18-10-05

Van Bastelaere Dirk (2)


HAAR KNIE ONTKOMT HAAST WEER
Dirk van Bastelaere, Diep in Amerika. Gedichten 1989-1991. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 1994.
In: DGA, 16-11-1994

Lezend in de eerder dit jaar verschenen dichtbundel Diep in Amerika van Dirk van Bastelaere, schoot mij ineens een brief van de dichter Charles Ducal te binnen, een brief die gepubliceerd werd in het tijdschrift Yang. Die brief was gericht aan Benno Barnard, die niet zonder leedvermaak wereldkundig had gemaakt dat De Arbeiderspers had geweigerd om deze bundel van Van Bastelaere te publiceren. Pornschlegel en andere gedichten, de bundel die Van Bastelaere in 1988 publiceerde en waarvoor hij de Hugues C. Pernathprijs ontving, werd wél door De Arbeiderspers uitgegeven, misschien — zo denk ik dan meteen een beetje villein — omdat Van Bastelaere's in Vlaanderen uitgegeven debuut, Vijf jaar (1984), bekroond was met de prijs voor het beste debuut en het binnen korte tijd tot een tweede druk bracht. Het blijft handel, tenslotte. Maar misschien moet ik zo villein niet worden en me concentreren op de reden van de afwijzing.
'Onbegrijpelijkheid' — daar ging het om, zo lees ik in de brief die Ducal schreef. Van Bastelaere's nieuwe bundel zou volslagen onbegrijpelijk zijn. Een onbegrijpelijk criterium bij de beoordeling van poëzie, zo meende Ducal, en zelfs 'gevaarlijk', zoals hij schreef, 'omdat er een zekere conformeringsdwang lijkt vanuit te gaan'. En hij had gelijk, zo vond bij nader inzien misschien ook Barnard, die als poëzieredacteur van uitgeverij Atlas Diep in Amerika uiteindelijk toch publiceerde. Dit nadat Van Bastelaere zelf met een selectie uit deze bundel in 1992 de wijk had genomen naar het bijzondere fonds van de Limburgse uitgever Jo Peters. Reis door het lichaam, zo heette die bij Herik verschenen selectie.
Misschien geeft die laatste titel wel aan waarom Van Bastelaere's nieuwe poëzie zo onbegrijpelijk werd gevonden. Wij naderen de wereld nu eenmaal met en uit het hoofd. Van daaruit dringen zich ordenende principes op aan een volstrekt willekeurige en chaotische werkelijkheid, die onder invloed van die principes de schijn van overzichtelijkheid krijgt, een geordend geheel wordt dat we voor ware werkelijkheid houden. Dat die wereld enkel in ons hoofd zit, een 'fictie' is, willen we vandaag de dag nog wel toegeven, graag zelfs (dit soort relativeren is beslist in de mode), zolang we het maar als een gedachte, een sententie desnoods, het liefst nog als een bon-mot mogen blijven beschouwen. Zoals we natuurlijk ook wel weten dat ons lichaam één en al bloeden, borrelen, sissen en gisten is, maar de ervaring daarvan maar liever buiten de beleving van onszelf houden, en in ieder geval: buiten onze conversatie.
Zo niet Van Bastelaere. Het voor onze cultuur kenmerkende onderscheid tussen denken en doen, tussen ervaring en het verwoorden van die ervaring, lijkt in zijn poëzie geen rol van betekenis te spelen. Het schrijven is geen beschrijven, het is zelf ervaring. Laat ik als voorbeeld het gedicht 'Reis door het lichaam' citeren:

Het meisje en de reis door haar lichaam
weten zich
bij elkaar bekend door de zeedijk en de monotonie
van het oorsuizen.

Kent het gerasp van sprinkhanen
de manier waarop tegen elkaar aan
worden
gewreven de achterpoten?
Hoort de vingerplant het gebrom van water in zijn pot?
Ook dan is de reis
voor het meisje een lichaam.

Straks verstrijkt, een wijzer op zoek naar een tragere wijzer,
het meisje in een ander meisje,
op het grasperk in zichzelf verdeeld.
Van mijn verblijf is haar lichaam
een nabeeld.
Haar knie ontkomt haast weer.


