18-10-05

Berger John

DE OUDE MARXIST EN DE NIEUWBAKKEN BOER
John Berger, Een ander antwoord. Verhalen en beschouwingen. Sa-mengesteld door K. Michel. Vertaling Sjaak Commandeur. 240 blz. De Bezige Bij. Amsterdam 1996.
In: NvhN, 13-12- 1996

John Bergers Een ander antwoord is het zevende boek dat wordt uitgegeven in een nieuwe reeks van De Bezige Bij: de Raster-boeken. Dat zijn boeken die door de redactie van het tijdschrift Raster worden geselecteerd en dat is als je naar de Nederlandse situatie kijkt eigenlijk ook het tijdschrift waarbij een auteur als Berger het beste past. Je zou namelijk kunnen zeggen dat Berger en Raster — uiteraard geheel onafhankelijk van elkaar — in literair-ideologisch opzicht dezelfde weg hebben afgelegd.
Raster is altijd het tijdschrift van de avant-garde geweest. Dat wil zeggen: het was een tijdschrift dat zich vooral richtte op wat in de jaren zestig en zeventig de ‘experimentele literatuur’ heette te zijn. Literatuur was niet alleen maar een afbeelding van de bestaande maatschappelijke verhoudingen, maar ook en vooral een middel tot maatschappijkritiek — of zelfs, en getrouw aan de uitgangspunten van de historische avant-gardebewegingen: een middel tot een mogelijke verandering van de maatschappij. Die oude, avant-gardistische standpunten zijn door de huidige (en ook al wel vorige) redactie(s) van Raster inmiddels verlaten. Voor zover er in Raster nog gerefereerd wordt aan het aloude engagement, betreft het nu een ‘engagement van het nabije’, waarbij het niet langer gaat om de grote utopieën van weleer, maar om het concrete, het tastbare, voorhandene.
Van de schrijver, filmer, kunstcriticus en essayist Berger zou je iets soortge-lijks kunnen beweren. In zijn beschouwingen over kunst was Berger voorheen vooral een marxistisch georiënteerde kunstcriticus, en hoewel hij in de in Een ander antwoord bijeengebrachte essays in meerdere stukken nog steeds kunst en klassebewustzijn, schilderen en maatschappijkritiek met elkaar verbindt, lijkt hij in dit boek toch vooral een mondiale maatschap-pijkritische visie voor het beslotene en intieme van het dorpsplein verruild te hebben — een verandering die alles te maken heeft met het feit dat Berger nu al weer jaren in een boerendorp in de Franse Alpen woont.
Dat de oude marxist en de nieuwbakken dorpeling in Een ander ant-woord nog meermalen elkaars pad kruisen, houdt verband met het feit dat K. Michel, redacteur van Raster, dit boek samenstelde uit een viertal essaybundels van Berger die tussen 1972 en 1991 verschenen. In 1972, het jaar waarin ook Bergers met de Booker Prize bekroonde roman G. verscheen, was Berger nog veel meer die marxistisch angehauchte auteur dan in 1991, toen hij inmiddels zijn tussen 1979 en 1990 geschreven boerentrilo-gie De vrucht van hun arbeid had voltooid.
Natuurlijk staat het één niet los van het ander: in beide gevallen — in dat van de marxist en dat van de dorpsbewoner — gaat het Berger om een weerwoord aan een samenleving waarin iedere gemeenschapszin ontbreekt en de kans op gedeelde ervaringen gering is omdat alle tradities, elk besef van de historische continuïteit, langzamerhand zijn verdwenen. Dat laatste heeft niet alleen maar te maken met het wegvallen van metafysische perspectieven als gevolg van de Verlichting, maar zeker ook met de grondslagen van onze kapitalis-tisch-liberalistische maatschappij. In zo’n maatschappij gaat immers ver-koopbaarheid voor waardigheid, en bezit alleen datgene waarde wat verkoop-baar is. Tradities en geschiedenis zijn daarbij vaak maar een sta-in-de-weg.
