18-10-05

Anker Robert


VERLANGEN NAAR VANZELFSPREKENDE AANWEZIGHEID
Robert Anker, Volledig ontstemde piano. Verhalen. Querido, Amsterdam.
In: NvhN, 24 juni 1994.

Mooie boeken, wat zijn dat? Het is een vraag die steevast bij me opkomt wanneer ik een boek lees dat ik mooi vind. Bij slechte boeken heb ik niet zoveel vragen; mijn irritatie tijdens het lezen spreekt boekdelen, neemt per bladzijde toe en is zichzelf genoeg. Maar een mooi boek? Na lezing van Robert Ankers tweede prozaboek, de verhalenbundelVolledig ontstemde piano, zou ik willen zeggen dat de mooiste boeken je zo in zich opnemen dat alles wat je erover zegt hopeloos tekortschiet. Ze roepen het gevoel op dateen goed gedicht teweeg kan brengen: het gevoel dat, als je uit wilt leggen waar het precies om gaat, je eigenlijk de hele tekst zou moeten overschrijven. Duidelijker kan ik niet zeggen dat men Ankers boek in ieder geval moet lezen, al was het maar om vast testellen hoezeer ik in alles wat ik er hier over zeg, tekortschiet.
De vergelijking met het lezen van een gedicht is natuurlijk niet helemaal willekeurig. Anker is begonnen als dichter en je zou kunnen zeggen dat hij als prozaïst dichter gebleven is. Dat wil zeggen: Anker is ook in zijn proza zichzelf gebleven. In Volledig ontstemde piano komt men in dezelfde wereld terecht als die welke hij in bundels alsNieuwe veters (1987) en Goede manieren (1989) gestalte gaf: aan de rand van de samenleving, bij zwervers en krakers, in Amsterdam. In vrijwel ieder verhaal duiken ze op, soms liggend in een bijzin in een portiek, of duidelijk aanwezig op het voorplan. Ze vormen als het ware de grenswachten van een wereld die voor de hoofdpersonen uit de verhalen een bevrijding betekent, een wereld waarin zij echter niet door kunnen dringen.Aan de andere kant is er de herinnering aan het dorp van herkomst (ook iets wat men in bijvoorbeeld Goede manieren tegenkomt), waar de wereld nog de vanzelfsprekendheid had die zij nu heeft verloren.
Ankers personages zitten klem in hun eigen hoofd, in de begrenzing van hun eigen waarheden over de wereld, die hen verhinderen om in de werkelijkheid aanwezig te zijn.'Ik ervaar mijzelf (...) als een personage in een maatkostuum,’ zo zegt er één, en in andere verhalen gloeit de zon steeds onheilspellend aan en uit, als betrof het een lamp op het toneel. In het eerste verhaal memoreert de hoofdpersoon dat zijn vrouw bij hem is weggegaan 'voor zijn woorden woorden woorden, waarin een werkelijkheid groeide die zij steeds minder herkende, en voor zijn verbijsterend talent niet te leven in het huis waarhij woont'. En in ‘Wilde beelden’, in een gesprek tussen oude schoolvrienden, stelt de hoofdpersoon op grond van de observaties van anderen vast: 'Ah, ik ben dus stukgelopen op de abstractie', - een verhaal waarin een manmoedige poging wordt gedaan om in de tegenwoordige tijd te leven, om te zijn waar men is. Dat laatste is een poging tot bevrijding van een mentale (als men wil: louter talige) werkelijkheid die de weg afsnijdt naar een daadwerkelijke ervaring van de wereld. In vrijwel alle verhalen wordt de opening naar de echte wereld (naar het nu, naar aanwezigheid zonder meer) geforceerd. Een aantal malen door inbraak, dan weer omdat een portefeuille wordt gerold.
De beklemming die de personages ervaren is overigens niet een strikt individuele aangelegenheid. Anker verbindt haar nadrukkelijk met de beperkingen die de burgerlijke maatschappij ons oplegt. In die zin zijn de krakers ook waarvoor ze in onze maatschappij gehouden worden of waarvoor ze zichzelf graag houden: anarchisten, autonomen, die de regels van de samenleving aan hun laars lappen. Bij de constatering dat de personages vastzitten in hun eigen gedachten en abstracties, hoort ook de vaststelling dat zij 'te burgerlijk' zijn. 'Hoe burgerlijk ben ik zelf inmiddels geworden', zegt er één over zichzelf. 'Inmiddels', want de personages zijn allen rond de veertig en hebben in de jaren zestig geloofd in de revolutie.
Dat men uit zichzelf en uit de maatschappij zou kunnen ontsnappen door een nieuwe ideologie te formuleren, wordt meerdere malen krachtig van de hand gewezen (en in het verhaal ‘De taper getapet’ worden de idealen van de krakers dan ook kritisch bezien). Het gaat in dit opzicht veeleer om het onmogelijke verlangen naar een vrijplaats. 'Alleen wie droomt is echt. Maar in de wereld van de functies is geen plaats voor dromers. Een andere wereld dan die van de functies is echter niet mogelijk'. Zoals het voor een mens niet goed mogelijk is om zonder abstracties, zonder denken, reflectie, in de wereld te zijn.
Juist omdat Anker zijn verlangen naar vanzelfsprekende aanwezigheid ook plaatst in de context van de maatschappij, verhindert hij dat de verhalen vrijblijvende, 'louter literaire' dromerijen worden. Ze willen zich juist van hun literaire, talige hoedanigheid bevrijden. 'Ik ben door het leven langzamerhand naar de rand van de tafel geschoven', zo heet het, -de schrijftafel, zo begrijp ik. De personages (die steeds meer met elkaar versmelten) willen meer. 'Woordwaarde en letterwaarde, daar gaat het om', zo zegt het personage in het laatste verhaal, gezeten achter een Scrabblebord. 'Ik ben pas volmaakt als ik het langst mogelijke Griekse woord, een woord dat ik nu nog niet ken, op het bord zal leggen in de hoogste puntencombinatie. Dan zal ik een blik werpen achter de taal'.
Intussen wordt met de woorden die Anker hier legt een wereld opgeroepen die groter is dan die welke de maatschappij, maar ook het postmoderne cultuurklimaat ons heeft toebemeten. Anker heeft een boek geschreven dat aan alle kaders probeert te ontsnappen,ook aan die welke door het huidige literaire klimaat aan literatuur worden opgelegd. Die poging maakt Volledig ontstemde piano tot een waardevol en daarbij nog een zeer mooi boek. Het legt de bespreker in mij, met al zijn aan het literaire klimaat ontleende literatuuropvattingen, het zwijgen op, omdat het niet om De Literatuur gaat, maar omdatgene waarover literatuur gaat.

11:05 Gepost door Marc Reugebrink | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.