De vraag die het eerst bij zo'n gedicht opkomt, is eigenlijk meteen ook de verkeerde vraag: wat je hiermee moet. En de reactie die het meest voor de hand ligt, is de voor het gedicht minst adequate: van de tekst zelf weglopen op zoek naar een hoger kader waarbinnen deze chaos weer een bedoeling krijgt in onze ordelijke wereld. Je zegt dan bijvoorbeeld dat deze tekst ontregelend wil zijn. Je schrijft de dichter een kritische bedoeling toe. En je lijkt in eerste instantie nog gelijk te krijgen ook. Van de dichter zelf.
Van Bastelaere heeft zich de afgelopen jaren niet onbetuigd gelaten als het ging om polemische uitspraken, om aanvallen op het officiële cultuurklimaat. En net als zoveel andere jonge dichters heeft ook Van Bastelaere meermalen de behoefte gevoeld om zijn poëtica te formuleren, en daarbij viel dan vaak een hele boekenkast om. In zo'n poëticaal stuk van zijn hand kon men bijvoorbeeld lezen dat het gedicht voor hem vooral een 'beweging naar ontordening' was.
Waarom het zo werkt weet ik niet, maar dit soort uitspraken wordt altijd opgevat als een intentieverklaring, als iets wat de dichter zou willen bereiken. Die Dirk, hij wil de orde omver werpen, zo hoor je dan. En als in zo'n poëticale beschouwing dan ook nog 'moeilijke' theorieën van bijvoorbeeld Baudrillard of Lyotard of Barthes worden aangehaald, dan wordt een dichter er al heel snel van verdacht dat hij met zijn gedichten alleen maar die theorieën invult. Die dichter zelf schrijft echter: 'Poëticale bespiegelingen zijn (...) altijd reflecties a posteriori', — achteraf dus. Ze zijn geschreven door de dichter die op dat moment niet dicht, maar denkt, weer aansluit bij het geldende discours, enerzijds om zichzelf daarbinnen te begrijpen, anderzijds om te laten zien dat dat discours voor hem niet geldt.
Dat is de paradox die ik ook als lezer ervaar. Al lezend ervaar ik het meisje: ik ervaar ruisen en suizen, gerasp en gebrom. Ik ervaar naar het eind van het gedicht toe steeds meer het verstrijken van de tijd in mijzelf, hoe het lichaam van het meisje dat mij hier al lezend deelachtig wordt, al bijna een nabeeld is: het gedicht dat hier staat en dat als ik het uit heb een herinnering wordt aan mijn verblijf als lezer in haar lichaam. En wat mij met onzegbare melancholie vervult: haar knie is mij ontkomen. Ik realiseer me dat ik haar, zolang ik lezende was, geweest ben. Maar ik kon haar niet blijven, zoals dat meisje zichzelf niet kon blijven: zij verstrijkt in een ander meisje en daarna in weer een ander en weer. Zij is immers niet dood; zij leeft en wie leeft verandert per seconde. Gelukkig heb ik dit gedicht. Ik kan de reis die zij is, de reis die haar lichaam is, nog een keer worden, en nog eens. Door het telkens opnieuw te lezen. Een intieme gebeurtenis. Maar telkens ook raak ik haar aan het eind weer kwijt. Haar knie ontkomt.
'Door sommigen wordt deze situatie herkend / als een klassiek geval van melancholie, / door anderen als een flits van wanorde die de wereld bepaalt,' zo heet het in een ander gedicht. Die flits van wanorde is het moment waarop je wordt wat je ziet en wordt wat je bent (lichaam, wording), het moment waarop je als denkende instantie bent opgeheven. Als op een schrikmoment: als je schrikt ben je op het schrikmoment even niets dan het zich schrikkende lichaam. Je 'ik' is even afwezig. En: 'Omdat er afwezigheid / is is // er poëzie', zo schrijft Van Bastelaere, of elders: 'omdat zich in het doen reeds / vergetelheid openvouwt'.
Misschien komt de beste karakterisering van deze poëzie wel uit de mond van Mr Spock, een personage uit de tv-serie 'Starship Enterprise'. Van Bastelaere nam diens 'It's life, Jim, but not as we know it' als motto op. Het leven kennen we alleen als de van ons eigen lichaam en van tijd en plaats losgemaakte abstracties. Van Bastelaere wil het leven in zijn concreetheid: als de onmogelijk te fixeren wording die we zijn, 'zoals van het bliksemen wij de bliksem losmaakten // zo kwamen van het lichaam de tekenen neer'. Een poëzie van uit zichzelf en uit elkaar vertrekkende zinnen, die vaak onbegrijpelijk mooi is.

