18-10-05

Ter Balkt H.H. (3)

BRANDEN MOET 'T
H.H. ter Balkt, In de kalkbranderij van het absolute. Gedichten De Bezige Bij. Amsterdam 1990.
In: Poëziekrant jrg. 15, nr. 2. p. 25-26.

Met de poëzie van H.H. ter Balkt valt geen compromis te sluiten: men omarmt haar volledig, of men laat haar na de eerste opgelopen brandwonden voor de rest van zijn leven ongelezen. In dat laatste geval wordt Ter Balkt vermoedelijk voorgoed de ‘barokke dichter’, de ‘woordkakker’ die hij in veel gedichten zeker óók is. In het eerste geval echter blijft hij bij alle woordkakkerij de poeta vates, de profeet en ziener, die hij blijkens zijn tot 1979 gebruikte pseudoniem Habakuk II De Balker altijd heeft willen zijn, maar ook daarna als H.H. ter Balkt steeds is gebleven, - en geeft men zich over.
Een poeta vates moet men niet beoordelen op wat hij buiten zijn gedichten om over poëzie te berde brengt. De recensies die Ter Balkt in Het Parool schrijft, zijn vaak maar moeilijk te volgen; ze staan qua toon en strekking buiten de discussies over poëzie zoals die op dit moment worden gevoerd. Is in die discussies de centrale vraag of poëzie nu ‘afbeeldend’ danwel ‘verbeeldend’ moet zijn, ‘autonoom’ of juist ‘expressief’, of het gedicht ‘los van zijn maker’ dient te staan danwel ‘uitdrukking van de persoonlijkheid van de dichter moet zijn’, - Ter Balkt banjert dwars door dergelijke onderscheidingen heen met bijvoorbeeld de opmerking: ‘Er moet iets osachtigs en olijks, er moet iets gevaarlijks en toch ook buitengewoon goedmoedigs zijn in de kunsten; iets tegemoetkomends, iets afstotends, dat toch de ploeg trekt.’ Hij schreef dit in een in De Revisor 1987/1 gepubliceerd essay en citeert het achterop zijn nieuwe bundel: In de kalkbranderij van het absolute. Het is een opmerking waarmee Ter Balkt zich buiten de gangbare discussie plaatst, - een vorm van verzet tegen de kaders waarbinnen de poëzie momenteel wordt besproken. Het lijkt er op dat Ter Balkt nergens uit is op het gelijk in de discussie, maar dat het hem gaat om het ongelijk van de discussie zelf.
Het is dit verzet dat Ter Balkt zijn profetische aanzien geeft, want met een geloof in de bovennatuur heeft dat profetische niet zo veel te maken. Integendeel: ‘De dichter is maar blinde / vlier, hij kreunt en zingt / in de wind die in hem klimt,’ zo schrijft hij in het gedicht 'China, juni' (over de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989). Het zijn regels die mij het gedicht 'De elegie van de varkens', uit de bundel De gloeilampen De varkens (1972) te binnen brengen:

Er is zoiets droefs in de wijze ogen van varkens
Dat zij wel profeten lijken voor de slachttijd.
(Ik heb het niet erg op profeten en jij? Nee
meer houd ik van het klimop dat omhoog klimt).


Het klimop dat omhoog klimt, de blinde vlier: de dichter is gelijk aan de wereld die hij bewoont en zijn enige taak, zijn enige doel, is te groeien, te leven, zonder dat groei en leven in het perspectief van één of ander goddelijk plan, één of ander concept van de werkelijkheid worden gezien. Ter Balkt verzet zich tegen concepten, tegen alle in onze cultuur voorhanden werkelijkheidsopvattingen, omdat in die opvattingen de idee van de wereld staat tegenover de wereld zoals zij is, - en die scheiding van idee en wereld is voor hem onacceptabel.
In de poëzie leidt een dergelijke scheiding er volgens hem toe dat de dichter in zijn verzen een abstracte werkelijkheid gaat propageren, en daarmee verandert de werkelijkheid ‘in een Potemkin-decor, in beton- en onwikkeland,’ zoals hij op de achterflap schrijft. Het woord ’onwikke’ lijkt mij te verwijzen naar Kusters' De geheimen van wikke en dille, een essay over een gedicht van Kouwenaar. Ter Balkt wijst dus niet alleen de dichters af die er een metafysisch, positivistisch of ander werkelijkheidsconcept op nahouden, maar ook de dichters wier werkelijkheidservaring in principe met de zijne overeenstemt, maar die die ervaring hebben vertaald (zo zeggen de theoretici) in een poëzie waarin ‘het zwijgen van de wereld’, de witte bladzijde als laatste consequentie wordt voorgesteld.
‘Pas op voor de onwikke, pas op voor de onwikke. 't Was / bijna te laat voor de poëzie; ze wilde naar huis,’ zo schrijft Ter Balkt in het openingsgedicht van de bundel; ‘Bekermos tot slot: mors geen goud op je drempel. / Schuw doorsneden essen. Een vrije stem reist.’ Zo'n stem verabsoluteert niet de woorden die zij spreekt en al evenmin de poëzie waartoe zij al sprekend behoort. Ter Balkt begint zijn gedicht dan ook met een citaat uit Deor, een Oud-engelse elegie uit de achtste of negende eeuw, toegeschreven aan de onbekende zanger Deor, waarin na iedere strofe het refrein ‘Dat ging voorbij, zo zal ook dit voorbijgaan’ opklinkt, of, zoals Ter Balkt het zelf zegt: ‘'t Oor aan de kast luister ik af: “Ga teloor”’. Ook in ‘Bezinning’, een gedicht dat is opgedragen aan de twaalfde eeuwse dichter Marcabru, bekend van zijn wrange hekelingen van de toen geldende hoofse zeden, vindt men eenzelfde dwarsheid. Met een toespeling op Homerus' ‘Zing mij, o Muze’, schrijft Ter Balkt:

Bezing mij de bezinning, hoofd
dat in gedoofde lichten gelooft
maar schaars 't brandende bezong.

Scheer je weg, spat op de wagenrong.
Bezing mij de bezinning, hoofd
dat doolde onder bedriegers' oog.

Duikel voorover, betoverde tong
die onder dwaallichten heeft geleefd
en altijd het gedoofde toezong.

Bezing mij de bezinning, hoofd.
Gebroken steen rust in mijn hoofd
en brokkelt op mijn ossetong.

Ik was de straat, waterscheerling.
Bezing mij de bezinning, hoofd.

Gelezen op eeen meer poëticaal niveau, drijft Ter Balkt hier de spot met de dichter die, zo wil het cliché, onder het aanroepen van de Muze zijn gedichten schreef. Die dichter, zo stelt hij hier, heeft in feite nooit 't brandende bezongen, was altijd een bedrieger die alleen het gedoofde toezong. De bezinning die hier van het hoofd wordt gevraagd, kan men lezen als een pleidooi voor herziening van de bezonnenheid van het hoofd, en dus eigenlijk als een oproep tot onbezonnenheid, of - als men bezinning heel letterlijk neemt - een oproep tot zinnelijkheid in plaats van bedachtzaamheid.
Het is verleidelijk om in Ter Balkt een dichter te zien die uit is op de omdraaiing van de al eeuwen in onze cultuur bestaande verhouding tussen lichaam en geest. Nadat eeuwenlang de geest als het hoogste is beschouwd, is het nu de beurt aan het lichaam. Maar dit is te schematisch gedacht. In het wat flauwe gedicht ‘Rambo III’, waarin beschreven wordt hoe de hersens van president Kennedy de wereld introkken – ‘Op een dag in november huppelden zij uit de auto / Kozen in 't slachthuis botten uit en een osseschedel’ – wordt weliswaar gesteld dat Kennedy's weggeschoten hersens de lof van de hersenloosheid verkondigden – ‘Met dank aan de kogels in Dallas en aan het volk’ – maar de ironische toon verhindert dat men in Ter Balkt nu een supporter van die hersenloosheid moet zien. Zijn votum voor onbezonnenheid maakt hem nergens blind voor het onrecht dat de mens, maar ook het dier, en bij uitbreiding: de wereld zelf wordt aangedaan.
Het gedicht 'China, juni' eindigt bijvoorbeeld op de regels: ‘De dichter is maar / blinde vlier, hij zwijgt en zinkt in de wind / die aan hem wringt.’ Hier is ‘de wind die in hem klimt’ nu ‘de wind / die aan hem wringt’ geworden, en daarin hoort men het knarsetanden van de dichter bij het zien van de slachting in Beijing. Ter Balkts keuze voor de onbezonnenheid sluit morele oordelen niet uit. Zijn poëzie is een vorm van ‘fysiognomische kritiek’, zoals Peter Sloterdijk dat ooit noemde, - fysiognomisch, máár kritisch. De dood van zoveel Chinese studenten op het Plein van de Hemelse Vrede wordt niet veroordeeld op grond van een abstract rechtvaardigheidsbegrip - abstracta sluiten het over lijken gaan niet uit - maar op grond van een aan den lijve ervaren afschuw.
Die afschuw geldt niet alleen wat mensen elkaar aandoen, maar ook wat zij de wereld aandoen. Wie het gedicht ‘Het lam van Bikini (1954)’ heeft gelezen (over dat ene lam dat de kernexplosie op het eiland Bikini overleefde), is er na aan toe zijn fiets te pakken en op de hei het eerste schaap dat hij tegenkomt stevig te omhelzen:

Zijn bloedig oor getoond, het verzette zich niet,
het had als ontketende leeuwen horen brullen
de getransplanteerde zee, de hemel en de aarde, stil
in zijn leeuwenkuil...Een hymne aan dat lam prevelen
- zingen kunnen ze niet - sindsdien de onbewoonde stranden van Bikini
want de tongen die ooit hymnen zongen kunnen dat niet meer.