Nu denk ik, kijkend naar de keuze die Michel uit Bergers werk heeft gemaakt, dat het in dit boek noch om de marxistisch gekruide boodschap gaat noch om de deugden van het boerenbestaan. Michels nawoord maakt ook duidelijk dat het hem meer gaat om de Berger die in kunst in de eerste plaats een inderdaad ander antwoord ziet op de vragen die de werkelijkheid ons voorlegt. Kunst en literatuur tonen ons volgens Berger niet de wereld zoals zij ís - zo definitief zijn ze niet. Zo definitief en gedecideerd zijn juist alleen maar ideolo-gieën - ja, en de kunst die precies volgens die ideologieën is vervaardigd na-tuurlijk (men denke aan het socialistisch-realisme bijvoorbeeld, al hoort daar voor de marxistische Berger van voorheen natuurlijk ook de goed-burgerlijke kunst bij). Maar de werkelijk waardevolle kunst uit heden en verleden laat niet zien wat ís, maar maakt je bewust van hoe je zelf eigenlijk kijkt, hoe je uit alles wat zichtbaar is uiteindelijk zoiets als ‘werkelijkheid’ creëert.
Doel is, schrijft Berger, om ‘de verschijningsvorm van iets (ook iets levenloos) te zien als een stadium in zijn groei — of als stadium in een groei waaraan het deel heeft. De zichtbaarheid ervan te zien als een soort bloei’. Daarmee levert de hier door Michel gebloemleesde Berger vooral een pleidooi voor juist het niet definitieve, het onaffe, het vlietende en dat levert zeker een aantal prachtige essays op over bijvoorbeeld Monet, Millet, Modigliani, Bonnard, Giacometti, om enkele van de bekendere schilders te noemen die Berger bespreekt, want uiteraard leidt dit alles als vanzelf tot een voorkeur voor kunst die ingaat tegen, of op zijn minst vraagtekens plaatst bij wat in een zekere tijd de domi-nante werkelijkheidsvisie is — en dat betekent dat Berger zich beperkt tot vooral de moderne en avant-gardististische kunst.
Dat doet hij, als gezegd, boeiend, maar toch werd ik tijdens het lezen steeds gehinderd door die beide gestalten die Berger heeft aangenomen, wat minder door de marxist die hij was dan door de nieuwbakken boer die hij nu is, moet ik daar aan toevoegen. In wat Berger over het boerenbestaan te berde brengt, de manier ook waarop hij dat boerenbestaan tot model maakt, en vooral: de wijze waarop hij meent daar zelf na zijn verhuizing naar de Franse Alpen, deel aan te hebben, komt op mij in alle gevallen volkomen vals over. Hij schakelt zichzelf welbewust in in een traditie waarvan hij op geen enkele manier deel uitmaakt en hij vereenzelvigt zich op veel momenten met de boeren om hem heen voor wie hij, wed ik, altijd de vreemde, schrijvende, misschien buiten-gewoon sympathieke, maar nooit werkelijk tot de harde kern van de dorpsge-meenschap behorende buitenstaander zal blijven.
Dat laatste wil Berger steeds maar weer wegmoffelen achter een gemeenzaam ‘wij’: het ‘wij boeren uit de Franse Alpen’, het ‘wij die deel hebben aan die cyclische tijdsbeleving’, het ‘wij die dicht bij de onverschillige natuur onszelf als deel van die natuur ervaren’, ‘wij die als vanzelfsprekend met de dood leven’. In die passages geloof ik Berger geen moment en zie ik plotseling alleen maar een oude schwärmer die compensatie zoekt voor de schipbreuk van zijn oude revolutionaire waarheden van weleer en die daarin uiteindelijk ontrouw wordt aan wat hij zijn leven lang nu juist in kunst meende te ontdek-ken.

11:53 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.