UIT HET SLACHTHUIS VAN DE TAAL
Dirk van Bastelaere, Hartswedervaren. Gedichten. 112 blz. Atlas, Amsterdam.
In: DM, 24-1-2001

Niet met het hoofd, maar met het hart spreekt een dichter, althans dat willen we nog steeds graag geloven. Het verstand behoort aan de wetenschap en misschien aan de filosofie (ik twijfel soms), maar het gevoel is voor de dichter. Dat is een romantisch cliché natuurlijk, maar daarom niet per se achterhaald. Na het lezen van Hartswedervaren, de nieuwe bundel van Dirk van Bastelaere, durf ik de stelling best aan dat zelfs deze dichter recht uit het hart spreekt.
Zelfs Van Bastelaere? Ja, zelfs deze dichter die in het verleden meermalen het verwijt kreeg dat hij het hoofd voor het hart liet gaan, de theorie voor de praktijk van de poëzie. Dat zal enerzijds te maken hebben met het niet al te vanzelfsprekende karakter van zijn gedichten, de ‘moeilijkheidsgraad’ ervan, als men wil. Anderzijds heeft het te maken met de essays, artikelen en recensies die Van Bastelaere daarnaast heeft geschreven, beschouwende stukken van een vaak hoog filosofisch gehalte, vol van literair-politieke bedoelingen, waarin derhalve vaak gegispt en gegeseld werd, en die niet zelden het karakter van decreten hadden. Mede op grond van die stukken geldt hij nu als één van de voormannen van de nieuwe Vlaamse, postmodern genoemde poëzie, als de verpersoonlijking van een generatie zelfs, die aanwijsbaar invloed heeft gehad op nieuwere dichters als Declercq, Demets, Bogaert en misschien zelfs Holvoet-Hanssen. Ja, én als een al te abstracte dichter die het hoofd voor het hart laat gaan.
Dit is natuurlijk maar etikettenplakkerij die je gemakkelijk blind kan maken voor hetgeen in zowel de gedichten als in zijn beschouwende stukken toch duidelijk genoeg doorklinkt: woede soms, engagement in ieder geval, passie, of als men wil: gevoel, hartstocht - en dat laatste woord lijkt me meteen één van de mogelijke invullingen te zijn van het ‘hartswedervaren’ waar het in deze bundel om draait. Het lijkt me zelfs niet overdreven om te stellen dat Van Bastelaere ons in deze bundel zijn hart aanbiedt, maar dan wel zoals dat in het naar Heiner Müller verwijzende dialoogje met de titel ‘Hartstuk’ gebeurt. Daarin biedt ‘Een’ aan ‘Twee’ zijn hart aan, krijgt het er niet uit, waarop ‘Twee’ uiteindelijk met een zakmes een handje toesteekt. ‘Zo, daar is het’, zegt hij, en vervolgt: ‘Maar dat is een / baksteen. Uw hart is een baksteen.’ ‘Ja, maar het klopt alleen voor u’, repliceert ‘Een’.
Toegegeven: bij een dichter die recht uit zijn hart spreekt, verwacht men geen kloppende baksteen toegeschoven te krijgen. Maar de vraag is: wat dan wel? Het simpelste antwoord is: alles wat we bedoelen wanneer we het over ons hart hebben - het diepste, nee het hoogste, nee het... God, zo denkt misschien een christen; Nirwana, mompelt de boeddhist; het onpresenteerbare, zo weet de postmodernist. Dat waarvoor geen woorden bestaan - ons hart kortom, een woord waarin we al dat onuitsprekelijke projecteren.
