04-12-05

Biller Maxim

HARD, HONEND EN DIRECT
Maxim Biller, Land van vaders en verraders. Vert. Paul van Westing. Meulenhoff. Amsterdam 1996
in: NvhN, 15-11-1996

In het laatste verhaal uit Maxim Billers bundel Land van vaders en verraders staat een schrijver voor zijn boekenkast en bladert door zijn eigen werk. Lezend in wat hij eerder publiceerde valt hem iets op waar hij zich vroeger nooit van bewust is geweest: ‘de harde toon, de bijna opdringerige directheid van mijn schrijven, dat voortdurende honen en opscheppen.’ Als lezer kun je, aangekomen bij dit laatste verhaal, weinig anders dan conclude-ren dat Biller hier in de figuur van die schrijver een klein zelfportretje heeft geschreven, want de toon in de verhalen van Land van vaders en verra-ders is hard, direct, honend en niet zelden vol van een verkeerd soort bravoure.
Met dat laatste bedoel ik overigens niet een literair verkeerd soort bravoure. Integendeel: het harde, honende en opschepperige in Billers verha-len maakt van die verhalen literair gesproken buitengewoon geslaagde, maar menselijkerwijs gesproken nogal onbarmhartige geschiedenissen. Dat is ook meteen het woord - ‘geschiedenissen’ - dat ter karakterisering van deze verha-len het beste past: het zijn geschiedenissen van vooral de kinderen van joden die de holocaust mee hebben gemaakt. Schiep Imre Kertész in Onbepaald door het lot (hier vertaald in 1995) nog György Köves, een jongetje dat in de oorlog door zijn vader aan de vooravond van diens deportatie uitgelegd krijgt dat hij nu voortaan ook deel zal hebben aan ‘het gemeenschappelijk lot van de joden’ - iets waarvan de naïeve György op dat moment helemaal niets begrijpt -, in deze verhalenbundel van Biller hebben de joden van de zogeheten tweede generatie al van voor hun geboorte aan dat lot deel.
Het verklaart voor een deel de harde, honende toon in de meeste verhalen, want de hoofdpersonen wijzen zonder uitzondering een beschuldigende vinger. Of liever: ze hebben de neiging iets of iemand verantwoordelijk te willen stellen voor het lot waaraan zij deel hebben: het lot der joden. En sterker nog: Biller maakt duidelijk dat de tweedegeneratie-joden hun lot, welke dat ook is, altijd al op voorhand met dat zo dramatische lot van hun volk verbinden. Dit laatste maakt Billers verhalen nog scherper. Zijn personages wijzen niet alleen onmiddellijk naar de holocaust als alles vernietigende en alles en iedereen verstommende oorzaak voor de omstandigheden waarin ze verkeren en bezor-gen zo hun omgeving - gewoonlijk Duitsland - het schuldgevoel dat zij histo-risch gezien verdient. Maar de personages wijzen ook niet zelden de beschuldi-gende vinger naar zichzelf; of Biller maakt op een andere manier duidelijk hoe hij denkt over de pathetische neiging van joden overal en altijd hun eeuwen-oude en door de holocaust recente, gruwelijke lot bij te slepen. ‘Shoah-kitsch’, ‘holocaustonzin’, zo luidt het onbarmhartige oordeel.
Deze mengeling van beschuldiging en zelf-beschuldiging bezorgt je als lezer een wat onbehagelijk gevoel. Het wordt je niet gemakkelijk gemaakt om als in de eerste plaats niet-jood dan maar de rol van begrijpende buitenstaander of zelfs die van mede-schuldige op je te nemen. Ik ben weliswaar geen Duitser, ze denk je naar aanleiding van dat laatste dan, maar mijn niet-joods zijn maakt dat ik, althans in potentie, eerder tot de beulen, nou ja: de medeplich-tigen, dan tot de slachtoffers behoor. Biller prikt deze valse onpartijdigheid en boetedoening genadeloos door, door je als lezer niet de gelegenheid te geven zijn personages sympathiek te gaan vinden.