Compassie, mededogen, woede vindt men ook in de tweede afdeling van de bundel: ‘Buiten bereik houden van kinderen’, - een afdeling met prachtige prozagedichten over wat voor het merendeel al onherstelbaar beschadigde kinderen lijken te zijn. ‘B. is een kleine Jeanne Moreau, bleek en venijnig, en negen jaar oud,’ leest men in de één, en elders, over de vijfjarige Stig: ‘De sterren doen pijn. Het gras doet pijn. Wortelloof op de deel verspreidt zijn groen schijnsel. Hij voelt wat hij niet uitspreken kan: het is de pijn die heerst over de aarde. [...] Stig voelt zijn hart branden als een ster. Hij zou op de rug van de wind willen opvliegen naar de maan en de gesternten. Hij zou, deze vroege avond, al zo graag voor altijd verdwenen zijn.’ Het lijkt of Ter Balkt in dit laatste gedicht een portret geeft van de Zweedse schrijver Stig Dagerman op vijfjarige leeftijd (Dagerman pleegde in 1954 zelfmoord).
Geen omdraaiing van de al eeuwen geaccepteerde verhouding tussen lichaam en geest, die ons van de mogelijkheid berooft om over rechtvaardigheid na te denken, maar een krachtig pleidooi voor lichamelijk denken. En dat is een pleidooi voor een wereld die ik, bij gebrek aan een beter woord, ‘mythisch’ zou willen noemen. Er is in Ter Balkts poëzie een diep verlangen naar de samenhang van alles met alles, die zich niet in termen van de geaccepteerde Rede laat formuleren. En dat verlangen manifesteert zich in een poëzie die zich niet in termen van de gebruikelijke indelingen laat beschrijven. Staande voor een piéta schrijft Ter Balkt:

Kijk nu wat de zoon overkwam, scheuring, o
de kracht van het beeld zit niet in ’t verhaal

maar in de spieren van het gesteente, zo-
als de spot van 't vers joelt in de beenderen
van de woorden en niet in 't vet van druppelende
adjectieven, kroonluchters, adjectieven.

De beenderen van de woorden: daarin hoort men achter de taal van de geest het kloppen van bloed, het lichaam. Zo wordt poëzie de kalkbranderij van het absolute die het leven is. Branden moet 't. En het brandt.


KLINK NOG HELDER OP
H.H. ter Balkt, Tegen de bijlen. Oden en Anti-Oden. 60 blz. De Bezige Bij.
In: DGA, 14-10-1998

