04-12-05

Ter Braak Menno

HAMEREN OP EEN TYPMACHINE
Menno ter Braak, Journaal 1939. In: Verzameld werk deel 4, p. 855-886.
in: DM, 22-5-2002

Een werkelijk dagboek kun je Journaal 1939 van Menno ter Braak (1902-1940) niet noemen. Hij schreef het toen hij in september van dat jaar op vakantie was in de Achterhoek en Tiel, zijn land van herkomst. Blijkbaar las hij toen zelf de dagboeken van Gide, en op 9 september noteert hij: ‘Gisteren in Gide’s journaal min of meer blijven steken door het al te persoonlijke, dat op den duur toch irriteert.’ Reden voor die irritatie is een zin waarin Gide ‘s ochtends na inspectie van zijn pispot constateert dat zijn urine buitengewoon troebel is. ‘Het is mij onbegrijpelijk,’ schrijft Ter Braak, ‘dat iemand zoveel waarde aan zijn urine (= pies) hecht, dat hij, na zijn “vase” zorgvuldig geconsulteerd te hebben, daarvan nota neemt in zijn dagboek.’ Over Ter Braaks urineproductie lezen we in Journaal 1939 dan ook niets. En nauwelijks iets over wat hij at (er is één keer sprake van een haantje) en over wat hij zoal deed in de drie weken dat hij in zijn geboortestreek verbleef.
Dat mag misschien verbazing wekken als men zich herinnert dat de criticus Ter Braak nu juist ‘de persoonlijkheid’ van een auteur, de ‘vent’, als eerste en laatste criterium nam bij de beoordeling van literair werk. Hij geeft dat zelf ook min of meer aan wanneer hij stelt dat het al te persoonlijke tóch irriteert. Maar het maakt duidelijk dat Ter Braak met de nadruk op de persoonlijkheid nooit doelde op een voorkeur voor autobiografisch werk. Die persoonlijkheid toonde zich voor hem in wat hij zelf wel ‘de spijsvertering der ideeën’ noemde - een beeld dat eerder een po dan een pispot oproept. In heel zijn werk gaat het om de confrontatie tussen individu en collectiviteit, tussen het persoonlijke voelen en denken en dat wat de maatschappij in zekere tijd aan ‘correcte’ gedachten van je eist. En dat alles vanuit de vooronderstelling dat men zich aan die laatste eis niet kan onttrekken (hij had een grondige hekel aan de estheten van zijn generatie). Het stempelde hem tot de polemist die hij zijn hele leven was, tot ‘Menno ter Afbraak’, zoals zijn bijnaam luidde.
Afbrekend was Ter Braak vooral omdat hij niet minder dan het hele Christendom tot zijn principiële vijand had verklaard, de doorwerking daarvan tot in de kleinste geledingen van zelfs de meest verlichte geest. Hij ging het te lijf met Nietzsche in de hand, zij het dat deze filosoof voor hem eerder een breekijzer dan een nieuwe Messias was. Nietzsche was voor Ter Braak, die zelf een gereformeerde achtergrond had, in de allereerste plaats een persoonlijk probleem, geen nieuwe catechismus. En de terbrakiaanse cultuurkritiek was derhalve in de eerste plaats zelfkritiek, met als onbetwist hoogtepunt zijn in 1933 geschreven Politicus zonder partij. Wat hij bestreed in de opvattingen van de gevestigde cultuur, bestreed hij vooral ook in zichzelf als product van die cultuur. Dat alles in de hoop en met de expliciete bedoeling uit te komen bij een ‘absoluut minimum’ dat een mens als zijn eigen, zijn laatste waardigheid voor zichzelf mocht, kon en moest claimen.
Journaal 1939 verschilt wat dat aangaat weinig van zijn overige publicaties, al zijn er dan toch een paar verschillen. Het eerste lijkt een futiliteit: Ter Braak heeft deze notities niet met de hand geschreven, maar direct getypt. ‘Typen is minder “litterair”,’ zo stelt hij, en die keuze voor de typmachine heeft alles te maken met wat hij direct daarvoor schrijft: ‘Iedere lust tot definitief styleren ontbreekt.’ Het is in zijn ogen een ‘lukraak schrijven’, al tekent hij wat later aan dat hij aan de manier waarop hij ook deze ‘improvisaties’ nog ‘arrangeert’, ziet hoezeer hij blijkbaar toch met ‘een lezer’ rekening houdt. Maar het is hoogstens de lezer in hemzelf en niet een meer abstract publiek, voor wie hij veel van wat hier staat weggestreept zou hebben en bovendien ook heel anders geformuleerd zou hebben. Journaal 1939 was dan ook niet voor publicatie bestemd.
