04-12-05

Van Boxsel Matthijs

DE WIJSHEID VAN DE DOMGEER
Matthijs van Boxsel, De Encyclopedie van de Domheid. 184 blz. Querido. Amsterdam 1999.
in: DM, 9-7-1999

‘Op zoek naar een onderwerp waar ik al mijn krachten op zou kunnen concentreren, een zaak die bovendien het uiterste van mij zou vergen, nam ik kennis van alles wat op mijn weg kwam, als iemand die verliefd is zonder te weten op wie’, zo lees je in het eerste hoofdstuk van De Encyclopedie van de Domheid van Matthijs van Boxsel. Het is een zin die mij veel lijkt te verklaren. Bijvoorbeeld waarom Van Boxsel vanaf het moment dat de domheid zijn amour fou werd nu al bijna twintig jaar van zijn leven heeft gegeven aan het project van zijn encyclopedie, en ook waarom er hoogstwaarschijnlijk, bij leven en welzijn, nog minstens twintig jaar zullen volgen (een volgend deel, De Topografie van de Domheid, wordt al aangekondigd). Het huidige boek is ook niet de eerste publicatie van zijn hand met deze titel. Al in 1986 verschenen de eerste twee delen van wat een hele serie beloofde te worden (men kon zich abonneren): een Inleiding en een vertaling van Über die Dummheit, een redevoering die Robert Musil in 1937 te Wenen hield en die Van Boxsel, toen hij haar in 1980 voor het eerst las, uiteindelijk tot de domheid als zijn onderwerp bracht. In 1988 volgde nog een studie over de brieven van Flaubert, een auteur die vanwege zijn roman Bouvard et Pécuchet bij een onderwerp als dit natuurlijk niet mag ontbreken. Maar volgende delen bleven uit. Wel publiceerde Van Boxsel jaar na jaar zijn bijdragen over de domheid in het literaire tijdschrift De Revisor. De ‘encyclopedie’ was een vaste waarde die alle redactiewisselingen bij dat blad overleefde. Intussen, ‘om het contact met de wereld niet te verliezen’, zoals hij schrijft, hield hij vele lezingen ‘voor mij wezensvreemde mensen als gynaecologen, interim-managers en octrooigemachtigden, waarin ik de voorlopige resultaten van mijn studies beproefde. Het uiteindelijke streven was een theorie waarin alle verzamelde definities van de domheid een plaats zouden krijgen, een eerste, echte filosofie van de koude grond.’
De eerste zin die ik hier citeerde deed mij denken aan hetgeen Anneke Brassinga in haar nog niet zo lang geleden verschenen boek Hapschaar schreef over de gevolgen van haar fel anti-religieuze opvoeding. Het haar van huis uit ‘ingehamerde individualisme’, schrijft ze, ‘wekte de funeste neiging op elk mens afzonderlijk hevig verliefd te worden, alsof ik in mijn eentje duizenden jaren van samenhang en beschaving moest reconstrueren, gedreven door een obscuur instinct dat bij anderen al in bestaande, comfortabele vormen was gegoten. Zij konden zondigen, ik had er nog geen rechtvaardiging en geen tijd voor: aan mijn huiveringwekkende vrijheid moest paal en perk worden gesteld’.
Eenzelfde soort obscuur instinct lijkt mij achter Van Boxsels monomane project te liggen, in feite een diep verlangen het principe te vinden dat hem eindelijk thuis zal brengen. Aanvankelijk deed hij fanatiek onderzoek ‘naar verheven onderwerpen als de melancholie, de decadentie en het Unheimliche’, schrijft hij, en dat lijken mij onderwerpen waarin het precies gaat om het gevoel van vervreemding, dislocatie en ennui dat Van Boxsel zelf geplaagd moet hebben als gevolg van zijn gerichtheid op iets absoluuts, iets dat door geen van de bestaande waarheden ingevuld of vervuld kon worden. De redevoering van Musil confronteerde hem echter plotseling ‘met laksheid, kitsch en bijgeloof, zaken waar ik mij normaal gesproken verre van hield. Goed beschouwd vormden ze echter de banale keerzijden van mijn obsessies. De bittere ernst, het hooggestemde ideaal en de hang naar mysterie werden gecorrigeerd door humor, drogreden en paradox. De domheid kwam onverwachts en tegelijk als geroepen’. Ze kwam, kortom, als een bevrijding.