Zijn joden zijn behoorlijke rotzakken, om het zo maar eens te zeggen, overlo-pend van ressentiment, van wraakgevoelens die ze met een beroep op hun historische gelijk schaamteloos botvieren op hun omgeving. De hoon waarmee Biller (voor de goede orde: zelf kind van Russisch-joodse ouders die na het mislukken van de Praagse lente naar West-Duitsland vluchtten) zijn persona-ges tegemoet treedt en waarmee ook die personages zichzelf tegemoet treden, duidt op een diepgewortelde zelfhaat. En het is dat beeld van de anti-semitische jood dat mijn gevoelens jegens de personages hier misschien nog wel het meest compliceert.
Want waar de personages trachten schuldigen te ontmaskeren en met een overstelpend historisch gelijk aan hun zijde de vinger wijzen om zo hun slachtofferschap in de tweede graad op die schuldigen te wreken, blijken vaak op een verwarrende manier de werkelijke slachtoffers (de ouders) zelf ook schuldig te zijn geweest. Er komen in Land van vaders en verraders nogal wat verhalen voor waarin de basisstructuur gevormd wordt door het motief van de zoon die het leed dat zijn vader is aangedaan (en dat ook zijn lot heeft bepaald, meent hij) wil wreken op de schuldige, om er vervolgens achter te komen dat zijn vader zelf ook schuldig is. ‘Ik had (...) eindelijk begrepen dat echt alleen maar diegenen de verschrikkelijkste aller verschrikkelijke tijden konden doorstaan die altijd juist voelden en dachten, maar nooit oprecht handelden’, zo heet het in één van die verhalen, - een verhaal dat er dan ook mee eindigt dat de zoon de relatie met zijn vader verbreekt.
Juistheid en oprechtheid staan hier tegenover elkaar, en dat maakt de waar-heid van dit boek tot een zo onaangename. Het maakt dat je bijvoorbeeld de man die zijn vroeger zusje verraadde om zelf te ontkomen wel begrijpt, maar dat je tegelijkertijd (als de verteller) van hem walgt, en dat laatste dan weer zonder dat je die walging ten volle kunt uitleven omdat je begrip je weer in de weg zit. Het juiste blijkt hier gruwelijk verkeerd en maakt het slachtoffer tot dader.
Dezelfde tegenstelling maakt ook dat je de kleinzoon van Groucho Marx wel begrijpt, die naar Duitsland reist om er een huilerige documentaire over de Kristallnacht te maken, maar tegelijkertijd de vriend van de verteller van dit verhaal gelijk moet geven, die zegt dat deze kleinzoon de snor van zijn groot-vader op had moeten plakken en zijn documentaire De Marx Brothers in Duitsland had moeten noemen... Hier blijkt het oprechte onjuist en vals.
‘Ik wilde voor geen prijs beheerder van mijn eigen herinneringen worden’, stelt de schrijver uit het laatste verhaal, ‘een zelfbenoemde held van een in het midden afgebroken leven’, en je kunt zeggen dat Biller door zijn hoon, zijn directheid, zijn onbarmhartigheid gepoogd heeft met deze verhalen aan dat dubieuze heldendom te ontkomen, maar tegelijkertijd geeft hij op die manier aan op een bepaalde manier toch zo’n beheerder van zijn eigen herinneringen te zijn. Hij heeft, zoals het in een ander verhaal heet, ‘door het opsplitsen van de hoofdpersoon in meerdere personen geprobeerd het tegelijkertijd reële en paranoïde moment te vangen dat in de holocaustervaringen van nakomelin-gen van beide kanten, van slachtoffers zowel als daders, aanwezig is’. De harde, honende en directe toon van die verhalen maakt niet alleen dat de problematiek van de nakomelingen van holocaustslachtoffers je als lezer duidelijk wordt, maar ook dat je als lezer in een positie wordt gemanoeuvreerd waarin je medeleven misschien oprecht bedoeld maar onjuist en vals is ge-worden.


12:37 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.