18-10-05

Benda Julien

VAN DENKEN NAAR PRAKTIJK
Julien Benda, La Trahison des Clercs (1927)
In: DM, 28-3-2001

La Trahison des Clercs (Het verraad der klerken) van Julien Benda (1867-1956) is één van die boeken waartegenover je steeds opnieuw de behoefte voelt je eigen positie te bepalen. Inzet is wat Benda, een dreyfusard van het eerste uur, het ‘klerkendom’ noemt, waarmee hij verwijst naar de intellectuelen, en meer specifiek: naar de taak, de positie en de verantwoordelijkheid van de intellectueel ten opzichte van de samenleving. Wie een intellectueel aanduidt als een ‘klerk’ verraadt misschien al iets van zijn eigen houding in dezen. Het woord verwijst vooral naar de clerus, de geestelijke stand uit de middeleeuwen. En Benda’s boek uit 1927, als trouwens de meeste van zijn boeken, riekt bij tijd en wijle wel heel erg naar het studeervertrek, dat op zijn beurt voortdurend lonkt naar de kloostercel. Het verbaasde me dan ook niet om in een autobiografie van later datum, La Jeunesse d’un Clerc (1937), een passage tegen te komen waarin Benda een celibatoir bestaan verdedigt, zij het nadat hij het uitvoerig over zijn diverse relaties met vrouwen heeft gehad.
Dat laatste zou je een prettige ‘inconsequentie’ kunnen noemen, de (althans voor ons nu) broodnodige relativering van een overtuiging die bij Benda niet zelden een absolute waarheid dreigt te worden en die van hem een onbuigzame scholasticus gemaakt zou hebben, een schoolmeester van de ergste soort: type ‘welweter’. Het maakt duidelijk dat zijn haast onaardse, bovenwereldse cultuurideaal - die aan de intellectueel een plaats naast, of eigenlijk buiten de samenleving toewijst en die van hem een volstrekt vergeestelijkte denker zonder onderlijf maakt - in de eerste plaats een verlangen vertegenwoordigt, een ideaal dat ook voor Benda zelf toch vaak net buiten zijn bereik lag.
Wat hij schrijft over het celibaat, geldt namelijk ook voor zijn ideale intellectueel. Zijn bemoeienis met de Dreyfus-zaak maakte van Benda, naar eigen zeggen, onmiddellijk een ‘clerc impur’. In de zaak rond de joodse legerofficier Alfred Dreyfus, die ten onrechte van hoogverraad werd beschuldigd, nam hij stelling tegen de publieke opnie en de door bijvoorbeeld de reactionaire en fel antisemitische krant La Libre Parole verkondigde mening dat Dreyfus een sprekend voorbeeld was van de verradersmentaliteit van alle Franse joden. Hij koos de zijde van Emile Zola, die over dezelfde kwestie zijn beroemde J’Accuse schreef; hij koos voor politiek links, een keuze die hij trouw zou blijven, zij het soms morrend. Zijn polemische bemoeienis met de wereld en haar belangen - precies datgene wat we, sinds Zola’s artikel, zo kenmerkend achten voor de intellectueel - was echter voor Benda nu juist een verraad aan het ideaal van een geheel van de wereld afgewende, monnikgelijkende studeerkamergeleerde. En het is die bemoeienis met de wereld en de politiek die hij in La Trahison des Clercs vervolgens anderen verwijt.
Zij leidt er namelijk toe dat de intellectueel zich uitlevert aan de politieke, nationalistische en ook raciale hartstochten van zijn tijd, in plaats van zich te houden aan de (zuivere) rede en het (al even zuivere) intellect. Het leidt tot politiek fanatisme, tot eng-nationalisme en xenofobie, zo laat hij zien aan de hand van, vooral, Maurice Barrès (1862-1923), Frans schrijver en politicus, die in La Trahison des Clercs zijn voornaamste vijand is. Het lijkt nu eenvoudig om het met Benda eens te zijn, want alleen al Barrès’ overtuiging dat een individu slechts tot volle ontplooiing kan komen wanneer hij zich ervan bewust is deel uit te maken van een geheel, van een ras, nauw verbonden door de banden van het bloed en door het samenleven in één vaderland, doet je huiveren. Maar voor Benda is Barrès exemplarisch voor iedere intellectueel die zich op het glibberige pad van de politiek begeeft, dat wil zeggen: ook linkse intellectuelen of zij die, in onze ogen nu, meer politiek-correcte opvattingen huldigen (in 1946 verscheen er dan ook een nieuwe uitgave van La Trahison des Clercs, waarin de weinig verheffende bijdrage die intellectuelen aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hebben geleverd, breed werd uitgemeten).
Wat de linkse intellectuelen betreft: we hoeven daarbij alleen maar even aan Sartre’s vergoelijking van de Russische kampen te denken - de pakweg tien miljoen doden die volgens deze Franse scheelkijker een niet al te hoge prijs waren om het revolutionaire ideaal te verwezenlijken. Hij deed die uitspraken in de jaren vijftig. Bij dergelijke ontsporingen van het denken geeft men Benda grif gelijk, en zou men achteraf alsnog wensen dat Sartre een celibatair in monnikspij was geworden. Dat de intellectueel thuisblijve en zich wijdt aan wat hem het beste ligt: het denken alleen.
Tegelijkertijd zijn het juist dit soort ontsporingen - het woord ‘verraad’ gaat me toch wel wat al te ver - die hebben gemaakt dat de hedendaagse intellectueel als het ware onder huisarrest is geplaatst. In deze wel post-historisch en post-ideologisch genoemde tijden wordt niet zelden onder verwijzing naar juist die ideologische ontsporingen uit het verleden, aan de intellectueel een plaats toegewezen tussen de schuifdeuren. Zijn denken is ongevaarlijk geworden omdat de weg naar de praktijk voortaan gebarricadeerd is - en dus mag hij denken wat hij wil, zoals een schrijver mag schrijven wat hij wil. Het is maar ‘fictie’ ten slotte, en dat blijft maar beter zo. De huidige, politiek gesproken ‘paarse’ samenleving, is misschien niet de beste, maar dan toch de minst slechte van alle werelden gebleken die mogelijk waren, en daarom ook nog de enige die mogelijk is, zo wil het de communis opinio. Het is een als uitermate redelijk en ideologisch-neutraal voorgesteld klimaat waarin het nauwelijks nog lijkt uit te maken of men voor de VLD of voor Agalev stemt. Het gaat hoogstens nog om accentverschillen. Er is geen andere wereld meer, tenzij men onfatsoenlijk wordt en voor het Blok kiest - cynisch genoeg de enige politieke partij die nog een andere wereld in de aanbieding heeft.
Wie de weg van denken naar praktijk barricadeert, kweekt extremisme - dat is iets wat het herlezen van Benda’s boek je duidelijk zou kunnen maken. Want Benda mag dan voortdurend bezig zijn om de ramen en deuren dicht te metselen, op het beslissende moment ontbreekt het hem aan voldoende stenen. De ‘impure’ klerk die hij zelf was, is de halfwas die een intellectueel zijn moet, al was het maar om niet het slachtoffer te worden van de in zekere zin gevaarlijk naïeve overtuiging dat het ideaal van de zuivere intellectueel géén praktische consequenties heeft of zou kunnen hebben.

11:41 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.