Ter Balkt is een dichter die al sinds jaar en dag ‘nergens’ bij lijkt te horen. Ja, in zijn eerste bundels, toen hij nog onder de profetennaam Habakuk II De Balker opereerde, vond men wel iets terug van de poëzie van Vijftig, want ook Ter Balkt kustte de blote kont der kunst, keerde zich met een ferm kiss my ass af van wat de boekhouders van de literatuur - recensenten, literatuurhistorici, specialisten - meenden dat werkelijk belangrijke poëzie was. Maar een Vijftiger was Ter Balkt nooit. En in de jaren zeventig en tachtig, toen in de poëziebeschouwing de zogeheten autonomistische poëzie het belangrijkste werd gevonden, was Ter Balkt een buitenbeentje, een dichter die in al die gedichten waarin de werkelijkheid buitenspel werd gezet, waarin ‘de verwijzende functie van woorden ongedaan werd gemaakt’, zoals de formulering luidt, in die gedichten die ‘inkeerden in zichzelf’, zoals een andere formulering luidt, alleen maar de vernietiging ontdekte die in de werkelijke wereld in volle gang was en die zich daar, letterlijk, met hart en ziel tegen keerde. Asfalt was het, doods, en bovendien: laf, benepen, Hollands, ingedijkt. Ter Balkt wilde en wil die dijken wel doorsteken, zo lijkt het, het verkavelde land onder water zetten, een tweede zondvloed, alles tegen de vlakte, alsof hij de alomtegenwoordige vernietiging door snelwegen, ruilverkaveling, luchtverontreiniging, de vernietiging van de betekenis waaraan de autonome dichtkunst zo hard meewerkte, paradoxaal genoeg zelf zou willen vernietigen, het land, de wereld zou willen opschonen. ‘Luister en wacht!’, schreef hij in een gedicht uit Aardes deuren (1987) waarin de stem van de dichter een berg wordt, ‘misschien stort er / van de onzichtbare hellingen // op een dag nieuw, helder geloof omlaag’.
Tegen de bijlen. Oden en Anti-Oden zo heet zijn nieuwste bundel dan ook, en wie Ter Balkt heeft gevolgd weet al op voorhand dat hij ook nu weer de complete en enige echte Ter Balkt tegen zal komen, dat in deze bundel de dichter spreekt die zich opnieuw niet heeft ‘ontwikkeld’, in wiens werk ook nu weer geen ‘breuk’ voorkomt, waarna hij een ‘andere weg’ is ingeslagen - de boekhouders zijn hier dol op -, maar de dichter die nogmaals zichzelf aanwezig stelt zoals hij is en altijd al was. Hoe volstrekt eigen Ter Balkts toon is, blijkt overigens nog eens uit een recent nummer van het tijdschrift Parmentier, waarin zeer vroeg werk van de dichter werd opgenomen (uit de bundel Elektronen uit 1953): dat is al Ter Balkt ten voeten uit, de Ter Balkt zoals men hem ook nu nog kent.
Dat lijkt op het eerste gezicht geen aanbeveling: zo’n bundel met meer van hetzelfde, maar, om het kort en krachtig te zeggen, ‘hetzelfde’ is bij Ter Balkt altijd het andere. Een dichter die in zijn werk altijd alles tegelijk wil omhelzen, de hele, niet-verkavelde werkelijkheid, een werkelijkheid waarvan geen splintertje uitgezonderd wordt, die zich niet laat herleiden en die niet herleid mág worden tot een opvatting, een visie, maar die het hoog en laag, het verhevene en het banale, het eerbare en obscene, die verleden en heden en dus ook toekomst omvat - zo’n dichter is onvoorspelbaar, grillig, nooit saai. Ik zou willen zeggen: zo’n dichter doet nooit wat hij al eerder deed, zelfs niet, zoals wel vaker in bundels van Ter Balkt gebeurt en ook weer in Tegen de bijlen, wanneer hij oudere, al eerder gepubliceerde gedichten opnieuw, maar met de nodige wijzigingen opneemt. Ter Balkt is een dichter die zelfs op zijn eigen gedichten aanstormt als iemand die geen genoegen neemt met wat een blijkbaar al te vaste vorm kreeg. Hij blaast zichzelf nieuw leven in, en op die manier blaast hij de lezer die hem denkt te kennen steeds weer opnieuw áán.