‘Dat ik je aanspreek, / stom hart, / is natuurlijk complete waanzin’, zo weet Van Bastelaere dan ook, ‘je bent / een generiek gegeven uit de cultuurgeschiedenis’. En even daarvoor, in het gedicht ‘Vanuit het voorbije’, schrijft hij: ‘Hart, ik kan je bedenken / met beeldspraak om je overdrachtelijkheid / te bewijzen, je bruikbaarheid, generator, / voor de ontginning van onontgonnen / terrein; reservoir voor het gevoelde // of wat in voeling met onze sterfelijkheid / signalen afgeeft in de biochemie. // Stortbak voor de emoties, / het ons bewegende, kon ik je inlijven / in de retoriek / van het voorafgaande, maar dat / heeft, als retoriek, het voorafgaande al gedaan / en als dusdanig mij ingelijfd, zodat ik / mij toespreek vanuit het voorbije in jou / dat mij heruitvindt in wat je mij aandoet.’
Het hart als woord, metafoor, symbool is in deze bundel vaak een vuilnisbak, een woord waarin we willen uitdrukken wat ons (’ten diepste’, ‘ten hoogste’) beweegt. Maar juist in dat woord en door wat het in de cultuurgeschiedenis allemaal is gaan betekenen, lijkt het eerder te vernietigen wat we er nu juist mee wilden zeggen. En dat laatste belandt op die manier in de vuilnisbak waar we al eerder God hadden gedeponeerd, en de Waarheid, elke gedachte dat er zoiets als een Essentie zou bestaan. Toch willen spreken over wat ons beweegt, komt uiteindelijk neer op een vorm van afvalscheiding. Het ‘valt in de taal en verspreidt zich als een ziekte, die aanlaadt en / aangeladen geschiedenis blijkt’, zo heet het in ‘Hartbeschadiging’; ‘Elk woord een abattoir’. Dat wat je beweegt ‘hart’ noemen, is dat ‘hart’ beschadigen. ‘Het hart van het hart is de hartaanval’, staat dan ook in het laatste gedicht van de bundel.
Hartswedervaren bevat nogal wat (en misschien net een paar te veel) gedichten die precies deze kwestie aan de orde stellen, ons meeslepen langs ooit aan het hart toegekende betekenissen, ook door andere dichters als Emily Dickinson of Leonard Nolens (wiens verzamelbundel uit 1991 immers Hart tegen hart heet), om ten slotte bij de negatie uit te komen. Waarschijnlijk is dat voor hen die in Van Bastelaere altijd al meer een denker dan een dichter zagen de bevestiging van hun gelijk. Misschien appelleren gedichten waarin aan het hart zowel betekenissen worden toegekend als tegelijkertijd teruggenomen inderdaad meer aan het verstand dan aan het ‘gevoel’. Toch weten de meeste gedichten juist door die omweg dat gevoel te bevrijden, beschikbaar te maken (zodat het onderscheid tussen denker en dichter wegvalt). En bovendien: die omweg is bij Van Bastelaere vaak een avontuur en soms bepaald humoristisch.
Maar ook: ontroerend. ‘Onder dioxine hemelen’ bijvoorbeeld, een gedicht over het ‘klein hart’ van een Hannah geheten meisje, een hart ‘als een klaproos / toegewaaid in de berm’, een hart dat zich vervolgens weer ‘uit de knop van een vergeleken klaproos’ ontvouwt en de vorm aanneemt ‘van een kus uit de toekomst’ - dat gedicht is een pareltje. Zo gekust te mogen worden! Wonderschoon is het, mij dieper treffend in het... hart dan wat ook, en mij zo nog scherper bewust makend van het slachthuis van de taal die me belachelijke vergelijkingen ingeeft. Ik word in mij die baksteen gewaar: die onmogelijke steen die klopt en bloedt. En de enige manier om daarover iets te zeggen, is door te citeren, deze omweg te nemen.

11:20 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.