vrouwen waar hij niet om gevraagd heeft, die hij niet heeft gezocht, die er zomaar waren. Vrouwen ook die hem niet allemaal in gelijke mate aantrokken. Sommigen stootten hem zelfs af. Simone weet in hem een ziekelijke jaloezie op te wekken, maar uiteindelijk verlaat hij haar. Waarom? Ik weet het niet, Anton al evenmin. Zoals mij ook niet duidelijk is waarom Beatrijs de ware zou moeten zijn in een boek dat geen waar of onwaar onderkent. En Anton weet het ook niet, denk ik. Het is zo.
Men gaat nog eens verliggen op zijn handdoekje, beter nog: in zijn strandstoel. Menverveelt zich, maar dat geeft niet. Het is zomer. Misschien wel zondag. Men leest Bril.‘Alles is een kwestie van wachten. Wie het langst wacht, wint, of weegt een ons.’ Zo ishet. We wachten maar af.

16:04 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.