Het ligt nu voor de hand om te veronderstellen dat Van Boxsel in die domheid zíjn specifieke waarheid gevonden had, maar daarvoor is hij een veel te absoluut denker. De door hem ontdekte domheid was ook niet zozeer de relativering van het verhevene waarop hij jacht maakte, maar veeleer een verklaring voor zijn rusteloze zoeken naar dat verhevene. ‘Domheid is onkenbaar’, schrijft hij; ‘zij valt alleen negatief te definiëren, in contrast met een andere eigenschap of als een gebrek’. De domheid is ‘een “wezen” (...) dat geen eigenlijke plaats kent, dat atopisch is, buitennissig, ongerijmd’. Maar juist daarom zal zij voor Van Boxsel een bevrijding zijn geweest: zij is hetgeen aan de wortel ligt van elke poging om in metafysische zin onderdak te vinden; zij is de blinde vlek in het denken-zelf, dat wat altijd net buiten het denken zelf ligt.
‘Wij zoeken de wijsheid zonder goed te weten wat zij eigenlijk is’, schrijft Van Boxsel. ‘Maar de speurtocht naar de onbereikbare wijsheid leidt tot de schade en schande waar wij wijs van worden. Sterker nog: de wijsheid waar wij vergeefs naar grijpen, wordt pas met terugwerkende kracht gesticht door het falen. Het gevolg produceert kortom zijn eigen oorzaak. De gezochte wijsheid is niets anders dan een resultaat van de mislukte pogingen de wijsheid te vinden. Domheden zijn geen stations op weg naar de wijsheid: de wijsheid is in essentie een domheid...’. Dat heeft uiteindelijk dan toch weer alles weg van een soort theologie - een negatieve theologie, inderdaad: God schuilt in wat we niet vinden, in wat overschiet wanneer we alles overzien wat we wél hebben gevonden en waarin we hem niet kunnen ontdekken - God of (het is om het even) wat in postmoderne kringen wel ‘le réel’ wordt genoemd, het absoluut werkelijke, dat wat zich niet laat definiëren zonder het te vervalsen, zonder dat het in en door die definitie weer buitenbeeld verdwijt; het is het vol-ledige in de meest letterlijke zin van dat woord. Iets ‘mystieks’ kortom.
De waarheid vinden door haar niet te vinden en haar zo dus toch niet gevonden te hebben en zo voort en zo verder - dat is uiteindelijk een al eeuwenoude truuk van de geest, de goochelact die het denken in alle tijden heeft voltrokken, de flauwe grap die ons eigen denken telkens maar weer met ons uithaalt. Men zou er toe kunnen komen het ook werkelijk als een al te grote flauwiteit te beschouwen - al die met grote blijmoedigheid gespeelde woordspelletjes in dit boek, waarin betekenissen van woorden tegen elkaar worden uitgespeeld om zo nog maar weer eens op het punt te geraken waar alle betekenissen werkelijk zijn kwijtgespeeld. ‘Et voilà’, zo schreef Van Ostaijen ooit al eens enigszins ironisch in één van zijn stukken over de dichtkunst, waarin de dichter geacht werd ongeveer dezelfde goocheltruuk te voltrekken. Men behaalt makkelijk zijn gelijk als men het gelijk buitenspel heeft gezet.