De gedichten in Tegen de bijlen staan open op alles, en dat betekent dat ze uit alle macht verwijzen naar wat in de wereld zoal voorhanden is of was (want er is al veel verdwenen). Ze verwijzen naar een schilderij van Jan van Goyen - er staat een, overigens ánder schilderij van Van Goyen op het omslag -, naar krantenberichten, naar mythen uit alle windstreken en culturen, naar andere dichters, naar voorwerpen, machines, plekken en steden, naar de Rolling Stones. Het zijn gedichten die je als lezer tot grote activiteit dwingen, want wie alle verwijzingen, referenties en echo’s op wil zoeken, is vaak dagen bezig - niet in de laatste plaats omdat de manier waarop Ter Balkt met zijn bronnen omspringt weer buitengewoon eigenzinnig is.
Ik verwijs hier nog maar eens naar het nummer van Parmentier over, maar vooral ook ván Ter Balkt. Daarin vindt men een groot aantal artikelen onder de titel ‘Extra verhelderingen’, waarin historici bij de gedichten uit Ter Balkts vorige bundel, Laaglandse hymnen, gedicht en historische gebeurtenis naast elkaar plaatsen en de mooiste bijdragen laten zien dat de geschiedenis volgens de dichter een andere is dan de geschiedenis volgens de historicus. De dichter heeft een actualiserende benadering, zoals dat heet in het jargon, de historicus uiteraard een meer historiserende benadering (zij het niet uitsluitend, natuurlijk).
In Tegen de bijlen ratelt ‘Het bonte gezelschap ontregelaars op de Wagen / van Jan van Goyen (...) onder de viaducten / door en over de bruggen’ en er zijn snelwegen, er zijn ‘de droge // knoken van Creuzfeldt-Jakob’, XTC-farms, vliegtuigen (van Alitalia), en ‘de lichten van Bruxelles-Nord’. Die wagen van Van Goyen rijdt het schilderij af en het heden in, zoals in een ander gedicht over een schilderij - Turners Rain, Storm and Speed (The Great Western Railway) - de wind en de snelheid naar Checkpoint Charlie rollen. Omgekeerd wordt in ‘Hymne aan de walnotenboom’ die in het hier en nu staande boom in verband gebracht met de boom Yggdrasil, de levensboom, de altijd groene boom van het heelal, een es, zoals het gedicht zelf meldt.
Alles, niet minder. Ode én Anti-Ode, zoals samengevat in de titel van het gedicht dat uiteindelijk aan deze bundel zijn naam gaf: ‘Ode aan de triomfzang tegen de bijlen’ - een kort gedicht dat nog eens aangeeft wat de inzet van Ter Balkts dichterschap is: ‘Door de rondvliegende spaanders zien wij het bos niet meer / Eens, op de planeet, toen het later was dan na middernacht / klink nog helder op, triomfzang tegen de bijlen nog laat aan het werk / klink op, zangen in de keel al bijna door stikstof omgebracht’. Ik schreef zoëven dat Ter Balkt zelf, en paradoxaal genoeg, wel alles leek te willen vernietigen, de hele godganse werkelijkheid leek te willen opschonen. Maar juist daarin, in zijn soms woest, bulderende toon, in de brede armzwaai van zijn poëzie, blijkt hij telkens het tegendeel van een vernietiger te zijn. Zijn poëzie is als de omarming van een geliefde die je altijd bij zich wil houden, wil voelen, en die je nooit en te nimmer los wil laten, zodat je naar adem snakt en de omhelzing bijna pijnlijk wordt.


