04-12-05

Boog Mark

HET VERLANGEN NAAR ZUIVERHEID
Mark Boog, De vuistslag. 174 blz. Meulenhoff, Amsterdam 2001
In: DM, 19-9-2001

Alsof er iets gebeurt, zo heet de dichtbundel waarmee Mark Boog vorig jaar debuteerde en waarvoor hij dit jaar de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie ontving. Die titel verraadt meteen al veel, en wie een paar gedichten uit die bundel achter elkaar leest, weet het ook meteen zeker: in deze gedichten gebeurt helemaal niets. Dat wil zeggen: Alsof er iets gebeurt is vooral qua thematiek een nogal claustrofobische bundel waarin de dichter steeds vóór de drempel, binnenshuis, blijft staan. Dat huis keert dan ook in vrijwel ieder gedicht terug als de plek die de dichter niet verlaten wil en, zo vermoed je al snel, ook niet verlaten kán. In sommige gedichten staat hij op het punt de drempel te overschrijden. ‘Moet nu niet // dadendrang ontkiemen, sap / zich naar de vingers en de tenen / werken, moet nu niet iets?’, vraagt hij zich bijvoorbeeld in één van de gedichten af, maar het komt er ook nu weer niet van. Steeds weer sluit de dichter zich op in zijn huis (in zijn eigen gedicht) en betreedt de wereld daarbuiten niet of net niet. Wat houdt hem tegen?
Treffend genoeg geeft een gedicht met de titel ‘Uitsluitsel’ op die vraag het begin van een antwoord. Kijkend naar wat bomen, opnieuw op het punt om de stap te wagen, zuigt uitzicht zich vol betekenis, zo schrijft hij. In de poging dat uitzicht te interpreteren stuit de dichter echter telkens op de willekeur van elke betekenis. De betekenis van wat je ziet, verandert afhankelijk van het standpunt dat je inneemt, en hoezeer de dichter ook zijn best doet zich tegen ‘verwijten van willekeur in te dekken’, hoezeer hij zich ook voortdurend anders opstelt in de hoop ‘eenmaal Ideaal Verdeeld te zijn’, hij vindt geen ‘ijkpunt’, geen ‘meetpunt’, geen ‘centrum van alle dingen’ van waaruit hij de werkelijkheid zoals zij werkelijk en waarlijk is zou kunnen zien. Hij vindt inderdaad alleen de willekeur van ieder gezichtspunt. En blijft voor de drempel staan.
‘Ons beeld van de waarheid is onvermijdelijk vals,’ zo heet het in De vuistslag, de eerste, juist verschenen roman van Boog. Zo geformuleerd is dat nogal een platitude: het postmoderne cliché dat er geen enkele waarheid is die nog aanspraak kan maken op absolute geldigheid. Onze werkelijkheid is maar het beeld dat wij ons ervan vormen, en elk beeld van de werkelijkheid is maar een fictie, de werkelijkheid zelf maar een spel, enzovoorts en zo verder. Zoiets wordt pas interessant wanneer je de vraag stelt die er eigenlijk op zou moeten volgen: op grond waarvan, van eventueel welke ‘waarheid’ juist, komen we tot de slotsom dat ons beeld van de waarheid vals is. Als ons beeld van de waarheid onvermijdelijk vals is, is dan niet de constatering dát zij vals is zelf op haar beurt... vals, want een waarheid? Zou je dan niet even goed kunnen zeggen: elk beeld van de waarheid is onvermijdelijk waar?
Het personage uit De vuistslag stelt deze laatste vragen nergens. Integendeel, het blijft steeds bij die eerste constatering over de valsheid van elke waarheid, een stellingname die ook nog eens geïllustreerd wordt door de wijze waarop de roman is opgebouwd. De roman begint namelijk op het moment dat de hoofdpersoon, na op straat te zijn neergeslagen (of mogelijk zelfs: neergeschoten) in een ziekenhuis met moeite ontwaakt uit een comateuze toestand. Hij verkeert voortdurend tussen waken en slapen, tussen hallucinatie en helderheid, tussen feit en fictie, en als lezer is je nooit volkomen duidelijk wat er nu precies ‘in werkelijkheid’ gebeurt. Er verschijnen figuren aan zijn bed: een broer, een zus, rechercheurs die hem ondervragen, verplegend personeel en doktoren uiteraard, maar ook een engelachtige gestalte. Of de gesprekken die hij voert ook daadwerkelijk plaatsvinden, of de hoofdpersoon zelf echt hardop zegt wat hij lijkt te zeggen - er valt niet werkelijk achter te komen. Wie dat wel probeert, stuit al spoedig op tegenstrijdigheden, ontdekt dat latere beweringen niet kloppen met eerdere, bijvoorbeeld.
Op deze manier wordt de gedachte dat elk beeld van de waarheid onvermijdelijk vals is, ook daadwerkelijk in praktijk gebracht. We worden als lezers steeds op het verkeerde been gezet, zoals dat heet. Dat gebeurt echter zo ostentatief dat het soms irritant wordt. Meestal laat Boog zijn personage zelf al zeggen dat hij waarschijnlijk ligt te fabuleren. Zo wordt de gestalte die zijn bed nadert, ‘een kleine man, misschien met vleugels’, weliswaar een engel genoemd, maar niet zonder de aantekening dat het hier waarschijnlijk om ‘een doodgewone man, zonder vleugels of andere fantastische kenmerken’ gaat. Wat er in dit relaas ‘echt’ is en wat niet, blijft zo dan wel steeds verborgen, maar je krijgt telkens weer ingepeperd dat dat nu precies de bedoeling is. Je verwarring als lezer blijft met andere woorden steeds gebonden aan een theoretisch concept dat die verwarring voorschrijft, waardoor men haar, ironisch genoeg, niet als verwarring ervaart, maar als de invulling van die theorie, als iets wat men al verwachtte.