Van Boxsels Encyclopedie wordt soms ook wel eens wat vermoeiend wanneer men getuige is van de zoveelste omkering van betekenissen, uitlopend op aforistische zinnen als: ‘de domheid van de kennis ontzegt ons de toegang tot de kennis van de domheid’, of: ‘De tegenstelling tussen domheid en intelligentie is zelf een gemeenplaats die ons belemmert de domheid te zien’. Het zijn de conclusies die al op voorhand vastliggen bij wat Van Boxsel zoal de revue laat passeren. Hij wil zijn lezers niet verrassen; hij wil alleen maar illustreren wat hij in het eerste hoofdstuk als de centrale stelling van zijn boek heeft gepresenteerd: ‘dat cultuur het product is van een reeks min of meer mislukte pogingen met de domheid in het reine te komen’, zoals deze Encyclopedie zelf een dergelijk product is. ‘Wij gebruiken onze stelling (...) niet zozeer om de wereld te interpreteren, veeleer gebruiken wij de wereld met haar tuinen, boeken, vorsten en valpartijen om onze stelling te illustreren. De hele schepping staat tot onze beschikking om koste wat het kost ons gelijk te behalen, ook als wij dit niet hebben’, schrijft hij.
Daarmee wordt de Encyclopedie als vanzelf een boek voor op het nachtkastje, een boek waarin men voor het slapen gaan nog een paar van de essayistische schetsen leest waaruit het bestaat. Wie het achter elkaar doorleest raakt geïrriteerd door dat wat monotone gehamer op steeds hetzelfde aambeeld. Wie het mondjesmaat leest is toch telkens weer op zijn minst gecharmeerd door alles wat Van Boxsel de revue laat passeren, geamuseerd, en vindt zijn bewondering terug voor het hele project, ontdekt opnieuw de ernst waarmee Van Boxsel zijn spel speelt. Maar dat niet alleen.
Wie het boek meer savoureert dan verslindt beseft ook dat het misschien toch minder om die op voorhand vastliggende conclusie gaat, dan om de wereld met haar tuinen, boeken, vorsten en valpartijen. Het gaat om de soms hilarische anecdoten die Van Boxsel vertelt, om de briljante opmerkingen die hij weet te maken bij bijvoorbeeld Dante’s Inferno, om de wijze waarop hij een plafondschildering van Piero da Cortona via het derde boek uit John Miltons Paradise Lost in een totaal ander perspectief weet te plaatsen, om de manier waarop in een hoofdstuk over Franse en Engelse tuinen ons begrip van zoiets als ‘de natuur’ wordt geproblematiseerd, om zijn overwegingen in het lange slothoofdstuk - een studie op zich bijna - over het nut van de ‘domme vorst’ voor het voortbestaan van de democratie. En Van Boxsel is ook een liefhebber van Bugs Bunny, tapt hier en daar goeie mop (een Belgenmop natuurlijk!) en refereert met evenveel vanzelfsprekendheid aan een scène uit A Fish called Wanda als aan Kants notie van het sublieme.
Hij laat je bij dit alles nooit vergeten waar het hem om te doen is, trakteert ons ongeveer om de andere bladzijde op weer een aforistische samenvatting van zijn centrale stelling, maar tegelijkertijd krijg je de indruk dat de weg er naar toe belangrijker is dan de aankomst, en begin je in De Encyclopedie van de Domheid precies dat te ervaren wat Van Boxsel zelf ervaart bij het lezen van (daadwerkelijk bestaande) studies over bijvoorbeeld ‘de zijwindgevoeligheid van de optelsom’, ‘het soortelijk gewicht van een zoen’ of ‘de oppervlakte van God’. Hij omschrijft het als ‘het heimelijk genot dat achter alle wetenschappelijke ernst schuilgaat, het kinderlijk plezier de kosmos te herleiden tot een formule, de wereld te reduceren tot het formaat van een kijkdoos’. Het is de humor van de ernst en - de omkering is onvermijdelijk - de ernst van de humor.


13:51 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.