27-10-05

Biesheuvel J.M.A.

AAN ELKAAR GEKNOOPTE SCHOENVETERS
J.M.A. Biesheuvel, Het wonder. Meulenhoff, Amsterdam 1995
In: NvhN, 10-2-1995

Er bestaat voor mij niet zoiets als een 'nieuwe' verhalenbundel van J.M.A. Biesheuvel. Er blijkt wel om de zoveel tijd een volgende verhalenbundel uit te komen, maar die verschilt qua thematiek, stijl en zelfs qua onderwerpen maar zo weinig van de voorgaande, dat je hem niet werkelijk 'nieuw' kunt noemen.
Biesheuvel is zo'n schrijver die niet zozeer met ieder volgend boek een stap voorwaarts zet, of desnoods achter- of zijwaarts, maar die in elk boek steeds maar weer even onverzettelijk op dezelfde plek blijkt te staan, starend naar zijn schoenpunten. Dat is Biesheuvel ten voeten uit. En het zou mij ook hogelijk verwonderd hebben wanneer het in zijn zojuist verschenen verhalenbundel anders geweest zou zijn, ook al heet die dan Het wonder.
Want Biesheuvel houdt niet van verandering of het veranderlijke. Hij houdt er een in wezen romantisch wereldbeeld op na, waarin de droom van het goede en schone, van het onveranderlijke en tijdloze een hoofdrol speelt. Dat klinkt door in bijna iedere zin die hij schrijft. In het verhaal over ere-admiraal Wyntham Cremer bijvoorbeeld, opent zich bij het graf van deze admiraal een luikje waaruit een stem opklinkt die vertelt over zijn leven. Al in de vijfde zin van dat verhaal leest men: ‘Het ontbijt gebruikte hij altijd met zijn vrouw en dochtertjes, die dertien, vijftien en zestien jaar oud waren.’ Die dochtertjes hadden altijd die leeftijd? Dat is op zijn minst de suggestie. Je kunt aan slordigheid denken (en ik denk daar bij Biesheuvel vaak aan), maar dit verbreden van iets wat op een bepaald moment zo is, tot iets wat altijd het geval is, komt vaker voor. Er spreekt een verlangen naar roerloosheid uit, zoals in de verhalen ook regelmatig iemand even een uiltje knapt en zich zo aan het verstrijken van de tijd onttrekt.
Ook het feit dat de meeste verhalen zich op één plek afspelen, niet zelden uitvoerig, maar droog en feitelijk beschreven, als een opsomming, duidt op het verlangen naar bewegingloosheid. Er wordt trouwens veel opgesomd in Het wonder: boektitels, namen van schrijvers en geleerden, en er wordt ook continu gelezen. Alsof we onophoudelijk in de stoffige stilte van een bibliotheek zitten waar alles een onwrikbare plaats heeft.
En wat te denken van een merkwaardige constructie als: ‘orde op zaken houden’? Men stelt orde op zaken (een handeling) of men handhaaft de orde (wat ook een actie impliceert). Wie orde op zaken houdt, doet niets; de zaken zíjn dan al op orde. Men hoopt hoogstens dat het zo blijft.
Maar het blijft niet zo, natuurlijk. Alles raakt voortdurend in het ongerede. Niets is wat het is, wat het zou moeten zijn, omdat niets beantwoordt aan het statische, in wezen door en door christelijke wereldbeeld dat aan het romantische levensgevoel ten grondslag ligt. Het is zoals in het titelverhaal van de bundel, waarin Maarten met zijn Vader (met hoofdletter geschreven) naar Opperwirh (!) in de Vogezen gaat om daar 14 dagen lang aan een beekje te zitten ('Vader en ik hielden er niet zo van om in de wijde omtrek uitstapjeste gaan maken'). Bij dat beekje ontdekken ze de aardas, die een eindje boven de grond uitsteekt. Vader wil zijn hand eens op die aardas leggen, daar 'waar God hem houdt'. Maar als hij dat doet, luidt zijn commentaar: 'De overlevering, de mythe gebiedt mij nu de hand van God te voelen, maar het vreemde, het rare, ja het rare, oh het griezelige is...ik voel helemaal niets!'
Het grootste wonder in dit verhaal blijkt uiteindelijk te zijn dat de radio en de pick up die Vader bij het station onder de snelbinders heeft achtergelaten toen ze vertrokken, bij terugkomst nog net zo onder die snelbinders blijken te zitten, samen met een briefje van iemand die de apparatuur tussendoor even heeft geleend. Men zou daar vandaag de dag inderdaad spontaan een bewijs van gods bestaan in zien.
Biesheuvel noemt zichzelf ergens 'Romantisch absurdist' en 'Absurdistisch romanticus'. Zijn absurdisme is een gevolg van zijn romantische inborst. Door vast te houden aan wat de mythe gebiedt, wordt de werkelijkheid die aan die mythe niet beantwoordt een absurd universum. Het feit dat er géén instantie is die op alle vragen een antwoord heeft, maakt dat de personages met onoplosbare vragen komen te zitten. Alle boeken van de wereld over alle denkbare onderwerpen, kunnen die vragen niet beantwoorden.
Dat maakt van Biesheuvels personages niet alleen clowneske, maar ook tragische figuren. Omdat ze hun droom van een Absoluut Antwoord op Alle Vragen niet opgeven, worden ze beheerst door angst voor al het onbegrepene om hen heen. God is bij Biesheuvel niet dood, alleen maar ongeloofwaardig. Hij is een dreigende blinde vlek geworden die alles onophoudelijk doordringt. 'In God kan ik niet geloven. Maar duivels en demonen zijn er zeker', heet het in 'De vleugel', waarin ook te lezen staat dat er 'altijd schuld, schaamte, soberheid en angst' is.
Dat is de impasse waarin Biesheuvel boek na boek verkeert: niet bij machte nog in god te geloven, niet bij machte de uiterste consequentie te trekken en de wereld werkelijk absurd te noemen (zoals bij Sartre en Camus). En ieder boek van Biesheuvel geeft mij dan ook de indruk dat hier iemand aan het woord is die met samengeknepen knieën en billen zijn verhalen schrijft, doet me uitkomen bij de onmacht die veroorzaakt wordt door de angstvalligheid waarmee hij vast blijft houden aan een mythe die zichzelf heeft uitgeput. Kon hij die angst kwijtraken, hij deed een stap voorwaarts. Maar het lijkt erop datBiesheuvels schrijverschap die angst veeleer cultiveert. Zijn verhalen zijn de veters waarmee hij zijn beide schoenen aan elkaar knoopt.
Die schoenen zijn wel vaak mooi gepoetst, dat wel.

17:08 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.