DE ZANDVLOOIEN VAN DE DICHTER
H.H. ter Balkt, In de waterwingebieden. Gedichten 1953-1999. De Bezige Bij. Amster-dam 2000
in: Dietsche Warande & Belfort, jrg 146 (2001), p. 659 vlg.

‘Ik noem mijzelf geen dichter, ik hoop het af en toe te zijn. Ik wil het niet zijn, dan vergroot je de kans er af en toe een te zijn,’ zo stelde de zich toen nog met de naam Habakuk II de Balker tooiende dichter H.H. ter Balkt in wat bij mijn weten zijn eerste interview was (in: De Nieuwe Linie, 22-7-1971).Hij had op dat moment al twee bundels gepubliceerd, Boerengedichten, ofwel: met de boerenbijl, bijeengelezen door zijn lintworm, 96 bladzijden verfomfaaid en bespat met spreuken, raadsels en verkrommingen; in het groengroen knollenland van de haas. Nederlands fabrikaat: goedgekeurd door de Ver. van Huisvrou-wen, zoals zijn debuut uit 1969 volledig heet, en Uier van t oosten (nieuwe melk- en bloedspuwingen) (1970), beide bij De Bezige Bij. Boerengedichten opende met de regels: ‘Ik loop liever door brandnetels dan dat ik poëzie lees, / laat staan schrijf. Wie durft dat nog? Dit is dus geen poëzie. / Dit is een oorlogsverklaring aan de dichters, de fossielen / van een voorbij tijdperk.’ De pers was weer eens op zijn qui vive. Habakuk II de Balker - die naam was te potsierlijk voor een échte debutant. Het was Pé Hawinkels, meende de één; een ander vermoedde dat de toenmalige directeur van De Bezige Bij, Geert Lubberhuizen, achter het pseudoniem schuilging. Maar het was H.H. ter Balkt, de dichter die in 1979 met de bundel Waar de burchten stonden en de snoek zwom achter zijn pseudoniem vandaan kwam. Op het achterplat van die bundel las men: ‘Want de poëzie is wat moet en niet kan, wat zou moeten kunnen maar niet mag, wat kan en niet moet, wat welvoeg-lijk is en niet passend, wat korrekt is maar onfatsoenlijk.’ Jaren later schreef hij in de Revisor een stuk onder de titel ‘De buxushonden ruisten of Het glas-in-lood gloeit verder’, een aanval op de ‘beroepshandigheid’ van dichter/criticus Ad Zuiderent die eerder een gedicht van C.O. Jellema had geanalyseerd - een gedicht waarover Ter Balkt schreef dat het ‘zo kil als een onderaardse, natuurlijke waterader’ was; ‘Het is de kilheid van het innerlijk zo onbewogen maar uiterlijk o zo betrokken christendom uit vroeger dagen en eeuwen,’ zo voegde hij daar aan toe - en daarnaast was het stuk als geheel gericht tegen de ‘bedaagdheid’ en ‘De Verstarring’. ‘De Verstarring doceert poëzie in de Hoofdstad,’ schreef hij; ‘De verstarring zet, wetenschappelijk punterend, de klok terug en geeft geen enkele uitleg over het hoe en het waarom. Het komt in zijn kraam te pas en that’s all, folks. Wacht u voor de verstarring, wacht u voor zulke herders.’ Over wat poëzie, of kunst in het algemeen, is of moet zijn, schreef hij in dit artikel: ‘Er moet iets osachtigs en olijks, er moet iets gevaarlijks en toch ook buitengewoon goedmoedigs zijn in de kunsten; iets tegemoetkomends, iets afstotends, dat toch de ploeg trekt’ - een uitspraak die terugkeerde op het achterplat van In de kalkbranderij van het absolute uit 1990.
Nu even afgezien van wat je - al dan niet ‘wetenschappelijk punterend’ - op grond van alleen al deze uitspraken over de zogeheten poëtica van Ter Balkt zou kunnen concluderen, dit lijkt in ieder geval een dichter die volkomen ongeschikt is voor zoiets als een Verzameld Werk. Een dergelijk lijvig boekwerk heeft, zeker als het al verschijnt terwijl de dichter nog in leven is, altijd iets van een sluitsteen voor het graf van zijn definitieve Betekenis, een steen die alleen als bij wonder nog weer door de dichter weg te rollen valt. Het is maar aan weinig dichters gegeven om daarna nog weer aan de lezers te verschijnen, al hangt dat natuurlijk sterk van die lezers zelf af. Ik loop nu al maanden rond met In de waterwingebieden, een vorig jaar versche-nen, 725 bladzijden tellend, blauw boekwerk, dat Ter Balkts gedichten van 1953 tot en met 1999 bevat. Een ‘verzameld werk’, zou je derhalve kunnen denken, al is er natuurlijk meteen iets vreemds aan de hand met de jaartal-len. Ter Balkt debuteerde immers onder zijn profetennaam in 1969, maar opent hier met respectievelijk vijf gedichten uit Electronen (een bundel uit 1953) en vier gedichten uit Exclave (1954), bundels die nooit werden gepubliceerd. En dan, de titel van deze bundel deed een belletje rinkelen, want verscheen er in 1985 niet ook al een bundel die In de waterwingebieden heette? Inderdaad, een bundel die de gedichten uit de jaren 1975-1985 bevatte. En dan is er ook nog Machines! Maai ons niet, maai de rogge, een bloemlezing uit de gedichten 1969-1979, zo zie ik in mijn boekenkast. Wie de inhoudsopgave bekijkt, voelt zich aanvankelijk gerustgesteld. Boerengedichten, Uier van t oosten, De gloeilampen De varkens (1972) - dat gaat mooi in de juiste volgorde, denk je, maar die laatste bundel, die oorspronkelijk verscheen met op de voorkant een olijk kijkend varkentje dat ontspannen met beide poten over een ruwhouten plank leunt, bevatte veel meer gedichten dan er in In de waterwingebieden van zijn opgenomen. Vrijwel de hele afdeling ‘De gloeilampen’, waarmee die bundel oorspronkelijk opende, is gesneuveld, op twee gedichten na: het gedicht dat begint met de regel ‘Het waren tijden met tanden’ en een gedicht dat nu een titel heeft, maar dat in de oorspronkelijke bundel niet had. Daartussen een gedicht, ‘De hotelkamer’, dat in de bundel uit 1972 niet terug te vinden is. En dan: er bestaan verschillen tussen ‘Het waren tijden met tanden’ in de oorspronkelijke bundel en de versie die in In de waterwingebieden is afgedrukt: één strofe sneuvelde, woorden en regels werden veranderd. Zo werd ‘Met arendsoog loerde de vlieg / naar de ploegende boer’ nu: ‘Met arendsoog spiedde de vlieg / naar de ploegende boer’, en in de slotstrofe: ‘Zwart hing de lamp aan de hanebalken / als een ontmaskerde zeskaraatsstem’ werd ‘Wit hing de lamp aan de hanebalken / getroffen door de zeskaraatsstem.’
Onaangenaam, dit, want dergelijke veranderingen zijn ook aangebracht in gedichten die ik erg hoog had zitten, bijvoorbeeld ‘Hoe een berglandschap te beginnen’ uit de bundel Aarde’s deuren (1987), dat ik hier nu tot mijn leedwezen terugvindt als ‘Hoe geen berglandschap te beginnen maar te wach-ten op nieuw hoog- en laagland’ - het één openend met: ‘Huur de mieren in, luiaard / die korrel voor korrel moeten verslepen / naar de plek die jij aan-wijst’; het ander openend met: ‘Stuur de mieren weg, luiaard / en sleep zelf korrel voor korrel / naar de plek die jij aanwijst’. Het één vervolgend met:

Roep de sterren aan, de meteoren
dat ze vallen en zich opstapelen
tot een mooie goudglanzende alp

Ga eerst liggen en luister
naar de stem van de stenen, want de stenen
zijn gegane lachende stemmen

De stemmen van die gingen werden bergen
Luister en wacht! misschien stort er
van de onzichtbare hellingen

op een dag nieuw, helder geloof omlaag

Het ander vervolgend met:

Roep de sterren aan, de meteoren
dat ze niet vallen, niet vallen
maar voorbijsuizen, en schijnen

Luister eerst naar de oude zangen
Een stenen wagen was uitgereden,
en wordt nu door de einder verslonden

Luister en wacht... misschien valt er
van de onzichtbare hellingen
op een dag nieuw, helder geloof omlaag

Onaangenaam, zei ik, maar ook typerend. Ter Balkts gedichten zijn als zand-vlooien, waarmee ik zowel de in Amerika en Azië voorkomende Sarcopsylla penetrans bedoel - waarvan het wijfje zich in de huid van mensen boort, met name onder de teennagels, en daar haar eitjes legt, waardoor hevige ontstekingen kunnen ontstaan -, als de op Europese stranden levende Talitrus saltator, een klein kreeftje dat grote sprongen kan maken. Dat zijn ze overigens altijd al geweest. Tegen de bijlen uit 1998 bevat gedichten die eerder, maar anders, in boekvorm werden gepubliceerd, en dat was ook in eerdere, afzonderlijk verschenen bundels al het geval. Men vindt in In de waterwingebieden kortom nogal wat gedichten die men al jaren onder zijn huid droeg, maar die hier plotseling zijn weggesprongen, ofwel verdwenen zijn, ofwel heel ergens anders in het oeuvre opduiken, al dan niet veranderd.
Het maakt van In de waterwingebieden iets anders dan zomaar ‘ver-zamelde gedichten’, en van zijn gedichten iets anders dan de stenen die hij achterliet. Dat mogen ‘gegane lachende stemmen’ zijn, men hoort dat alleen wanneer men ze telkens weer opraapt en aan zijn oor houdt. Het zijn steeds hernomen en te hernemen oude zangen, vertellingen die van generatie op generatie gaan, en die zich van chronologie en tijdsgewricht niets aantrekken, laat staan dat ze zich ooit zouden laten vangen door de verstarring en de bedaagdheid, door poëziebeschouwers bijvoorbeeld die in een zekere tijd niets anders doen dan de verschenen en verschijnende poëzie onderbrengen bij de theoretische kaders die op dat moment in de mode zijn. In Boerengedichten al werden we aan het slot toegesproken door Corvus, ‘Habakuks tamme kraai’, zoals er staat. ‘Mijn meester,’ zo kraste die, ‘wiens verzen in een reuk van rauwheid staan (ik bind er mijn snavel bij dicht) draagt mij op bij de duistere plekken in zijn plattegronden een brandend kaarsje te houden; dat doe ik dan, en met grote tegenzin, zo waarlijk helpe mij de grote Kauw almachtig.’ Deze Corvus, die overgevlogen lijkt uit Toonders Bommel-verhalen, legt dan bijvoorbeeld uit dat de regel ‘Über allen Gipfeln ist ratata’ naar Goethe verwijst, hij citeert iets uit de bijbel, verklaart dat ‘Fleur de Roisin’ Belgische tabak is, en nog zo het één en ander - maar van harte gaat het inderdaad niet. En bovendien voegt hij zelf nog ‘een fabel, een sage’ toe: hij opent een haakje (zonder het weer te sluiten) en begint een verhaal dat zelf weer vol verwijzingen lijkt te zitten. Om ten slotte uit te komen bij deze, aan hemzelf gestelde vraag: ‘Is de draad, Corvus, niet beter dan het kluwen?’ Wat hij precies met die vraag - en met het ongetwijfeld bevestigende antwoord daarop - bedoelt, is niet helemaal duidelijk, maar een paar regels verder lees je: ‘Ik zeg jullie, 1 woord van hartstocht in de schutting gekrast, bij de rode kolen, doet duizend verzen wit worden of ze nooit waren geschreven, 1 woord dampt een miljoen slechte regels, flonkerend van geestdrift in, en maakt ze tot een troosteloze halfdroge binnenzee, glinsterend van zout en bezaaid met dode vissen. Eén regel van de Perzische wijndrinker Omar Khayyám smakt de strijdkarren aan diggelen die over de Romeinse regels ratelen.’
En daarmee lijken we terug te zijn bij de altijd polemiserende dichter zelf, bij de dichter die beweert geen poëzie te schrijven, juist omdat hij de poëzie hoger acht dan alles wat er voor doorgaat. ‘Hofcalligrafen! / Hier drijft de laatste harpsnaar voorbij,’ heet het in ‘De verdronkene’, en wie in die harpsnaar een verwijzing ziet naar de Romantiek, waar de door de wind bespeelde aeolis-harp zoiets als een symbool was voor de dichtkunst, heeft niet helemaal ongelijk, denk ik, zoals je hier ook onmiddellijk aan profeten en zieners gaat denken, aan de poeta vates, aan iets hooggestemds derhalve ook. Maar daarbij moet men niet vergeten dat Habakuk zoiets als de Job onder de profeten was, die met een ‘Hoe lang, Here, roep ik om hulp, en Gij hoort niet; schreeuw ik tot U: geweld! En Gij verlost niet?’ (Habakuk 1:2) zijn God aanklaagt. Het is met die Habakuk dat Ter Balkt zich een tijdlang identificeerde, met degene die het onrecht en het geweld, de alomtegenwoordige vernietiging en verkwanseling van de hele godganse schepping aanklaagt. Het is de woede tegen het één en de hartstocht voor het ander die hem drijft, de woede tegen bijvoorbeeld snelwe-gen die nu zijn (en ook mijn) geboortegrond doorsnijden: het Twentse land; maar ook tegen de hoge heren uit de katoenindustrie die in die landstreek de scepter zwaaiden, ‘de machtigen door katoen geadeld, / door t stuivende katoenpluis uit Amerika’, ‘de Heren die ons als kapok beslapen’, zoals het in het gedicht ‘Cross-Country’ heet, woede tegen sociale ongelijkheid. De hartstocht voor het land, de aarde, de akker, voor de draad van de eeuwige vertelling, de mythische eenvoud van het boerenleven, dat wat voor hem ook opklinkt in blues van Bessie Smith, Ma Rainey, Sonny Terry, in de jazz of in de muziek van the Rolling Stones en de Velvet Underground. Het is de hartstocht die hem nu eens woedend maakt, dan weer aanleiding geeft tot elegieën, hem de var-kens doet bezingen, of de eg, het zoutvat, de stoppelvelden, het ‘oud gereed-schap mensheid moe’, of die hem soms een gedicht ingeeft als dit:

SCHAAMTE

Deze struikelende gedachten
(dit zijn verzegelde gedachten)
sterven in hun zwartwitte vel

Ze mogen de grens niet over
Ze zijn gevaarlijk voor twee landen
Ze hebben geen paspoort meer

Het is duister in de cafés
wanneer de lichten in de tabak
en de glazen geheel gedoofd zijn

Het is aardedonker in het oog
van douane slapend in haar blauw huis
door kwade gedachten bestraald

Dit is geen kooi; dit is een hoofd
vol zwart-wit kronkelende slangen,
-tegengehouden aan de grens

Dit is niet een spoorwagon
stilstaand tussen Oostenrijk en Italië
stilstaand met kreunend vee

