18-10-05

Ten Berge H.C.

DE BEMINDE IN DE MINNAAR OPGEGAAN
H.C. ten Berge, Overgangsriten. Gedichten. Meulenhoff. Amsterdam 1992.
In: VK, 1-5-1992.

'Zonder vleugels en visioenen, ontheemder / dus naakter op weg naar het donker dat maant,’ schrijft H.C. ten Berge tot tweemaal toe in zijn nieuwste bundel: Overgangsriten. De eerste keer doet hij dat in het gedicht 'Langzame uitstapper' uit de eerste van de in het totaal vier afdelingen in de bundel (een afdeling die begint met een aantal in memoriam-gedichten); de tweede keer in het gedicht 'Met lome precisie' uit de derde afdeling, waarin men voornamelijk schilderij-gedichten aantreft.
In dit laatste gedicht fungeren de regels als illustratie bij wat nog het meest weg heeft van een aantal voorschriften over hoe men dient te kijken. Men moet geen 'breukdeel' zien, zo leest men hier bij monde van een zij-figuur, 'maar alles omvattend. Het is voor het eerst, voor het laatst; er is / weinig meer dat ertoe doet. Blijf waar je bent, in de deur naar / de plaats zonder leven. Blijf buiten schot. Verzamel de uren / en stomme getuigen die resten. Neem ze mee, leg ze vast, / zoals in dat gedicht waarin een mens alleen verschijnt om te verdwijnen — / "Zonder vleugels en visioenen, ontheemder / dus naakter op weg naar het donker dat maant"'. Het gedicht vervolgt met regels die herinneren aan de woorden waarmee de poëzie van Ten Berge vaak wordt gekarakteriseerd: 'Lichtschuw. Zo moet het zijn. Niet de mens, maar zijn / sporen. Niet ik, maar de dingen. / Ik is afwezig, verraden, vergeten. / De broze belichaming van het verzwegene'.
Het zijn dit soort regels die Ten Berge de naam hebben gegeven een dichter van koude, emotieloze poëzie te zijn. Titels als Poolsneeuw of -88.3°, alsmede Ten Berge’s liefde voor het hoge Noorden, maar ook het feit dat hij in zijn poëzie vaak op zijn eigen taal reflecteert, hebben gemaakt dat hij uitsluitend wordt gezien als een intellectualistische (dus 'moeilijke'), kille 'witdichter', — een vertegenwoordiger van wat vroeger Raster-poëzie heette. En Raster is immers het tijdschrift dat Ten Berge zelf, maar liefst twee keer, heeft opgericht.
Deze karakteristiek van Ten Berge's poëzie heeft mij altijd verbaasd, al kan ook ik nietom zijn onmiskenbare liefde voor strenge, winterse landschappen heen, en ook al lijkt Ten Berge zelf in bovenstaande regels te onderschrijven dat hij een dichter van 'ding'-poëzie is. Maar naast de winterse kou en het lege landschap vinden we in zijn werk toch ook die levenslange passie voor de heftige poëzie van Hadewych terug, een meer dan gemiddelde belangstelling voor de bepaald niet lichtschuwe Canto's van Pound (waarvan hij er een aantal vertaalde), maar vooral ook: zijn eigen heftigheid, die niet zelden leidt tot bijna uit het lood hangende gedichten vol woede en verontwaardiging.
Zo vindt men in Overgangsriten een ziedend gedicht over Van Gogh, geschreven onder andere naar aanleiding van een boven het gedicht geciteerde uitspraak van Rudi Fuchs: 'Dat houd ik staande: een boek of schilderij dat niet verkocht wordt is geen kunst'. Voor Ten Berge aanleiding Van Gogh een 'Vertraagde missive' te sturen, een gedicht 'verzadigd van gêne', zoals hij stelt: 'Beklemd tussen gebazel van een kunstbons / die zich breed maakt / en een snelle schurk / die nagenoeg om niet een tijdloos ingelijste repro / met een fles Vincent Brut Cava biedt // schrijf ik in de greep van een bevangenheid / zo groot, dat zij de felheid van uw oogopslag, / uw ingekuilde geestdrift evenaart'. De felheid en geestdrift van Van Gogh hebben gemaakt dat Ten Berge in diens schilderijen de essentie terugvindt die hij zelf in zijn hele poëtische oeuvre tot nu toe hartstochtelijk heeft gezocht: de ene keer in het wit en in de smalst denkbare vormen; de andere keer onder een schroeiende zon en in epos-achtige gedichten als de Texaanse elegieën uit 1983.
Die essentie is niet te formuleren; Ten Berge leeft 'zonder vleugels en visioenen' enheeft niet — als Hadewych — een hemelse bruidegom waarmee versmelting mogelijk is. Hij heeft alleen de zekerheid dat hij doodgaat, maar die ene zekerheid maakt juist dat het leven voor hem niet halfslachtig mag zijn. Zo wordt 'het onuitsprekelijke' niet alleen iets wat hij najaagt, maar tevens datgene wat hem een basis verschaft voor zijn, vaak morele verontwaardiging en zijn soms didactische toon. In die zin is de dood voor Ten Berge geen eindpunt, maar juist begin, datgene in het licht waarvan het leven zich voltrekt.
Dat maakt hij heel knap duidelijk in de eerste afdeling van de bundel. De afdeling opent met een 'in memoriam matris', maar de gestorven moeder wordt hier niet alleen herdacht; zij wordt onmiddellijk verbonden met de geliefde:

Om vier uur 's ochtends zegt hij
Voor het laatst haar naam, hij voert
Een kort gesprek per telefoon

De Ene komt, ze kleedt zich
Uit, ze lijft hem
In: een gloed van zacht geweld

Drijft hem terug naar het begin


In de hieropvolgende gedichten blijft steeds een zij-figuur aanwezig. Uiteindelijk wordt de dood van een geliefde persoon aan het eind van de afdeling tot het streven naar eenwording met de geliefde Ander, naar de Unio Mystica:

O nacht, jij was mijn gids,
Nacht, innemender dan ochtendgloren;
Nacht, jij bracht
Minnaar en beminde samen;
De beminde in de Minnaar opgegaan!'

De dood van de moeder wordt zo van een persoonlijke gebeurtenis tot een overgangsrite: een geestelijke houding waarmee men terugkeert naar het leven. Beter kan men de doden niet gedenken, lijkt me.
Toch heb ik wat moeite met het zoeken naar 'een kristal / Dat op de bodem van de ziel neerdaalt', zoals het in de tweede afdeling, 'Rivierlandschap met blauwe fles' geformuleerd staat. Het leidt bij Ten Berge in deze bundel, maar ook elders, vaak tot een zeer absolute toon, tot een boodschap die ondanks haar grondig anti-metafysische karakter toch iets heel 'hoogs' en 'ijls' heeft. De beweging die het leven tussen geboorte en dood alleen maar zijn kan, wordt dan als het ware opgeofferd aan een eeuwig principe, aan stilstand.
Daar staat tegenover dat er in de afzonderlijke gedichten nog genoeg bewogen wordt.Bovendien maakt de titel van de bundel duidelijk dat de dichter weliswaar zoekt naar de stilstand, maar dat iedere tekst niet meer is dan een overgangsrite, de ingang tot een volgende tekst, steeds 'naakter op weg naar het donker dat maant'. Die naaktheid heeft in deze bundel tot soms prachtige, in ieder geval altijd warmbloedige poëzie geleid.

12:08 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.