En dat is jammer, want Boog tracht in en met zijn personage wel degelijk door te stoten naar de ervaringswerkelijkheid die áchter het postmoderne cliché verscholen ligt: die welke zich alleen laat vertalen als een verlangen naar absolute zuiverheid. Dit personage houdt niet van half werk. Zelfs een halve maan is voor hem ‘een lelijk, onvolkomen geval’. En: ‘licht is het hoogste, naar licht moeten we streven: alles wat niet van licht is, en uiteindelijk, als plechtig besluit, ook het lichaam, sta-in-de-weg, moeten we weggooien. Eerst verliezen we het dierlijke, daarna het menselijke. Het goddelijke blijft over,’ schrijft hij, al weet hij dat dit welhaast onmogelijk is. ‘De kleinste smet vernietigt alles. Het stofje dat in de bundel licht opwaait, dat het licht zichtbaar maakt door het te vervuilen, blijkt belangrijker dan het zoveel grotere licht (...). En zoals het stofje het licht, zo de mens de wereld.’
Die laatste redenering is de opmaat voor het steeds terugkerende verhaal dat het personage over zichzelf ophangt. Je zou kunnen zeggen dat hij lijdt aan het Raskolnikov-complex: zoals Raskolnikov (een personage uit Dostojewski’s Misdaad en straf) meent het recht te hebben af te rekenen met ‘de luizen’ om hem heen en op grond daarvan een moord pleegt, zo is ook dit personage iemand die wenst af te rekenen met elke onzuiverheid, elke halfheid en verontreiniging die hij om zich heen en vooral ook bij anderen waarneemt. Die worden maar beter met één vuistslag geveld. Eén vuistslag inderdaad, want twee of meer, laat staan het onhandige gedoe van een heel gevecht - het zou maar geknoei zijn, onzuiver derhalve. Zo beweert hij dan zijn vader neergeslagen te hebben en vanaf die dag de leiding over het gezin overgenomen te hebben, en ook zou hij zijn (zwangere) vriendin hebben afgetuigd - daden waarvoor hij telkens een rechtvaardiging zoekt door zich te beroepen op de noodzaak van absolute zuiverheid. Het ging allemaal niet van harte, zo moeten we begrijpen, maar iemand moest het doen.
Opnieuw blijft onduidelijk of we hem hier op zijn woord kunnen geloven. Zijn zus stelt op een gegeven moment bijvoorbeeld dat niet hij zijn vader, maar zijn vader hem heeft afgetuigd. Het is één van de vele momenten in het verhaal waarop de waarheid kantelt, want als dat klopt, dan zouden we hier wel eens te maken kunnen hebben met een juist zeer zwakke figuur, één die tot niets in staat is en daarvoor compensatie zoekt in een Übermensch-theorie om er vervolgens passende ‘herinneringen’ bij te verzinnen. Daar is zelfs veel voor te zeggen, want herhaaldelijk wordt de suggestie gewekt dat hij allang van zijn verwondingen genezen is en alleen maar pijn en hulpeloosheid veinst om zijn kamer in het ziekenhuis niet te hoeven verlaten, een kamer die hij tegelijkertijd haat. En daarmee zouden we terug zijn bij het lyrisch ik dat we ook in de gedichten van Boog tegenkomen. Dat uiteindelijk het hele verhaal geschreven wordt vanuit het perspectief van iemand die zich alleen nog bezig houdt met het onderhoud van zijn tuin, met ‘tuinieren tot het einde’ - iets wat hij dan weer verantwoord met de redenering dat hij na zijn ziekenhuiservaring opnieuw heeft kunnen beginnen, en nu kan proberen van alle smetten vrij te blijven door niet meer te handelen - ook dat roept weer de dichter van Alsof er iets gebeurt op.Zo laat Boog in De vuistslag dus wel degelijk de paradox zien van de postmoderne gedachte dat alles relatief is. Hij herleidt die relativiteit enerzijds tot zijn werkelijke achtergrond: een rücksichtslos zuiverheidsverlangen met als uiterste praktische consequentie een niets ontziende destructiedrift. En daartegenover, juist in het licht van die destructiedrift, staat de machteloosheid, de onmogelijkheid om absoluut juist te handelen, een onmogelijkheid die tot inertie leidt. Maar het probleem dat ik met De vuistslag heb, is dat deze kwestie niet werkelijk tot leven wordt gebracht. Alsof de auteur bang was dat ik het niet helemaal zou begrijpen en dus zijn personage expliciet laat maken, wat beter impliciet had kunnen blijven. Te vaak krijg ik te horen dat wat hij meemaakt hoogstwaarschijnlijk maar een illusie is, een hersenspinsel, waardoor het beoogde effect - een hallucinant relaas waarbij men zich wérkelijk ongemakkelijk begin te voelen - uitblijft.


12:53 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.