Luister beter: wij zijn het zelf,
strompelend en vallend in onze kooi
Ons menner wanend en herder

Hier vloeien woede en elegie ineen tot de schaamte die de dichter overvalt (en die ons zou moeten overvallen) bij wat wél een spoorwagon was vol kreunend vee, een wagon die na de kernramp van Tsjernobyl in 1986 aan de grens tussen Oostenrijk en Italië werd tegengehouden, werd verzegeld, een wagon vol bestraald vee. En zo schreef hij in In de kalkbranderij van het absolute het gedicht ‘Het lam van Bikini (1954)’, over het eiland in de Stille Oceaan dat ten tijde van het grote atoom-enthousiasme (de atoombom had ons gered en zou ons beschermen, kernenergie was de toekomst, de bikini kwam vanaf toen in de mode) bijwijze van kernproef werd platgegooid - met op schepen schapen, geiten en lammeren, om het effect van de explosie te bestuderen. Eén lam overleefde - daar bestaan filmbeelden van: ‘Zijn bloedig oor getoond, het verzette zich niet, / het had als ontketende leeuwen horen brullen / de getransplanteerde zee, de hemel en de aarde, stil / in zijn leeuwenkuil... Een hymne aan dat lam prevelen / - zingen kunnen ze niet - sindsdien de onbewoonde / stranden van Bikini / want de tongen die ooit hymnen zongen kunnen dat / niet meer.’
Dit soort verwijzingen is in Ter Balkts werk schering en inslag, en daarbij gaat het nooit om de platte invulling van engagement als ‘tendenskunst’. ‘Schaamte’ en ‘Het lam van Bikini (1954)’ vinden hun plek in het heden van de dich-ter, zoals al eerder ‘T Spel van de Brandende Wagens’, dat oorspronkelijk werd opgenomen in Helgeel landjuweel (1977) het protest van de Provo’s tien jaar daarvoor terug in het heden riep, in een bundel die geschreven was ‘bij de 400-jarige herdenking van de Beeldenstorm 1566-1966'; Provo en Reformatie werden hier aan elkaar gesmeed. In 1993 verscheen zelfs een herdichting van de geschiedenis van de Lage Landen onder de titel Laaglandse hymnen, een bundel die zich misschien moeilijk laat lezen zonder kennis van de geschiedenisboekjes. Maar wie die kennis wel heeft, of krijgt aangeleverd - zoals gebeurde in het speciale Ter Balkt-nummer van Parmentier (jrg. 9, nr. 1, najaar 1998), waarin historici een aantal van die hymnen van commentaar voorzagen - ziet vooral hoe de dichter de geschiedenis van de lage landen vanaf de Steentijd in het heden trekt, hoe geschiedenis voor hem als het ware niet bestaat.
‘Wat is een eeuw! De vogelkreet in de schemering, / de zweefvlucht van de kerkuil. Gelach, glans van ogen / - neergevallen en in stilte, wolken, bladeren // duldzaam overgegaan. Het leven is een opvlucht / van rook: dan gezichten, daarna vachten en snuiten, / dan vorst, dan dooi; en stille sfinxenlach van de wind,’ zo heet het in één van de hymnen (‘Ontzettend oud Polygoon journaal’) en daarmee zijn we in feite weer terug op het land, op de akkers, bij ‘de grote trom van anekdoten’ die de grond is, bij de rogge, de bosanemonen, de zaad-korrel in de akker, bij het mos en de aardappelen, bij de katoen en de braamstruiken, bij gereedschappen die in onbruik raakten; terug in een tijd die anders verloopt dan die van geschiedschrijvers, die hun blik opleggen aan wat ooit gebeurde en het zo verstarren tot gebeurtenis; terug in een tijd die de boer misschien kent, die in zijn vertellingen schuilt; in de tijd van de dieren en de dingen, die de tijd van de poëzie is, de poëzie die ‘moet en niet kan’, die ‘zou moeten kunnen maar niet mag’, die tegelijk is ‘wat kan en niet moet, wat welvoeglijk is en niet passend, wat korrekt is maar onfatsoenlijk’, de poëzie die zich bij haar gedichten niet neerlegt, maar ze telkens opneemt, laat wegspringen, laat verdwijnen en weer terugroept - een cyclische tijdsbeleving, zo zou je kunnen zeggen, met een ‘Ewige Wiederkehr’. Maar is dit veld rogge gelijk aan dat, aan hetzelfde veld een jaar later?
De overgave aan die tijd, die het verleden niet erkent dan als deel van het heden, van het hier en nu waarop ieder gedicht van Ter Balkt telkens weer neerkomt, sluit die ene bede niet uit: ‘Machines! Maai / ons niet, maai / de rogge!’. Niet het kluwen, maar de draad, en het verlangen daarvan deel uit te mogen maken en te mogen blijven maken, ook al staan er dames en heren met scharen, is er de snelweg en de ruilverkaveling, zijn er kerncentrales, poëzie-beschouwers die als Leeghwaters aan indijken doen en vindt men overal in de lage landen blauwe bordjes met ‘Verboden te betreden, waterwingebied’.

11:16 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.