Maar er is nog een ander verschil met zijn reguliere werk. In wat hij wel (en dan vooral) in boekvorm publiceerde, lukte het Ter Braak altijd om een vuist tegen de wereld te maken. Het ‘absolute minimum’ waarbij hij was uitgekomen, gold niet alleen voor hem persoonlijk, maar had betrekking op de hele cultuur. Het was de uitkomst van een persoonlijke worsteling, maar als zodanig was het ook meteen politiek. In september 1939 besefte Ter Braak echter beter dan ooit dat dit ‘minimum’ veel minder een recht dan een voorrecht was. Het kon zich alleen handhaven in een maatschappelijke werkelijkheid als zij die zich in toenemende mate van alleen ‘maxima’ bedienden, die politiek met de megafoon bedreven en afrekenden met elke nuance en met alle individualiteit, het niet compleet onmogelijk maakten.
En juist dat laatste kwam in september 1939, met de inval van nazi-Duitsland in Polen en de oorlogsverklaring van Engeland en Frankrijk, gevaarlijk dichtbij. Het is die bedreiging die maakt dat Ter Braak de ‘lust tot definitief styleren’ ontbrak - wat er op neerkomt dat hij onder druk van de gebeurtenissen in de wereld niet langer in staat was om dat minimum naar behoren te formuleren. Hij besefte dat zijn laatste waardigheid van nul en generlei waarde was in het licht van wat te gebeuren stond.
Dat maakt het slechts 31 pagina’s tellende Journaal 1939 tot een bijzonder document. Men vindt hier nog eens de samenvatting van een denken dat Ter Braak met zijn laatste werkelijke boek, Van oude en nieuwe Christenen (1937), en met zijn in 1939 verschenen brochure De nieuwe elite tot zijn specifieke vorm van humanisme had gebracht. Maar hier staat dat alles nadrukkelijk in het licht van de vergeefsheid, van een persoonlijke onmacht die in zijn publicaties gewoonlijk ontbreekt. Zijn gehamer op de typmachine dient nog slechts om in beweging te blijven, zoals hij het zelf noemt, en zich niet volledig over en uit te leveren aan de zwartste melancholie.
Het journaal maakt op deze wijze zeer scherp voelbaar wat in zijn boeken altijd toch meer aan de kant van ideeën en gedachten blijft: dat denken (schrijven) en leven, lichaam en geest, bij iemand als Ter Braak sterk met elkaar verbonden waren. In Politicus zonder partij draaide hij nog met speels genoegen de bestaande waardenhiërarchieën om. Dit journaal maakt duidelijk dat Ter Braak zelfs dat spel zeer ernstig genomen moet hebben, al constateert hij nu dat hij anno 1933 aan de ontdekking van het ‘nihil’ op de bodem van alle hiërarchieën nog een zeker geluksgevoel, een gevoel van bevrijding ontleende ‘dat ik waarschijnlijk met deze kracht niet meer zal beleven’. In 1933 zal hij niet beseft hebben dat het problematiseren van de vooronderstellingen van de, au fond, christelijke cultuur uiteindelijk maar een broos voorrecht was, en dat zijn zo gewonnen onafhankelijkheid van die vooronderstellingen nog steeds onder het dictaat stond van hen die op basis van diezelfde vooronderstellingen tot geheel andere conclusies kwamen. En die waren aan de winnende hand.
Ter Braak heeft hun overwinning niet willen meemaken. Hij pleegde op 15 mei 1940 zelfmoord. Het zou overdreven zijn om nu te zeggen dat Journaal 1939 die zelfmoord volledig verklaart. Er blijft altijd een duistere, niet te verwoorden rest wanneer iemand de hand aan zichzelf slaat. Maar deze luttele pagina’s maken die zelfmoord wel zeer voorstelbaar, juist omdat het niet zomaar ‘gedachten’ waren, woorden die men om kan blijven keren tot men blauw ziet.


14:08 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.